vrijdag 31 augustus 2018

Boekonderzoek: Johannem Beltsnider, Fonteyne, Tegens de Sonde ende onreynigheyt voor alle ware Christenen geopent; in de Leere ende Troostrijcke Name Iesu …, Amsteldam 1657 (1)


Woord vooraf

Johannes Beeltsnijder was een belangrijk predikant. Op godsdienstig gebied leefde hij in een hectische tijd. Dat blijkt wel wanneer u zijn boek “Fonteyne, Tegens de sonde…” leest. Het was voornamelijk een strijd op het gebied van de ware godsdienstige leer en inmiddels niet minder van de bevinding van het heil. Mijn verslag dat u nu leest, bevat een onderzoek naar Beeltsnijders werk “Fonteyne, Tegens de sonde...”. Door het lezen van dit verslag krijgt u een goed beeld van Beeltsnijders gedachtegoed op godsdienstig gebied. Als u het echte werk “Fonteyne, tegens de sonde…” leest, krijgt u geestelijk voedsel over de besnijdenis en over de naamgeving van Jezus Christus. Dat Beeltsnijder in dit werk interessante gegevens beschrijft, blijkt al uit het lezen van mijn onderzoek. Ik wens u daarin veel plezier.

Machiel Lock
Giessenburg, augustus 2018

  
Informatie over de auteur

Johannes Beeltsnijder leefde van 1603 tot rond 1683. Hij studeerde theologie in Franeker. Beeltsnijder stond van 1630 tot aan zijn emeritaat in 1678 als gereformeerd predikant in Beilen. Hij genoot bekendheid door de publicatie van een zestiental prekenbundels en een catechismusverklaring. De predikant schreef als één van de weinige Drenten boeken.[1]
Johannes was de zoon van Gerrit Beeltsnijder en Wijna Steenbergen uit Epe. Eén van zijn broers was koperslager, eerst in Amsterdam, later in Kampen. Eén van zijn zussen was getrouwd met Theunis Daams, die in 1632 raad van Deventer werd. Een andere zus trouwde met een Schultinck uit Steenwijk; de Schultincks bekleedden eveneens openbare functies.
Dominee Beeltsnijder trouwde met Elisabeth Bert. Een dochter uit dit huwelijk, Wijnanda, trouwde met Emmerik van Rossum, schulte van Rolde. Een andere dochter trouwde met de predikant Willem Hofstede, sinds 1677 hulppredikant bij zijn schoonvader en na diens overlijden zijn opvolger. Een zoon Johannes werd predikant. Een andere zoon, Bartholomeus, trouwde met Sophia Stich uit Meppel. Zijn zoon Quirinus Beeltsnijder studeerde rechten en werd landschrijver van Drenthe.
Johannes Beeltsnijder had nog het vrij gebruik van de pastorie en het daarbij gelegen land bestaande uit ‘hoff, gaerdens, lynlant en waerdeel’. Daar stond tegenover dat hij evenals de andere Drentse predikanten verplicht was uit de pastoriegoederen bij te dragen tot het onderhoud van de koster en schoolmeester en dat het innen van de rogge, de haver en de andere inkomsten in natura niet altijd zonder strubbelingen verliep.[2]
  

Informatie over het oeuvre van de auteur en de plaats van het boek daarin

Werken van Johannes Beeltsnijder
  • Anathomie, Dat is: Ontledinge des Christelijcken Cathechismis
  • Belijdenis Predicatie (Rom 7, 24v.)
  • Euthanasia, Dat is, De Salighe Sterf-konst der Kinderen Godts (6 predicatien over 2 T., 4, 6-8)
  • De geluckige uytkomst van de Gekroonden Stephanus (3 predicatien over Hand. 7,59v.)
  • Het oprechte Gelove en ware Voorbereydinge van den Ouden Simeon (Luk. 2, 29vv.)
  • ’t Saligh Afsterven van de jongen Sone Jerobeams (6 predicatien)
  • De vrye opene Fonteyne, tegens de sonde ende onreynigheyt voor alle ware christenen geopent, in de leere ende troostrijcke name Iesu.
  • De ware Christelijcke Huys-sorge (4 predicatien over Mt. 6,33).

Uit het oeuvre van Johannes Beeltsnijder blijkt dat hij veel geschreven heeft over de zaligheid oftewel de gelukzaligheid, die men alleen door het geloof in Jezus Christus en Dien gekruisigd kan beërven. In God is de hoogste zaligheid des mensen gelegen. Uit vier van de acht genoemde werken is dit uit de titel op te maken. Ook bij “Het oprechte Gelove en ware Voorbereydinge van den Ouden Simeon”. Hierbij denk ik aan de woorden van de oude Simeon: “Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien”.  Ook in “Fonteyne, Tegens de sonde…” stelt hij de zaligheid des mensen centraal. Dat wordt in de Voorrede al meteen duidelijk: “Dat den Leerlinck, een zondigh Christen mensche mooghen weder vereeniget worden met God door den Middelaer, ende gheraecken tot de ghenietinge van de Zalige ghemeynschap met Gode hier in dezen leven in ghenade, ende nae dezen leven in eeuwighe glorie. In deze Zalighe ghemeynschap met Gode daer in is de hooghste gheluckzaligheydt des menschen gelegen.” Daarom past het bestudeerde werk geheel in zijn oeuvre. Uit de genoemde punten blijkt ook dat Johannes Beeltsnijder veel predikatiën in zijn oeuvre heeft. Dit geldt ook voor “Fonteyne, Tegens de sonde…”. Dit werk bevat namelijk ook twee predikatiën. Hij geeft dit onder de noemer van traktaat uit.

dinsdag 31 juli 2018

Plan van aanpak catechisatieles 2


PLAN VAN AANPAK CATECHISATIELES MAANDAG 18 MAART 2018


Voor het ontwerpen van een lesopzet voor deze catechisatieles doe ik eerst enig voorwerk, dit aan de hand van de 6 stappen die genoemd worden in “Altijd leerling. Basisboek catechese” van Jos de Kock, Wim Verboom e.a. (tweede druk, Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer).

1.          Thema: de opstanding van de Heere Jezus Christus
2.         Doelen: de catechisanten iets laten zien van het doel van de opstanding van Jezus
3.   Informatie verzamelen over het thema: vanuit de Bijbel, Bijbelcommentaren, de Heidelbergse Catechismus
4.         Verkennen van het eigen subjectieve concept en de eigen praktijkcontext ten aanzien van het thema: persoonlijk vind ik de opstanding van Jezus in eerste instantie moeilijk te begrijpen en te geloven. Wie ziet er vandaag de dag een dode opstaan uit zijn/haar graf? Dat is toch bijna onmogelijk? We moeten dus gedegen Bijbelstudie doen om de opstanding van Jezus te kunnen begrijpen. Bovendien hebben wij hier de hulp en de leiding van de Heilige Geest bij nodig. Persoonlijk raakt het mij dat Jezus is opgestaan zo vlak nadat Hij is bespot door mensen en gruwelijk aan het kruis ter dood is gebracht.
5.      Verkennen van het subjectieve concept en de praktijkcontext van catechisanten ten aanzien van het thema: catechisanten zullen ongetwijfeld vragen hebben bij het thema “de opstanding van de Heere Jezus Christus”. Het gaat hier om iets bovennatuurlijks. Hoe moet een catechisant dit geloven? In het leven van alledag kan het ook moeilijk zijn om ervoor uit te komen dat je in de opstanding van Jezus gelooft. Omdat we werkelijk niemand uit de dood zien opstaan, is het een bewijs dat de Bijbel niet betrouwbaar is, zo denken velen. Het is niet goed om direct over dit punt heen te gaan, maar wel is het zaak om argumenten te vinden voor het feit dat de Bijbel wel degelijk waar is, ook als het gaat over de opstanding van Jezus. Aan de oudste groepen is het aan te raden om te zeggen dat er ook een stroming in de kerk is die niet gelooft in de lichamelijke opstanding van Jezus, met name de vrijzinnige stroming. En er kan onderscheid gemaakt worden tussen lichamelijke en geestelijke opstanding. Op grond van de Bijbel geloven wij in de lichamelijke opstanding van Jezus, maar dat neemt niet weg dat de opstanding van Jezus geestelijke betekenis heeft voor het leven van een christen, sterker nog: dat is zeker het geval.
6.      Verkennen van de context van de gemeente en de omringende wereld ten aanzien van het thema: dit is moeilijk na te gaan, omdat ik nauwelijks bekend ben met de thema’s die momenteel in de kerkelijke gemeente waarin ik deze catechisatie geef, in het bijzonder aan de orde zijn. De gemeente belijdt de opstanding van Jezus Christus uit de dood. De catechisanten kunnen zeker aan de slag met het thema “de opstanding van Jezus”. In 1 Korinthe 15:14 lezen we immers: “En als Christus niet is opgewekt, dan is onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof.” Dit is een uitermate belangrijk uitgangspunt voor de catechisant voor zichzelf en eventueel voor de contacten in en het werk in de kerkelijke gemeente waarvan hij/zij lid is, op de school/universiteit waar hij/zij op zit, in het bedrijf waar hij/zij werkt, enzovoorts. Toen Johan Cruijff, een populaire voetballer, overleed, ging er een tweet de wereld in: “JC staat zondagmorgen weer op.” Lees hierover een artikel uit het Reformatorisch Dagblad van 26 maart 2016:
Sommige mensen vinden dat Johan Cruijff de plaats van Jezus Christus heeft ingenomen. Meerdere jongeren en ouderen zijn gevoelig voor sportverdwazing. Natuurlijk is sport op zichzelf niet verkeerd, maar het mag geen verdwazing worden. Het is een goede zaak om de jongeren toe te rusten in de Bijbel.


Opening (op het bord schrijven)

Zingen: Psalm 16:4,5
Gebed
Lezen: Johannes 20:1-23

Vanavond de laatste catechisatieles van dit seizoen. We leven toe naar Goede Vrijdag en Pasen. Met Goede Vrijdag (dit jaar op 30 maart) wordt de kruisiging en de dood van Jezus herdacht, met Pasen (dit jaar op 1 en 2 april) de opstanding van Jezus uit de dood. Maandag 2 april is vandaag over precies twee weken. Deze catechisatieles gaat over de opstanding van de Heere Jezus Christus. De relevantie hiervan benoemen (zaken benoemen die ik heb geschreven aan de hand van de 6 stappen uit het boek “Altijd leerling. Basisboek catechese”, zie de vorige bladzijde).


Vragen (soort stellingen) (op het bord schrijven)

Vraag 1: Stel dat je een man op straat tegenkomt waarvan je weet dat hij drie dagen geleden is begraven, en hij zegt dat hij is opgestaan. Zou je dat dan geloven?
Vraag 2: De opstanding van de Heere Jezus Christus uit de doden: waargebeurd of niet waargebeurd?


Bijbelstudie

Om antwoord op vraag 2 (zie hierboven) te krijgen, is het nodig om een korte Bijbelstudie te doen over Johannes 20. (Het mag natuurlijk ook een lange Bijbelstudie zijn, maar daar hebben we vanavond helaas geen tijd voor.)

Enkele inleidende vragen:
-         Vraag 1 (n.a.v. vers 1): Waarom was de steen van het graf afgenomen?
-        Vraag 2 (n.a.v. vers 9): Waar staat het in de Bijbel dat Jezus uit de doden zou opstaan?
-        Vraag 3 (n.a.v. vers 17): Over welke (toen nog) toekomstige gebeurtenis spreekt Jezus hier?

Johannes 20 beschrijft gebeurtenissen van de Paaszondag, die plaatsvinden in de morgen (verzen 1-18) en in de avond (verzen 19-29) (in de verzen 30 en 31 lezen we de conclusie).[1] Deze twee gedeelten kunnen dan elk opnieuw verdeeld worden in twee delen: 1 (morgen) a. de ontdekking van het lege graf (verzen 1-10) en b. de verschijning van Jezus aan Maria Magdalena (verzen 11-18); 2 (avond) a. de verschijning van Jezus aan de discipelen (verzen 19-23) en b. aan Thomas, die er de vorige keer niet bij was (verzen 24-29).[2]

In vers 1 lezen we dat Maria Magdalena op de eerste dag van de week vroeg in de morgen, als het nog donker is, naar het graf gaat waarin Jezus lag, en ze ziet dat de steen van het graf is weggenomen. Velen denken aan de mogelijkheid dat Maria Magdalena denkt dat het lichaam van Jezus gestolen is, maar het ligt meer voor de hand dat ze denkt dat Jezus ergens anders opnieuw begraven is.[3] Zij gaat naar Simon Petrus en naar de andere discipel, die Jezus liefheeft – dat is Johannes, en zij zegt tegen hen: “Ze hebben de Heere uit het graf weggenomen, en wij weten niet waar zij Hem neergelegd hebben.” Let wel: ze zegt: “wij weten niet”. Meervoud dus. Terwijl we hier alleen over Maria Magdalena lezen die zag dat de steen van het graf is weggenomen. We herkennen hierin de synoptische gedeelten van de meerdere vrouwen bij het graf.[4] In Mattheüs en in Markus lezen we namelijk over nog een andere Maria: de moeder van Jakobus, die samen met Maria Magdalena naar het graf ging. Maar met “wij” kan Maria Magdalena ook bedoelen: zijzelf, en Petrus en Johannes.[5] Petrus en Johannes lopen naar het graf, Johannes loopt sneller. Johannes ziet de doeken liggen, maar gaat het graf niet in, terwijl Simon Petrus dat wel doet. Simon Petrus ziet de zweetdoek, die op het hoofd van Jezus lag, opgerold op een andere plaats liggen. Ook Johannes gaat nu toch het graf in. We lezen dat zij de Schrift (= de Bijbel) nog niet kennen, waarin staat dat Jezus uit de doden zal opstaan. We kunnen dan bijvoorbeeld denken aan Psalm 16, die we zojuist hebben gezongen. Petrus haalt deze tekst aan tijdens Pinksteren vlak na de uitstorting van de Heilige Geest: de gezalfde van God zal niet aan het dodenrijk worden overgelaten en zijn lichaam zal niet bederven.[6] Jezus Christus is wel een hele bijzondere “Gezalfde”. Hij is de eniggeboren Zoon van God. De Naam “Christus” betekent “Gezalfde”. Calvijn noemt meerdere teksten waaruit blijkt dat de opstanding van Jezus al van tevoren is voorzegd in de Bijbel: Jesaja 55:3, Psalm 16:10, Psalm 110:1, Jesaja 53:8.[7]

De discipelen gaan weer naar huis. Maria Magdalena is opnieuw bij het graf.[8] Zij huilt buiten bij het graf en terwijl zij huilt, buigt zij voorover in het graf, en ze ziet twee engelen zitten, één aan het hoofdeinde en één aan het voeteneinde van de plaats waar het lichaam van Jezus gelegen heeft. Dat één engel aan het hoofdeinde zit en een andere engel aan het voeteneinde, is bijzonder. Het is een getuigenis van het feit dat God Zijn eniggeboren Zoon Jezus Christus uit het graf heeft weggenomen voor iets wat nog moet volgen.[9] De engelen zeggen nog niet gelijk tegen Maria Magdalena dat Jezus is opgestaan.[10] Maria Magdalena zegt dat Jezus is weggenomen en ze geeft aan dat ze niet weet waar het lichaam van Jezus nu is. Ze draait zich om en ziet Jezus staan, alleen ze weet niet dat het Jezus is. Ze denkt dat het de tuinman is, maar als Jezus tegen haar zegt: “Maria!”, herkent ze Hem wel. Jezus maakt Maria Magdalena bekend dat Hij (Jezus) zal opvaren naar Zijn Vader, die ook de Vader is van Maria Magdalena, en naar Zijn God, die ook de God is van Maria Magdalena. Hiermee bedoelt Jezus de hemelvaart[11], die vlak hierna zal volgen. Deze reis naar de hemel maakt Hij alleen, daarom mag Maria Magdalena Hem niet vasthouden.[12] Maria zegt vervolgens tegen de discipelen dat ze Jezus gezien heeft en dat Hij dit tegen haar gezegd heeft. Aan de avond van de dag staat Jezus in het midden van de discipelen en wenst hen vrede toe. Jezus laat hen Zijn handen en Zijn zij zien. Dit is ook een duidelijke belijdenis in de kerk geworden: de Gekruisigde is de opgestane Heere, en de opgestane Heere is de Gekruisigde, de Verlosser van vlees en bloed, Wiens dood en opstanding de zaligheid bereiken voor de gehele wereld.[13] De discipelen worden blij als ze Jezus zien. Jezus wenst hen opnieuw vrede, Hij zegt dat zoals de Vader Hem gezonden heeft, zo zendt Hij (Jezus) ook hen (de discipelen). Hij blaast op hen en zegt tegen hen: “Ontvang de Heilige Geest.” Jezus maakt duidelijk dat als de discipelen iemands zonden vergeven, deze zonden vergeven worden, en als de discipelen iemands zonden toerekenen, dan blijven de zonden aan diegene toegerekend.

In het volgende gedeelte lezen we over Thomas, één van de discipelen van Jezus. Dit gedeelte hebben we tijdens de Schriftlezing niet gelezen. Jullie kennen deze geschiedenis wel, denk ik. Thomas was er namelijk niet bij toen Jezus bij de andere discipelen kwam, de geschiedenis die we zojuist hebben besproken. Een week later is hij er wel bij en dan komt Jezus opnieuw bij Zijn discipelen. Thomas gelooft het eerst niet dat Jezus opgestaan is, maar zodra hij Jezus ziet, gelooft hij het wel.

Wij kunnen het haast niet voorstellen dat een mens opstaat uit de dood. Dan lijkt het in de eerste plaats niet waargebeurd te zijn dat Jezus is opgestaan. Wij hebben het niet gezien. Toch zijn er wel velen die Hem gezien hebben nadat Hij gestorven en opgestaan is. Na de twaalf discipelen is Hij aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk verschenen, zie 1 Korinthe 15:6. Jezus is opgestaan om te vervullen wat er in de Bijbel geschreven staat en om terug te gaan naar Zijn Vader in de hemel. Jezus is niet zomaar een mens, Hij is de eniggeboren Zoon van God. Jezus heeft de dood overwonnen. De opstanding van Jezus betekent ook iets voor ons persoonlijk, als we de Bijbel aanvaarden als Gods Woord. We kunnen hiervan bijvoorbeeld lezen in Zondag 17 van de Heidelbergse Catechismus.


Verwerking n.a.v. een artikel uit het Reformatorisch Dagblad van 26 maart 2016 (voor de oudste groepen)

Artikel (zie de volgende pagina)


Sluiting

Dankgebed



[1] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, Grand Rapids, Michigan: Zondervan, p. 367
[2] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 367
[3] P.H.R. van Houwelingen, Commentaar op het Nieuwe Testament. Johannes, Het evangelie van het Woord, Kampen: J.H. Kok, p. 386
[4] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 368
[5] P.H.R. van Houwelingen, Commentaar op het Nieuwe Testament. Johannes, Het evangelie van het Woord, p. 386
[6] P.H.R. van Houwelingen, Commentaar op het Nieuwe Testament. Johannes, Het evangelie van het Woord, p. 388
[7] John Calvin, Commentary on John – Volume 2, Grand Rapids, MI: Christian Classics Ethereal Library, p. 222
[8] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 374
[9] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 374
[10] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 374
[11] P.H.R. van Houwelingen, Commentaar op het Nieuwe Testament. Johannes, Het evangelie van het Woord, p. 392
[12] P.H.R. van Houwelingen, Commentaar op het Nieuwe Testament. Johannes, Het evangelie van het Woord, p. 392
[13] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 379

zaterdag 30 juni 2018

Plan van aanpak catechisatieles 1

Afgelopen seizoen heb ik (Machiel Lock) enkele keren catechisatie gegeven. Het lijkt me goed om te laten zien hoe ik catechisatielessen heb aangepakt.



PLAN VAN AANPAK CATECHISATIELES MAANDAG 5 MAART 2018

Hieronder ga ik de 6 punten langs die weergegeven worden in paragraaf 10.6 van het boek “Jos de Kock, Wim Verboom, e.a., Basisboek catechese. Altijd leerling. Zoetermeer: Boekencentrum, 2012” (2e druk; 1e druk: 2011), met daarachter mijn antwoorden.

1.          Thema catechisatieles: “Muziek in de kerk”
2.         Doelen: het duidelijk maken van bepaalde achtergronden van de muziek en van de zang in de kerk
3.          Informatie: met name vanuit de Bijbel en vanuit de kerkgeschiedenis
4.   Verkennen van het eigen subjectieve concept en de eigen praktijkcontext ten aanzien van het thema: Als catecheet vind ik het thema “Muziek in de kerk” belangrijk, omdat ten eerste tijdens elke kerkdienst muziek ten gehore gebracht wordt, in deze situatie via een orgel; ook de samenzang is een belangrijk onderdeel. De gemeente doet namelijk actief mee en is geen toeschouwer. Ze beaamt steeds een onderdeel van de kerkdienst. Bijvoorbeeld: “Als antwoord op de prediking zingen we …” Er vindt steeds een wisselwerking plaats tussen voorganger en gemeente. Dus samenzang is een belangrijk onderdeel van de kerkdienst, zoals ook alle andere onderdelen van belang zijn tijdens de kerkdienst. De gehele kerkdienst moet namelijk strekken tot eer van God. Muziek roept allerlei gedachten op. Met muziek kan een bepaalde stemming/gemoedsuitdrukking ten gehore gebracht worden. Er zijn best wat discussies aangaande het thema “Muziek in de kerk”. Bijvoorbeeld: is het goed dat er alleen Psalmen gezongen worden tijdens de kerkdienst, moet er ritmisch of niet-ritmisch gezongen worden, is het geoorloofd dat er ook andere instrumenten dan een orgel gebruikt worden. De Psalmen raken mij persoonlijk. In de Psalmen kijken we Gods kinderen in het hart.
5.     Verkennen van het subjectieve concept en de praktijkcontext van de catechisanten ten aanzien van het thema. Ik denk dat het thema “Muziek in de kerk” over het algemeen door de catechisanten als boeiend ervaren wordt. Er zullen ongetwijfeld allerlei gedachten zijn bij de catechisanten als het gaat om dit thema. Ik denk dat bijna iedereen in zijn of haar vrije tijd regelmatig naar muziek luistert. Hoe verhoudt hun muzieksvoorkeur tot de muziek die in hun kerk tijdens de kerkdienst en tijdens andere kerkelijke activiteiten ten gehore wordt gebracht? Wordt er over dit thema gesproken in de thuissituatie van de catechisanten? En tussen de catechisanten onderling?
6.     Verkennen van de context van de gemeente en de omringende wereld ten aanzien van het thema. Zelf ben ik niet bekend of er door de kerkenraad van de betreffende gemeente geëvalueerd wordt t.a.v. het thema “Muziek in de kerk”. Feit is wel dat de verschillende kerken ook verschillende soorten muziek gebruiken. Ook de liederen die gezongen worden, zijn per kerk verschillend. Ik denk dat het voor de catechisanten belangrijk is dat ze enige kennis hebben van hoe de Bijbel over muziek spreekt. Enerzijds om zich te wapenen tegen muziek waarin de duivel geëerd wordt, en anderzijds om een brede blik te krijgen van hoe de Bijbel over muziek spreekt.


Gebed (ook dankgebed aan het einde van de bijeenkomst)
Zingen: Psalm 118:1; Psalm 150:1,2,3
Lezen: Kolossenzen 3:5-17.

Het gaat vanavond over muziek in de kerk. Maar eerst nog iets n.a.v. de vorige catechisatieles. Ik heb begrepen dat er vragen zijn over 1 Samuël 16:14, waarin we lezen over “een boze geest van God”. Lezen document: “Les 18: Muziek in de kerk”.

Vraag: Wie weet een aantal instrumenten te noemen die in de Bijbel voorkomen? (Is de vorige keer ook gevraagd, maar nu nog een keer als opfrisser.) We kunnen denken aan Psalm 150. Hierin worden een aantal instrumenten genoemd. We kunnen ook denken aan bijvoorbeeld David, die op de harp speelt voor Saul (zie 1 Samuël 16:23). Toen David dit deed, week de boze geest van Saul, waar we het zojuist over hadden. Ook in bijvoorbeeld Openbaring 18:22 worden muziekinstrumenten genoemd.

Hier bij jullie in de kerk en ook bij mij in de kerk wordt de samenzang begeleid met een orgel. Het zingen van de Psalmen kan het beste begeleid worden met een orgel. Enerzijds is dat traditie, anderzijds denk ik ook omdat het zingen van de Psalmen het beste begeleid kan worden met een orgel. Andere liederen die in sommige kerken gezongen worden, zoals de Opwekkingsliederen en gospelmuziek, zijn niet of nauwelijks met een orgel te begeleiden. De Opwekkingsliederen en gospelmuziek passen minder in een reformatorische gemeente. Anders zouden we met een bandje in de kerk moeten werken. Dat wil niet zeggen dat de Opwekkingsliederen verkeerd zijn. De Opwekkingsliederen zijn ook gemaakt om God te eren. Dan wil ik graag een stelling poneren.

Stelling: “In de kerk mag je alleen Psalmen zingen”. Eens of oneens? Waarom?

Het is niet verkeerd om in de kerk naast de Psalmen ook andere liederen te zingen: ook lofzangen en geestelijke liederen. Zie Efeze 5:19 en Kolossenzen 3:16. Waarom worden hier tijdens de kerkdienst dan toch alleen de Psalmen gezongen, en daarnaast maar 12 gezangen? Wie weet dat?

Ik denk het hiermee te maken heeft dat juist in de Psalmen, naast het feit dat deze in de Bijbel zijn opgenomen, veel heilsfeiten en vele stadia in het christenleven naar voren komen. Jezus zegt ook dat alles wat over Hem geschreven staat in de Wet van Mozes, en in de Profeten, en in de Psalmen, vervuld is geworden (zie Lukas 24:44). Niet voor niets werd door de bekende kerkhervormer Maarten Luther de Psalmen “de Bijbel in het klein” genoemd. Wel denk ik dat de opstanding van Jezus Christus wat minder naar voren komt in de Psalmen, hoewel die ook niet afwezig is. In Psalm 22 bijvoorbeeld zingt allereerst David over zijn lijden, maar het lijden dat in deze Psalm naar voren komt, is wel het meest vervuld in Jezus Christus. Maar het blijft niet alleen bij het lijden: de HEERE heeft de ellendige niet verlaten (zie vers 25). De HEERE komt om de aarde te oordelen (zie Psalm 98:9). De Heere Jezus Christus zal bij Zijn wederkomst de levenden en de doden oordelen (zie 2 Timotheüs 4:1).

Misschien goed om iets aan te duiden vanuit de geschiedenis. Jullie zijn lid van een hervormde gemeente, onderdeel van het protestantisme. De Reformatie, in 16e eeuw, zorgde voor grote veranderingen. De liturgie van de kerkdienst ging bijna alleen uit Bijbeluitleg bestaan. Maarten Luther, een bekende reformator, hield in 1523 nog vrij veel van de rooms-katholieke mis in stand, maar dat werd drie jaar later veel minder. Luther wilde dat tijdens de kerkdienst ook zo vaak mogelijk het Heilig Avondmaal bediend wordt. Een andere reformator, Huldrych Zwingli, wilde dit niet; hij hield vier maal per jaar het Heilig Avondmaal. Ook schafte hij het zingen af; hij wilde namelijk een kerkdienst waarin de mens in alle stilte het Woord van God kan horen. Ook in andere protestantse kerken werd er tijdens de kerkdienst alleen gepreekt en niet gezongen. Later kwam hier in veel protestantse kerken toch verandering in en kreeg de zang juist wel een belangrijke plaats tijdens de kerkdienst. Onder leiding van Johannes Calvijn kwam er weer meer gemeentezang. De samenzang werd in eerste instantie begeleid door middel van een voorzanger. In Nederland werd in 1636 voor het eerst met orgelbegeleiding gezongen, dat was in Leiden. In het noorden van het land werd er waarschijnlijk al eerder met orgelbegeleiding gezongen, maar dat is niet helemaal zeker.

Calvijns grote wantrouwen tegen de samenleving in het algemeen gaf aanleiding tot soberheid  en eenvoud in de kerkdienst. Kunstvormen of kunstvoorwerpen zouden de aandacht van de mensen afleiden. In een calvinistische kerk waren geen versieringen, schilderijen, altaarkleden, kandelaren en afbeeldingen te vinden. De preekstoel was het absolute middelpunt. Luther daarentegen was milder ten opzichte van afbeeldingen en versiersels. Hij was bijvoorbeeld van mening dat beelden nog wel kunnen helpen in het geloofsleven. Hij liet in eerste instantie gewoon de mis in stand, maar preekte in het Duits.

In Nederland werd uit de Psalmberijming van Datheen gezongen, die ook nu nog steeds in enkele kerkelijke gemeenten gebruikt wordt. In 1773 kwam er een Psalmberijming die, ondanks enige wijzigingen, in de meeste protestantse kerken in gebruik bleef tot de invoering van de nieuwe Psalmberijming in 1968. Hier bij jullie wordt tijdens de kerkdienst alleen gezongen vanuit de berijming uit 1773. De berijming uit 1773 is uitgegeven op last van de Staten-Generaal.

De Psalmen kunnen ritmisch, maar ook niet-ritmisch gezongen worden. Vroeger was ritmisch zingen geen probleem, maar omdat het op een gegeven moment in sommige kerken een rommeltje werd, werd in die kerken besloten om niet-ritmisch te zingen. Bijbels gezien mag zowel ritmisch als niet-ritmisch gezongen worden. Doordat de woordaccenten niet goed overeenkwamen met korte en lange noten, ontstond er een langzame vorm van zingen, waardoor de noten op een gegeven moment allemaal even lang werden.

Luther was juist een voorstander van het evangelische kerklied en hij was niet zozeer een voorstander van Psalmen zingen tijdens de kerkdienst. In het lutherse gezangboekje van 1524 staan er 24 van Luther zelf, waaraan hij er later nog 12 toevoegde. Bekend van hem is bijvoorbeeld het lied “Een vaste burcht is onze God”. Dit is een bewerking van Psalm 46.

David schrijft dat de Heere hem een nieuw lied gaf (zie Psalm 40:4). Meerdere personen in de Bijbel hebben gezongen tot eer van God en dat bleef zeker niet zonder gevolgen. Paulus en Silas zongen en de deuren van de gevangenis waar ze in geworpen waren, gingen open (zie Handelingen 16:25-26). Ze zongen niet voor eigen eer of voor geld. Het geeft aan dat het goed is om God te zoeken met geheel ons hart.

Gezangen. We kennen meerdere gezangenbundels. Er zijn ook bundels waarin naast de Psalmen honderden gezangen staan. Het is per kerk verschillend welke bundels gebruikt worden. Vraag: Kunnen jullie een aantal bundels noemen?

Hier hebben we er een aantal (op het bord schrijven):
-        De Evangelische Gezangenbundel (1806)
-        De Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen (1866)
-        De hervormde gezangenbundel (1938)
-        Liedboek voor de Kerken (1973)
-        Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk (2013)
-        Weerklank (2016)

Vraag: Zijn er nog vragen?

Opdracht: voor oudste groepen (vanaf 16 jaar): vergelijken verschillende berijmingen van Psalm 1 met de onberijmde tekst van Psalm 1. Welke tekst in de berijmingen komt het beste overeen met de onberijmde tekst en welke tekst het minst?

Machiel Lock

donderdag 31 mei 2018

Oriëntatie Kerkgeschiedenis

Bestudering van boek Nico van den Akker en Peter Nissen, Wegen en dwarswegen. Tweeduizend jaar christendom in hoofdlijnen, Amsterdam: Boom, 2007 (3e druk, 1e druk: 1999). De afkorting GPW staat voor: "Godsdienst Pastoraal Werk".


1.Ontwikkeling van GPW-kerntaken in de loop van de kerkgeschiedenis

Dit onderdeel schrijf ik met behulp van het hierboven genoemde boek “Wegen en dwarswegen”.

1.1. Voorgaan in een dienst of een viering
Op de eerste dag van de week kwamen de vroege christenen bijeen om de opstanding van de Heere te vieren. Tijdens de samenkomsten werd door een lezer voorgelezen uit het Oude Testament en uit het Nieuwe Testament. Dan volgde een vermaning door de voorganger, en voorbeden van de gelovigen. Vervolgens sprak de voorganger – indien aanwezig was dat de bisschop  een dankgebed uit over de beker met wijn en water en over het brood. In de tweede eeuw na Christus ondersteunde en coördineerde de voorganger de gaven die binnenkwamen. In de derde eeuw was er een georganiseerde kerkorde met de ambten bisschop, priester en diaken. Vanaf de tiende eeuw is er een streven om de kerk vrij te maken van de overheersing van de wereldlijke macht. De belangrijkste bezigheden van de monniken die priester waren, waren de eredienst, het gebed en de studie. De eredienst werd steeds uitbundiger. In de Middeleeuwen waren in Europa de vieringen vaak in het Latijn. De franciscanen echter spraken de taal van het volk en verkondigden het evangelie onder het gewone volk. Calvijn stelde een regeling voor de eredienst samen: deze wordt door grote soberheid gekenmerkt. Beelden en altaren moesten uit de kerkgebouwen verwijderd worden; Calvijn legde de nadruk op de verkondiging van de Bijbel. Deze kenmerken zien we nu nog steeds in veel protestantse kerken, ook in Nederland.

1.2. Pastoraal begeleiden van mensen
Een reactie van de kerk tegen dwaalleringen was het versterken van de eigen organisatie. In de loop van de eerste eeuwen traden de ambten van bisschop, priester en diaken steeds nadrukkelijker naar voren in de leiding van de kerk, ten koste van de geestesgaven. In het Nieuwe Testament komen de ambten van bisschop, oudste en diaken ook al voor. In de vroege kerk was ook grote ontvankelijkheid voor de geestesgaven, maar vanwege misbruik hiervan kreeg de leiding door ambtsdragers meer gewicht. Het bisschopsambt was het belangrijkste ambt in de vroege kerk. Rond het jaar 100 was er meestal één bisschop per gemeente. De bisschop werd bijgestaan door priesters en diakenen, en hij claimde door handoplegging door de apostelen zelf te zijn aangesteld. Zo ontstond er een verbond met de apostelen, dat men apostolische successie noemt. De bisschoppen moesten de leer van de apostelen ongeschonden overleveren. Alleen zij waren bevoegd om iemand door handoplegging in een ambt aan te stellen. Hij oefende alle belangrijke functies in de gemeente uit. Naast de genoemde ambten kwamen ook de ambten van leraar, subdiaken, voorlezer, dienaar, deurwachter en exorcist voor.

Calvijn voerde vier kerkelijke ambten in:
·       predikanten, die als hoofdtaken prediking, zielzorg en tucht hebben
·       college, dat toeziet op zuiverheid van de leer
·       ouderlingen, die toezien op naleving van tucht
·       diakenen, die met armenzorg en diaconie worden belast

1.3. Vormgeven van onderwijssituaties (met jongeren) in de gemeente
Jezus gaf tijdens Zijn wandeling op aarde onderwijs ten eerste aan Zijn discipelen. In de 2e eeuw stond het formuleren van een geloofsbelijdenis en het vaststellen van de boeken die tot de Heilige Schrift gerekend moeten worden. Rond de 8e eeuw na Christus werden kloosters centra voor onderwijs. In de 12e en de 13e eeuw ontplooide de theologie zich tot een wetenschap: de scholastiek. Aanvankelijk vond tegelijk met de doop een zalving van de dopeling met gewijde olie plaats, wat zich in de loop van de Middeleeuwen als zelfstandig ritueel heeft ontwikkeld. De toediening van dit ritueel werd doorgaans uitgesteld tot de gelovige tot de jaren des onderscheids was gekomen. De bisschop maakte met zalfolie een kruisteken op het voorhoofd van de gelovige en legde hem de handen op. Deze handeling werd uitgelegd als mededeling van de Heilige Geest aan de gelovige, met de bedoeling hem of haar tot een strijdbare getuige voor het geloof te maken. Ook was er veel kunst. De kerkelijke kunst werd ook wel de Bijbel der armen genoemd, omdat deze eenvoudig de Bijbel uitlegde. In de late Middeleeuwen was er veel aandacht voor onderwijs in de RK Kerk, aan ouders via prediking, aan kinderen via catechismuslessen en versimpelde vraag- en antwoordboekjes, bijvoorbeeld de “Mechelse Catechismus”. Ook in de protestantse traditie onderstonden belijdenisgeschriften, onder andere de Heidelbergse Catechismus. In het piëtisme (stroming Nadere Reformatie) werd ook toegelegd op onderwijs. India was tot 1950 een Britse kolonie en daar was het onderwijs het belangrijkste instrument van zending en missie; slechts enkelen wisten elementen uit christendom te verzoenen met eigen godsdienstige tradities.

1.4. Omzien naar de medemens, solidair zijn, binnen en buiten de geloofsgemeenschap
Al in de vroege kerk werd omgezien naar de medemens. Toen de christelijke kerk in het Romeinse Rijk staatsgodsdienst werd, kon zij in grote vrijheid haar activiteiten ontplooien, zonder nog te hoeven vrezen voor gewelddadige vervolging. Zij organiseerde de zorg voor zieken, zwakken en noodlijdenden en stichtten huizen waar gastvrijheid werd geboden aan zieken, armen, weduwen en wezen, pelgrims en reizigers.

In het bijzonder in het kloosterleven tijdens de Middeleeuwen werd omgezien naar bijvoorbeeld armen, bedelaars en melaatsen. Toen Franciscus van Assisi het evangelie over de uitzending van de apostelen (zie Mattheüs 10) hoorde voorlezen, wist hij hoe hij Christus ging dienen: door armoede en prediking. Franciscus omhelsde melaatsen en beschouwde bedelaars als zijn beste vrienden. Alles wat hij vroeger nastreefde, had hij opgegeven om alleen Christus te zoeken. En Franciscus kreeg ook volgelingen. Zij wilden arm zijn te midden van degenen voor wie armoede geen vrijwillige keuze was. Dit in materiele zin, maar Franciscus en zijn volgelingen wilden ook geestelijk arm zijn.

In de periode van de Romantiek ontstonden binnen calvinistische kerken verschillende opwekkingsbewegingen, die streefden naar een verdieping in het persoonlijk leven, maar vooral naar het omzetten van het christelijk geloof in daden. Dit streven naar “ontwaken” oftewel “opwekking” van het christendom, wordt vaak aangeduid als “Réveil”. Uit het streven naar het omzetten van het geloof in daden ontstonden allerlei initiatieven, zoals het oprichten van weeshuizen. Deze initiatieven werden “Innere Mission” genoemd. Ook bij de Nederlandse opwekkingsbeweging gingen Réveil en sociale bewogenheid samen.

In de 19e eeuw zochten christenen wegen om de nood van de moderne fabrieksarbeider en zijn gezin te lenigen. Dit had dikwijls een moralistisch karakter en keerde zich tegen bepaalde aspecten van de maatschappelijke nood. Pas tegen het einde van de 19e eeuw ontstond er binnen reformatorische kring de opvatting dat christendom en socialisme niet strijdig met elkaar zijn. Pleitbezorgers waren christen-socialisten. Eind 19e eeuw drong de taak van de kerk pas echt door tot de mensen. Een sociale wetgeving kwam pas laat tot stand. In 1874 ontstond het kinderwetje, dat fabrieksarbeid van kinderen onder de 12 jaar verbood. In katholieke kring kwam steeds meer het recht van arbeiders om zich te organiseren. De katholieke leer legde de nadruk op de samenleving als een organisch lichaam, waarvan alle ledematen op elkaar zijn aangewezen en harmonisch met elkaar moeten samenwerken. Arbeiders werd het recht toegezegd om zich te organiseren. Dit gaf aanleiding tot het organiseren van christelijke vakbonden.

Grondthema’s bevrijdingstheologie:
Is gericht op armen en verdrukten. Alle christelijke theologie en zending moeten uitgaan van “het uitzicht van onderaf”, van het lijden en de nood van de armen. De bevrijdingstheologie bevordert het kritisch doordenken van de praktijk. Theologie hoort niet gescheiden te zijn van sociaal engagement en politieke actie. De ware godskennis kan nooit onverschillig of afstandelijk zijn, maar ontstaat door zich in te zetten voor de belangen van de armen.

In de tweede helft van de 20e eeuw werden er over de gehele wereld landelijke en plaatselijke Raden van Kerken opgericht, in Nederland sinds 1968. Ook groeide er samenwerking op terreinen als de strijd tegen armoede in de wereld, de inzet voor het behoud van het milieu en het ijveren voor de vrede.

1.5. Communiceren van het christelijk geloof met mensen buiten de christelijke geloofsgemeenschap
Na het jaar 62 kwam het zwaartepunt van de jonge kerk definitief te liggen buiten het jodendom. Tegen de 5e en de 8e eeuw werd het zwaartepunt van de christelijke wereld van het in verval geraakte Romeinse Rijk verlegd naar de Germaanse volkeren. De kerstening van die volkeren was het werk van de monniken.

Vooral binnen het Réveil leefde het verlangen dat christenen moesten gaan getuigen van een krachtig leven met God. De vroomheidsbeleving stond daarom ook centraal in het persoonlijke geestelijke leven. Niet alleen persoonlijk geestelijk leven was belangrijk, maar ook het christelijk handelen: het geloof omzetten in daden. Op sociaal gebied werden veel instellingen opgezet, zoals weeshuizen, opvanghuizen voor verwaarloosde kinderen, alcoholisten en prostituees. Dit werd ook wel “inwendige zending” genoemd.

Jonge kerken in Afrika
-   Vanaf 1880 begonnen missie en zending opzienbarende successen te boeken.
-     Vaak overschaduwd door kolonialisme en uitbuiting.
-  Independente kerken: nieuwe kerken met een eigen Afrikaanse signatuur.
-   Desmond Tutu: anglicaanse bisschop van Johannesburg, hij is een tolk en leider van het vreedzame verzet tegen apartheid.
-   Invloed christendom bedreigd door energieke zendingsactiviteiten van de islam en oplaaiende tegenstellingen tussen inheemse stammen.
Kerken in Azië
-     Onderwijs was het belangrijkste instrument in zending/missie.
-     In China en Japan verspreiding christendom beperkt tot de steden.
-     India (British dominion) vooral aanhang onder de kastenlozen.
-  In voormalige Aziatische kolonies van westerse landen meer algemene verspreiding van het christendom.
Kerken in het Oostblok
-     Hechte band tussen nationale staten en orthodoxe kerken.
-     Staat keerde zich tegen de kerk.
-     Staatsgevaarlijke religieuze leiders werden vervolgd.
-   Stalin gebruikte de orthodoxe kerk slechts ter verhoging van de moraal tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kerk werd geregistreerd en andere stromingen werden verboden en streng vervolgd.
-     Onder Chroesjtsjov werden christenen opnieuw vervolgd.
-     Onder Gorbatsjov kregen de kerken hun vrijheid op den duur terug.

1.6. Toerusten en coachen van kader
Dan denk ik met name aan de apologeten. Dit zijn christelijke schrijvers die verweerschriften opstellen. Christenen worden onderscheiden door hun ingetogen levenswandel, nemen geen deel aan feesten van de goden; krijgen de schuld van tegenspoed in de Romeinse samenleving, dat neemt toe nu in de 2e en de 3e eeuw de keizer meer goddelijke statussen toegedicht krijgt. Ook denk ik met name aan de belijdenis, dat is een door de kerk vastgestelde, normatieve samenvatting van de geloofsinhoud. Vanaf het einde van de 11e eeuw herleefde de theologische wetenschap. De nieuwe centra van theologische bedrijvigheid waren de scholen die aan de bisschopskerken werden gevestigd. Uit deze kathedrale scholen kwamen de universiteiten voort. Theologie was een universitaire wetenschap geworden. Op universiteiten werden monniken en priesters opgeleid. Vandaag de dag is dat nog zo. Ook worden er toekomstige predikanten opgeleid.


2. Vier onderwerpen uit de kerkgeschiedenis die voor mij persoonlijk belangrijk zijn om mijn visie op het beroep van GPW verder te vormen

Ten eerste zou ik willen noemen: de omstandigheden in het Romeinse Rijk van circa 45-200 na Christus’ geboorte die de christelijke zending hebben bevorderd. Zie boek “Wegen en dwarswegen”, pag. 13 t/m 54. Dit werd mogelijk gemaakt door de gunstige voorwaarden die het Romeinse Rijk bood, zoals goede verbindingen, een internationale omgangstaal (Grieks), vrede in het rijk (Pax Romana) en de grote bloei in het rijk onder keizer Augustus. Om als GPW’er resultaat te boeken, denk ik dat het belangrijk is om een goede sfeer te creëren. Dat wil zeggen geen afstotende sfeer oproepen. Als iemand een mening heeft die haaks staat op de Bijbel, dan eerst nagaan waarom diegene zo denkt en zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij de opvattingen van deze persoon (zoveel mogelijk vrede behouden). Niet te eenzijdig zijn, maar rekening houden met verschillende verklaringen van een Bijbeltekst, nagaan of van elke verklaring wat te leren valt en vervolgens een eigen conclusie trekken. Zoveel mogelijk bereikbaar zijn (denk aan goede verbindingen), goed en duidelijk verstaanbaar Nederlands spreken (denk aan een internationale omgangstaal).


Ten tweede zou ik Augustinus (4e en 5e eeuw na Chr.) willen noemen. Zie boek “Wegen en dwarswegen”, pag. 65 t/m 70. Augustinus heeft grote invloed gehad op het christelijke denken; zowel in de rooms-katholieke als in de protestantse traditie is hij in hoog aanzien gebleven. Hij heeft door zijn gelovige moeder Monica een christelijke opvoeding gehad, na het lezen van een filosofisch geschrift van Cicero raakte hij geboeid door het zoeken naar waarheid, uit nieuwsgierigheid werd hij een aanhanger van het manicheïsme, hij werd geboeid door het neoplatonisme (Plotinus), hij luisterde veel preken van Ambrosius, hij ondervond een doorbraak bij het lezen van Romeinen 13:13-14 “maar doet aan de Heere Jezus Christus”, hij werd gedoopt door Ambrosius, hij werd in Hippo als opvolger van een zieke bisschop aangewezen, hij werd tot priester gewijd, hij bleef tot zijn dood in Hippo. Zijn (belangrijkste) theologische standpunten zijn: 1) heiligheid en zonde: tot de wederkomst van Christus bestaat de kerk uit zondaars en heiligen tegelijk 2) tegen Pelagius, die leert dat de mens een vrije wil heeft om God te dienen; Augustinus leert dat het alleen Gods genade is die ons de zaligheid geeft.


Augustinus luisterde veel preken van Ambrosius en hij leert dat het alleen Gods genade is die ons de zaligheid schenkt. Dat is belangrijk voor een GPW’er. Het gaat er bij een GPW’er niet alleen om dat hij goed omgaat met mensen, maar zeker ook dat hij zich verdiept in de Bijbel, en daarbij ook theologische literatuur leest om zodoende zelf geestelijk voedsel te ontvangen. Daarbij wil ik natuurlijk benadrukken dat ook andere “kopstukken” uit de kerkgeschiedenis leren dat het alleen Gods genade is die ons de zaligheid schenkt. Ik denk aan Luther en aan Calvijn. Tegelijkertijd geldt voor Augustinus wel dat zijn genadeleer grote invloed heeft uitgeoefend op latere discussies over genade en vrije wil, bijvoorbeeld tussen Luther en Erasmus, tussen Calvijn en zijn tegenstanders en tussen jansenisten en jezuïeten (zie pag. 69 van boek “Wegen en dwarswegen”). Ook geldt voor Augustinus wel dat hij in het bijzonder een erflater van de westerse beschaving is, zoals Nico van den Akker en Peter Nissen ook beschrijven. Zijn boeken “De belijdenissen” en “Over de stad van God” behoren tot de meesterwerken uit de wereldliteratuur. Hij koos hierin het beeld van twee steden of rijken: de stad/het rijk van God en de stad/het rijk van de aarde. Aanleiding voor het schrijven van dit boek vormde voor Augustinus de inval van de West-Goten in Rome in het jaar 410. Voor de Romeinen betekende deze inval een enorme cultuurschok, omdat zij de West-Goten een barbaars volk vonden dat wel onder leiding stond van een christen. De Romeinen zagen hierin het begin van de toorn van de oude goden, die sinds keizer Constantijn verwaarloosd waren. Het feit dat de tweede stad zich in Augustinus’ boek niet wil onderwerpen aan de eerste stad, veroorzaakt volgens Augustinus de bloedige stroom van geweld, haat, oorlog en onrechtvaardigheid die door de wereldgeschiedenis heenloopt. Ik geloof dat Augustinus hiermee een kernpunt in de wereldgeschiedenis raakt. Ik denk bijvoorbeeld aan de jarenlange strijd tussen Israël en Palestina. Het zijn zaken waarmee je ook rekening moet houden als GPW’er. Het bewustzijn van de strijd die er is tussen meerdere wereldvolken. Alleen bij degenen die in de Heere Jezus Christus geloven, zal God alle tranen van de ogen afwissen (zie Openbaring 21:4).


Ten derde zou ik het kloosterleven willen noemen. Zie boek “Wegen en dwarswegen”, pag. 105-108. De kloosters werden rond het jaar 1000 oases van rust. De tegenstelling met de buitenwereld was groot. Monniken zorgden er in hun scriptoria ook voor dat de geschriften uit de oudheid bewaard en gekopieerd werden. In het kluizenaarsleven vond de afscheiding van de wereld haar hoogtepunt. Dit werd een zoektocht naar de zuivere beleving van de kloosterregel. In de 11e eeuw ontstonden hieruit de kloosterorden. Bernardus van Clairvaux (1091-1153) kwam uit de orde van de cisterciënzers voort. Hij was een Bourgondische ridder die in 1112 met dertig metgezellen in het klooster trad. Later werd hij belast met de stichting van een nieuw klooster. Hij schonk aandacht aan het innerlijk leven met God. De lijdende Christus navolgen stond centraal en ook de liefde tot God. Als GPW’er heb je een voorbeeldfunctie. Uiteindelijk dient ieder mens de voetsporen van Christus te volgen (zie 1 Petrus 2:21), maar voor een GPW’er, als iemand die beroepshalve het evangelie aan anderen mensen verkondigt en een theologische studie heeft gevolgd, geldt dat wel in het bijzonder. Zoals uit het boek van Van den Akker en Nissen blijkt, beminden de kloosterlingen God en volgden zij het lijden van Christus.

Ten vierde zou ik het streven naar eenheid willen noemen. Zie boek “Wegen en dwarswegen”, pag. 255 t/m 259. Er ontstond onrust over de verdeeldheid in het christendom, en daardoor ontstond een oecumenische beweging. In 1910 was er de oprichting van de “Wereldalliantie voor de bevordering van de internationale vriendschap in de kerken”. Eenheid was er niet alleen op praktisch en sociaal gebied, maar werd ook bevorderd door een diepgaand theologisch gesprek over het wederzijds verstaan van kerk en geloof, dat in 1927 leidde tot de beweging “For Faith and Order”. De beide bewegingen mondden uit in de “Oecumenische Raad van Kerken” en in 1948 werd dit de “Wereldraad van Kerken”. Alle kerken die Jezus Christus als God en Heiland belijden, werden uitgenodigd. Als GPW’er is het goed om zoveel mogelijk naar eenheid te streven. Wel moet je hierin rekening houden met grenzen. Dat wil o.a. zeggen geen kerkfusies forceren. De kerkgeschiedenis leert dat dit zelden goed afloopt. Wel is goed om te kijken naar wat christenen onderling elkaar bindt. In Johannes 17:21 lezen we dat Jezus tot God de Vader bidt om eenheid onder degenen die in Hem geloven. In hetzelfde gebed lezen we ook dat Hij bidt om de liefde in hen (zie vers 26). Ik denk dat de liefde iets is wat alle christenen over de gehele wereld met elkaar bindt. Het gaat dan concreet om liefde tot God en liefde tot de naaste (zie o.a. Mattheüs 22:37-40 en 1 Korinthe 13).


Machiel Lock