dinsdag 6 november 2018

Wat betekent het om een discipel van Jezus te zijn?

Inleiding voor mannenvereniging bijeenkomst 05-11-2018

Naam inleider: Machiel Lock
Tekst: Mattheüs 5:13-16
Thema: Wat betekent het om een discipel van Jezus te zijn?

De vorige avond hebben wij gesproken over de zaligsprekingen van de Heere Jezus. De vraag kwam toen op of Jezus deze heeft uitgesproken aan de scharen (menigten mensen) of alleen aan Zijn discipelen. In het eerste vers van Mattheüs 5 staat dat Jezus de menigten mensen ziet, op een berg klimt, gaat zitten en dat Zijn discipelen tot Hem komen. We lezen de zaligsprekingen ook in het evangelie naar Lukas (6:20-26). In dat evangelie lezen we kort daarvoor dat Jezus Zijn discipelen bij Zich roept en er twaalf uitkiest die Hij ook apostelen noemt (zie 6:12-16). Met die twaalf daalt Hij af naar een vlakke plaats. Voor de duidelijkheid: we lezen daar dus niet dat Jezus van de berg wegtrekt. Dus in die zin is er geen tegenstelling met de evangelist Mattheüs. Vandaar ook de naam “de Bergrede van Jezus”. Op die vlakke plaats is een grote menigte van de discipelen van Jezus en een grote menigte die gekomen is om Hem te horen en door Jezus van hun ziekten genezen te worden. Vervolgens spreekt Jezus de zaligsprekingen uit. Vanuit Lukas wordt duidelijk dat Jezus de Bergrede niet alleen heeft uitgesproken aan de twaalf apostelen, maar aan allen die door Jezus geleerd willen worden. Het woord “discipel” is in die zin dus breder dan alleen de twaalf door Jezus gekozen apostelen. Mattheüs schrijft in 5:1 “Zijn discipelen”, dus de discipelen van Jezus in het algemeen. Hij schrijft dus niet over “Zijn twaalf discipelen”, zoals bijvoorbeeld in 11:1. Als we in het tweede vers van Mattheüs 5 lezen dat Jezus Zijn mond opent en hen onderwijst, dan kan “hen” slaan op Jezus’ discipelen, maar ook op “de scharen”. Persoonlijk denk ik dat het het meest voor de hand ligt dat Jezus Zijn Bergrede uitspreekt richting Zijn discipelen, omdat Mattheüs expliciet vermeldt dat Jezus’ discipelen bij Jezus komen (zie vers 5:1) en we direct daarna lezen dat Jezus Zijn mond opent en hen onderwijst. Tegelijkertijd denk ik dat er grote groepen mensen bij de discipelen van Jezus hebben gestaan toen Jezus Zijn Bergrede uitsprak. Aan het einde van de Bergrede lezen we namelijk dat toen Jezus deze woorden geëindigd heeft, “de scharen” versteld staan voor Zijn aangezicht (zie 7:28). Dus er zijn ook scharen bij de Bergrede geweest. Het is aannemelijk dat Jezus tijdens de Bergrede bezig is om uit deze groepen mensen nieuwe discipelen te werven. Dus dat Jezus bezig is om mensen te werven die er bewust voor kiezen om door Hem geleerd te worden. 

Dan komen we aan bij de tekst van vanavond. Jezus spreekt hier in het bijzonder Zijn twaalf gekozen apostelen aan, maar niet alleen zij, al Zijn discipelen. Als thema voor deze avond heb ik geformuleerd: “Wat betekent het om een discipel van Jezus te zijn?” Alleen de discipelen van Jezus zijn “het zout der aarde” en “het licht der wereld”. En ook alleen zij laten hun licht schijnen voor de mensen. Als je geen leerling en volgeling van Jezus bent, kun je geen goede werken waarmee God de Vader wordt verheerlijkt, laten zien. Laten we eerst eens kijken naar de eerste benaming: “het zout der aarde”. We weten allemaal wel wat “zout” is. Meestal gaan we naar de supermarkt – tenminste ik wel – om een pot zout te kopen. Zout dient om smaak of om extra smaak in ons eten te krijgen. Maar we hebben zout ook nodig om in leven te blijven. In brood bijvoorbeeld zit zout. Op internet las ik dat personen die 9 tot 50 jaar oud zijn, ongeveer 3,75 gram zout per dag nodig hebben, en personen die 51 tot 70 jaar oud zijn ongeveer 3,25 gram, en de rest iets minder. Ik zie wel eens bij anderen dat ze bij het minst of geringste de zoutpot pakken om zout te strooien over het eten. Maar ik moet eerlijk zeggen dat ik zelf die neiging ook wel heb. Hoe dan ook, zout hebben we nodig om in leven te blijven. Is het ook niet wat Jezus hier bedoelt, zij het in geestelijke zin? Want als we Jezus niet erkennen als de Zaligmaker, zijn we zouteloos oftewel smakeloos. Jezus bedoelt dat Zijn discipelen de opdracht krijgen om de aarde te “zouten”. De mensen dienen gekruid te worden met het zout van de hemelse leer, zo schrijft Calvijn in zijn commentaar op deze tekst. Jezus zegt: “Indien het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden?” Dit is een zogeheten contradictio in terminis. Zout dat smakeloos is, is immers geen zout meer. Het woord “smakeloos worden” kan vanuit de grondtekst ook vertaald worden met “dwaas worden”. Met andere woorden: als je werkelijk een discipel van de Heere Jezus bent, dan laat je Gods wijsheid zien in deze wereld. Dan laat je zien dat God het behoud van elk mens op het oog heeft. En dat het de opdracht is om daarvan in de wereld te getuigen. Als de discipelen dat niet meer doen, dan deugt het nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden. Ik citeer nog eens een treffende zin van Calvijn: “Er is daarom niets beters dan om de Smaakmaker (= God Zelf) te ontvangen, en daarmee wordt elke smakeloosheid gecorrigeerd.” Dat vraagt om gebed tot de Heere God om wijsheid, die alleen de Heilige Geest kan geven. En die Hij ook geeft op het gebed. Dat is Gods belofte (zie bijvoorbeeld Romeinen 8:26).

Daarna maakt Jezus Zijn positieve doelstelling duidelijk door het beeld van het licht te gebruiken. Jezus heeft nu niet meer de waarschuwende toon in Zijn woorden en Hij legt het accent op de roeping van Zijn volk. “Gij zijt het licht der wereld”, zegt Jezus tegen Zijn discipelen. Het begrip “licht” is een zeer belangrijk begrip in de Bijbel. “God is Licht”, staat er in 1 Johannes 1:5. Jezus wordt in het evangelie naar Johannes beschreven als “het Licht van de wereld” (zie Johannes 8:12; 9:5; 12:46; zie ook 1:7-8). God is in Jezus Christus in de wereld vleesgeworden om licht in de duisternis te brengen (zie Johannes 1:4-5,9; 12:46). Dat hopen we eind volgende maand weer in het bijzonder te gedenken als het Kerst is. Mattheüs 4:16a: “Het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien” (citaat uit Jesaja 9:1a). Paulus schrijft dat de christenen “kinderen van het licht” zijn (zie Efeze 5:8; 1 Thessalonicenzen 5:5). Jezus roept de mensen op in Hem (dat is het Licht) te geloven, opdat ze kinderen van het licht zullen zijn (zie Johannes 12:35-36). De Knecht des HEEREN in het Oude Testament wordt “Licht der heidenen” (zie Jesaja 42:6) genoemd. David zingt in Psalm 27:1 dat de HEERE zijn licht en zijn heil is. Paulus schrijft ook over het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, waarmee de gelovigen zijn verlicht (zie 2 Korinthe 4:4). Ook schrijft hij bijvoorbeeld dat de christenen schijnen als lichten in de wereld te midden van een krom en verdraaid geslacht (zie Filippenzen 2:15).

In Mattheüs 5 past Jezus het beeld van het licht concreet toe op Zijn discipelen. Ik denk dat het goed is om erbij stil te staan wanneer wij licht nodig hebben. Zeker in dit donkere jaargetijde, in de herfst en in de winter, doen we als het koud is thuis de kachel aan, maar natuurlijk ook de lampen veel sneller aan dan in de lente en in de zomer. In de donker verdwalen we gemakkelijker dan als het licht is. In de donker zie je niet of nauwelijks iets. Stelt u zich eens voor dat op een avond als nu alle lampen van de lantaarnpalen langs de weg uit zouden zijn. Dan is die verlichting weg en dan zou het dus behoorlijk gevaarlijk zijn op de weg. Of je fietst zonder licht op de weg. Dan kunnen andere weggebruikers je minder goed zien. Licht heeft dus iets van veiligheid in zich. Als je een discipel van Jezus bent, dan ben je dus ook het licht. Je bent voor eeuwig gered doordat de Heilige Geest het geloof in het feit dat Jezus de eniggeboren Zoon van God is, in je hart heeft gewerkt. Dan kan het ook niet anders of je gaat de waarheid van Gods redding in Zijn Zoon Jezus Christus bekendmaken in de vanuit zichzelf duistere wereld. En daarbij ook in je daden laten merken dat je voor deze waarheid leeft. De discipelen zijn immers ontvangers van Gods Koninkrijk. Dan volgen er in de verzen 14b en 15 nog twee andere beelden die Jezus gebruikt, namelijk: “een stad die bovenop een berg ligt, kan niet verborgen zijn” en “een lamp op een standaard”. De hoofdgedachte hiervan is te vinden in de verzen 14a en 16. De discipelen zijn overigens niet door zichzelf het licht, maar omdat God hen als middel gebruikt om de wereld te verlichten en Zijn goedheid uit te stralen. Ze zijn dus niet zo hooggeplaatst om in zichzelf hoog te zijn, maar als een middel om daarmee de wereld te verlichten. Jezus zal toen Hij sprak over “een stad op een berg” waarschijnlijk ook gedacht hebben aan de berg Sion te Jeruzalem. Die berg was bekend onder het Oude Testament. Nu in het Nieuwe Testament en in de Nieuwtestamentische kerk gaat het er met name om dat de Heere Jezus hooggehouden wordt voor alle volken. Hij is immers de beloofde Messias, over Wie in het Oude Testament al geprofeteerd werd. 

Wat is het doel van een lamp? Dat is het geven van licht. Daarom wordt deze niet onder een korenmaat, maar op een standaard geplaatst. Jezus heeft het hier over een olielamp. Dat waren de lampen toentertijd. De lampen die we tegenwoordig hebben, kenden ze toen nog niet. De discipelen van Jezus, en in het bijzonder de twaalf apostelen, dienen nauwkeurig te zijn in een vroom en heilig leven, omdat de ogen van allen op hen gericht zijn. Als de lamp op de kandelaar staat, schijnt zij namelijk voor allen die in het huis zijn. De zinsnede “allen die in het huis zijn” moet niet opgevat worden in een beperkende zin, maar “allen” betekent “elk mens” (zie ook de verzen 13 en 16).

Vers 16 is het hoogtepunt van het gehele gedeelte (de verzen 13 t/m 16). De Heere Jezus roept de discipelen op om hun licht te laten schijnen voor de mensen, zodat zij hun goede werken zien en hun Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken. Omdat de discipelen het licht van de wereld zijn (zie vers 14), worden ze nu door Jezus vermaand om hun licht te laten schijnen voor de mensen. Met “het licht laten schijnen” bedoelt Jezus niet “de aandacht vestigen op zichzelf”, maar “de aandacht vestigen op de aanwezigheid van het Koninkrijk van God” en dus God verheerlijken vanwege Zijn genadige vervulling van Zijn beloften. Dat het niet goed is wanneer je goede werken doet met het doel om door de mensen gezien te worden, zegt Jezus even verderop in de Bergrede. Jezus zegt dat als je gaat bidden, je niet moet zijn als de huichelaars, want die vinden het fijn om door de mensen gezien te worden als ze in de synagogen en op de hoeken van de straat staan te bidden (zie Mattheüs 6:5).

Kijkend naar Mattheüs 5:16: wat bedoelt Jezus met “goede werken”? Meerdere verklaringen wijzen erop dat Jezus hier verwijst naar de zaligsprekingen. Mijns inziens terecht, omdat Jezus deze vlak hiervoor heeft uitgesproken. We moeten de onderdelen van de Bergrede namelijk niet los van elkaar zien. Met goede werken bedoelt Jezus (kijk maar mee naar in het bijzonder de verzen 3 t/m 9) “arm zijn van geest, treurig zijn, zachtmoedig zijn, hongerig en dorstig zijn naar de gerechtigheid, barmhartig zijn, rein zijn van hart en vredestichter zijn”. De apostel Petrus herhaalt met iets andere bewoordingen datgene wat de Heere Jezus in vers 16 zegt. Lezen 1 Petrus 2:11-12: “Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel; En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.” Alleen wanneer de onderscheidende levenswandel zichtbaar is voor de mensen, kan deze het gewenste effect hebben. En met effect bedoel ik: dat de mensen God de Vader, Die in de hemelen is, gaan verheerlijken. Het loopt als een rode draad door de gehele Bijbel heen dat God de Vader door de mensen verheerlijkt dient te worden. Denk bijvoorbeeld alleen al aan de Psalmen. Vooral in de laatste 5 (Ps. 146 t/m 150) wordt Gods lof bezongen. In het “Gebed des Heeren”, waarvan wij vanavond inmiddels twee verzen hebben gezongen, wordt gebeden (berijmd): “Geheiligd word’ Uw Naam, ai geef, dat elk, waar hij op aarde leev’, dien Vadernaam erkennen moog’”. Jezus zegt ook dat degene die in Hem gelooft, niet in Hem gelooft, maar in Degene Die Hem gezonden heeft, en degene die Hem ziet, ziet Degene Die (de Vader dus) Hem gezonden heeft (zie Joh. 12:44-45). 

Het is hier in Mattheüs 5 voor de eerste keer dat in het gehele evangelie naar Mattheüs Jezus spreekt over “uw Vader in de hemelen”. Jezus legt de discipelen de Vadernaam in de lippen als uitdrukking van hun persoonlijke verhouding tot God. Veel godsdienstige Joodse leiders in de tijd van Jezus spraken over God in een afstandelijke zin. Ze spraken niet over God in de zin dat God gemeenschap uitdrukt. Tenminste, in ieder geval niet in het kinderlijk vertrouwend besef waarin Jezus Zijn discipelen over God leert denken en spreken. Ook werd in het jodendom ten tijde van Jezus’ rondwandeling op aarde vaak tot God gebeden op een afstandelijke wijze. Jezus onderscheidt hier Zijn discipelen uitdrukkelijk van “de mensen”, dat zijn niet alleen degenen buiten Israël, maar allen die Jezus niet erkennen als de eniggeboren Zoon van God. Jezus zegt in vers 16 nog iets over Zijn Vader, Die tegelijkertijd de Vader is van Zijn discipelen. Het gaat dan concreet om de toevoeging “Die in de hemelen is”. Deze toevoeging is niet alleen bedoeld om de hemelse Vader van onze aardse, biologische vader te onderscheiden. Jezus wil ons duidelijk maken dat we van de hemelse majesteit van God niet aards mogen denken. Jezus spreekt bijna altijd over “uw Vader” en Hij leert Zijn discipelen ook bidden “onze Vader”. De discipelen van Jezus belijden God als hun God. Dat is enkel te danken aan God Zelf. God komt zelfs zo dichtbij dat Hij Zijn eigen Zoon heeft gegeven aan een wereld verloren in schuld.

Wat betekent het Bijbelgedeelte Mattheüs 5:13-16 voor ons in deze maatschappij? Het is in ieder geval duidelijk dat wij leven in een maatschappij die helaas behoorlijk geseculariseerd is. Als we kijken naar de tijd van nu in Nederland, dan zien we dat de invloed van het christelijk geloof op de Nederlandse maatschappij duidelijk minder is dan bijvoorbeeld in de jaren ’50 van de vorige eeuw. Gelukkig is de kerk nog wel duidelijk zichtbaar in Nederland, met name op de Biblebelt, een brede strook van Zeeland tot aan de kop van Overijssel. In die strook zitten we hier in Hardinxveld-Giessendam en in Sliedrecht en omgeving ook. Maar inmiddels is in Nederland sinds 1984 abortus officieel toegestaan en euthanasie met voorzorgsmaatregelen sinds 2002. Abortus en euthanasie zijn tere onderwerpen, dat weet ik. Want het is voor vrouwen niets niks om ongewenst zwanger te zijn of wanneer mensen uitzichtloos en ondraaglijk lijden. Tegelijkertijd weten we ook dat elk menselijk leven een geschenk van God is. En moord is strafbaar, zo weten we vanuit de Tien Geboden. Een ander voorbeeld waarin we zien dat de secularisatie in ons land is toegenomen, is de zondagsopening van winkels, die de laatste jaren is toegenomen. In een artikel van 17 juli jl. van de NOS las ik dat in bijna 70% van de gemeentes in Nederland de winkels al elke zondag geopend zijn. In dit artikel staat: “En na de laatste gemeenteraadsverkiezingen komen er naar verwachting snel nog dertig plaatsen bij waar de zondagsopenstelling mogelijk wordt, concludeert Detailhandel Nederland na het bestuderen van de plannen van de nieuwe gemeentebesturen”. En wat ds. Kos gistermorgen aanhaalde, afgelopen woensdag werd door veel protestanten Hervormingsdag gehouden, maar door een groot deel van de Nederlandse bevolking Halloween gevierd. Ik las in het artikel van afgelopen dinsdag dat ongeveer 55% van de Nederlanders ieder jaar Halloween viert. Het is volgens de Bijbel niet toegestaan om geesten op te roepen. Het moet ons gaan om de ene Naam onder de hemel gegeven waardoor wij zalig moeten worden (zie Handelingen 4:12). Het is niet eenvoudig om staande te blijven in een maatschappij die doordrenkt is van het secularisme. Daarvoor is kracht nodig die alleen de Heilige Geest ons kan schenken. Kracht om te leven tot Gods eer. Daarbij merk ik in het bijzonder op dat het gebed van een rechtvaardige veel vermag (= brengt veel teweeg) (zie Jakobus 5:16).

Ook op de werkvloer, in bedrijven etc. is het vaak niet eenvoudig om uit te komen voor het christen-zijn. Ik weet van diverse werkomstandigheden waar vaak gevloekt wordt. Het is nodig om daar iets van te zeggen. We hebben hier de vorige avond ook over gesproken. Een prikkelende vorm werkt denk ik het handigst. Zoiets als: “Zeg, ik wist niet dat jij God nodig hebt?” Dan moet de vloeker vaak toch even nadenken in de zin van: “Hé, wat bedoelt hij nu precies?” Het stoot dan minder af, terwijl je ook duidelijk aangeeft dat je het kwalijk neemt als Gods heilige Naam misbruikt wordt. Ik denk dat de Schriftlezing van vanavond er duidelijk in is dat een christen door het laten zien van goede werken een middel voor anderen kan zijn tot bekering. Ik denk bijvoorbeeld alleen al aan het tot uiting komen van liefde tot de naaste (zie bijvoorbeeld Mattheüs 22:39). We moeten natuurlijk ook in het bijzonder denken aan de zaligsprekingen (het gedeelte direct voor Mattheüs 5:13-16). Wanneer mensen arm van geest zijn, treuren, zachtmoedig zijn, hongerig en dorstig zijn naar de gerechtigheid, barmhartig zijn, rein van hart zijn, vredestichters zijn, zullen zij een zoutend zout en een lichtend licht zijn, een licht voor de mensen die nog buiten Christus leven.

Ik geloof ook, broeders, dat wij zeker ook onszelf niet mogen vergeten. Zijn wij beter dan de mensen die niet naar de kerk gaan? Ik heb zojuist gezegd dat de discipelen van Jezus niet vanuit zichzelf hooggeplaatst zijn. Gisteren hebben wij in de kerk Daniël 9 gelezen. Daniël belijdt (vers 4): “Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden en van Uw rechten.” Wat was er eigenlijk op Daniël aan te merken? Hij leefde tot eer van God. Voor zover ik weet, wordt er in de Bijbel geen enkele expliciete zonde van Daniël benoemd. En toch belijdt hij de zonde van het volk Israël, waarin hijzelf is inbegrepen. En in Daniël 9:20 wordt het nog intenser. Daniël belijdt zijn persoonlijke zonde. Hij weet dat God volmaaktheid eist, maar dat hij dat bij lange na niet is. Wij lezen in de Bijbel (1 Johannes 1:7): “Indien wij zeggen dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelven, en de waarheid is in ons niet.” Dat “wij” geldt voor elk mens op aarde. Maar in het vers daarna staat ook: “Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.” Dus dat is ook waar.

Tot slot wil ik nog even terugkomen op het thema van deze inleiding: “Wat betekent het om een discipel van Jezus te zijn?” Dat betekent geen discipel zijn van de duivel. Een discipel van Jezus zijn, betekent “het zout der aarde” en “het licht der wereld” zijn. Dat betekent ook dat een discipel van Jezus zijn of haar licht in de wereld laat schijnen. En dat daarmee zijn of haar goede werken tot eer van God gezien worden door de mensen. Ik besef dat ook dan het evangelie van Jezus Christus niet door alle mensen in onze omgeving aangenomen zal worden. Maar ik geloof wel dat als wij leven tot Gods eer, wij, zoals we lezen in 2 Korinthe 2:15, daarmee een aangename geur van Christus zijn, onder hen die zalig worden en onder hen die verloren gaan.


Vragen bij inleiding over Mattheüs 5:13-16
Mannenvereniging maandag 5 november 2018

- Welk verband heeft dit Schriftgedeelte met het gedeelte hiervoor (de zaligsprekingen, Mattheüs 5:1-12)?
- N.a.v. de verzen 13 en 14: Waarom noemt Jezus Zijn discipelen “het zout der aarde” en “het licht der wereld”?
- Wat betekenen deze zaken voor ons leven hier op aarde?
- N.a.v. vers 15: Waarom gebruikt Jezus het beeld van een brandende olielamp op een standaard?
- N.a.v. vers 16: Wat bedoelt Jezus met “uw licht”?
- N.a.v. vers 16: Wat bedoelt Jezus met “uw goede werken”?
- Welke middelen dienen wij te gebruiken om in deze wereld en in onze cultuur God de Vader te verheerlijken?

woensdag 31 oktober 2018

De geestelijke verzorging en het pastoraat

Beste lezer(es),

Omdat ik nu de deeltijdopleiding Godsdienst Pastoraal Werk aan de Christelijke Hogeschool Ede (CHE) volg, lijkt het me goed om iets te schrijven over het pastoraat, maar ook over de geestelijke verzorging, omdat ik van november tot en met halverwege april jongstleden stage heb gelopen bij een geestelijk verzorger.

Allereerst het punt: is er verschil tussen 1) geestelijke verzorging en 2) pastoraat? Veel geestelijk verzorgers treffen in hun werkveld gesprekspartners aan die openstaan voor de Bijbel. Dat is doorgaans zeker het geval in een christelijk verpleeghuis. Tijdens de stageperiode hebben de betreffende geestelijk verzorger en ik uitvoerig over het beroepsveld van de geestelijke verzorging gesproken. De betreffende geestelijk verzorger sprak over het verschil tussen 1) geestelijke verzorging en 2) pastoraat, maar ook wel over de overeenkomsten hierin. Hij zei dat in het geval van geestelijke verzorging de gesprekspartner de gespreksthema’s bepaalt, terwijl in het geval van het pastoraat in ieder geval altijd de Bijbel een plaats heeft, ook als de gesprekspartner dat niet wil. In de praktijk komt het er dan dus op neer dat de geestelijk verzorger wel aan de gesprekspartner vraagt of hij/zij het goed vindt dat er een gedeelte uit de Bijbel gelezen wordt, maar als het antwoord “nee” is, dan gebeurt het ook niet. Als christen heb ik wel moeite met dit uitgangspunt. Want ook als personen niet over de Bijbel willen spreken, is het goed om die personen toch het onschatbare belang van geloof en bekering voor te houden, en dan gaat het uiteraard om bekering tot de God van de Bijbel. In 2 Korinthe 5:11 lezen we bijvoorbeeld over het ontzag voor de Heere, dat aanleiding geeft om mensen te overtuigen om ook het christelijk geloof aan te hangen. Zo ging dat toch tijdens alle zendingsreizen van Paulus. Paulus en zijn medebroeders zijn in behoorlijk wat plaatsen geweest om mensen te overtuigen / te bewegen tot het christelijk geloof. We lezen hier heel wat voorbeelden van in het Bijbelboek Handelingen en in de brieven van Paulus.

Globaal kunnen we stellen dat geestelijke verzorging wat ruimer is dan pastoraat. Tijdens de colleges van CHE-docent Nico van der Voet heb ik dit ook zo begrepen. Ook in een individueel gesprek met hem op de CHE. Daarnaast heb ik grote delen gelezen van het boek “Nieuw handboek geestelijke verzorging” (3e druk (2015); 1e druk (2006)), een boek dat onder eindredactie staat van Jaap Doolaard. In hoofdstuk 4 van dat boek, getiteld “Over opleiding en competentie”, geschreven door mw. drs. D.E. Mooij-Kemp, staat dat door de Vereniging van Geestelijk Verzorgers in Zorginstellingen (VGVZ) het beroep van geestelijk verzorger gekenmerkt wordt door twee kwaliteiten: “De ambtshalve kwaliteit verwijst naar het op basis van opleiding en identiteitsbinding kunnen functioneren in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van een levensbeschouwelijk of religieus genootschap. De professionele kwaliteit verwijst naar de voor de beroepsuitoefening vereiste sociaal-wetenschappelijke, en theologische of levensbeschouwelijke kennis en naar het geheel van methodieken en vaardigheden die nodig zijn voor de patiënten en bewoners en voor het verdere functioneren als geestelijk verzorger in de zorginstelling.”[1] En hierbij geldt dus: “De verbinding van beide kwaliteiten in de persoon van de geestelijk verzorger maakt hem of haar competent voor de geestelijke verzorging van álle cliënten van een zorginstelling.”[2] Het gaat dus om alle cliënten. Daar kunnen dus ook cliënten bij zijn die niet christelijk zijn en/of cliënten die niet openstaan voor de Bijbelse boodschap. Gelet op de zienswijze van de VGVZ op geestelijke verzorging is geestelijke verzorging niet per se verzorging met de Bijbel als grondslag. Maar voor ik hier verder op doorga, wil ik eerst iets schrijven over pastoraat.

Hierbij moet ik natuurlijk ook iets schrijven over “pastoraat” in het algemeen. Enkele jaren geleden heb ik het boek “Liefdevol oog en open oor. Handboek pastoraat in de christelijke gemeente” (4e druk (2010); 1e druk: 1999), dat onder redactie staat van dr. H.C. van der Meulen, gelezen. Ik kan me nog herinneren dat hierin verschillende stromingen van pastoraat worden beschreven. Ik heb het boek er weer even bij gepakt en in hoofdstuk 1 gaat dr. Van der Meulen, voormalig docent Praktische Theologie aan de Protestantse Theologische Universiteit, in op de verschillende stromingen binnen de pastorale theologie.
·        Zo is er het kerugmatische pastoraat.[3] De vader hiervan is de Zwitserse theoloog E. Thurneysen (1888-1974). Hij heeft als uitgangspunt dat het Woord, dat zondags tot de gemeente als geheel komt en dat als inhoud de vergeving dankzij Jezus Christus heeft, in de zielzorg aan de enkeling persoonlijk wil worden gebracht.[4] Thurneysen zegt ook wel dat de zielzorg gebruik kan maken van de psychologie, als een hulpwetenschap, die het onderzoeken van het innerlijk leven van de mens dient.[5] Ook moet de zielzorg luisteren naar wat psychiatrie en psychotherapie inzake het door ziekte bedreigde en gestoorde leven kunnen vertellen.[6] Maar in haar mensvisie laat de zielzorg zich uiteindelijk leiden door het evangelie der genade.[7]
·     Er is ook het therapeutisch pastoraat.[8] De voornaamste vertegenwoordiger van deze richting is de Amerikaan Seward Hiltner (1909-1984) en deze richting heeft duidelijk verschillen met het kerugmatische pastoraat.[9] Niet het onderscheid en de afstand tussen God en de mens wordt benadrukt, maar juist de nadruk op de verbinding van God en mens.[10] In het therapeutisch pastoraat wordt het uitgangspunt genomen in het eigene van de mens en zijn gevoelsleven.[11]
·        Bij het charismatisch pastoraat horen tot de kern twee thema’s: genezing en bevrijding.[12] “Genezing” slaat op lichamelijke en op innerlijk genezing, waarbij de arts bewust of onbewust een dienaar van Christus is.[13] “Bevrijding” heeft betrekking op de greep van de kwade machten.[14] In het charismatisch pastoraat wordt een belangrijke plaats ingeruimd voor gebed, handoplegging, loflied, zegening en zalving, dit alles in het vertrouwen van de concrete werkzaamheid van de Heilige Geest.[15] Er wordt bovendien sterke nadruk gelegd op de rijkdom aan charisma (= gaven), die de verhoogde Christus door de Geest aan Zijn gemeente schenkt.[16]
·        Bij het hermeneutisch pastoraat moet niet de verkondiging en ook niet de psychologie eenzijdig de toon aangeven, maar theologie en psychologie moeten als gelijkwaardige partners met elkaar in gesprek zijn.[17] Volgens de vader van het hermeneutisch pastoraat, Charles V. Gerkin, speelt pastorale zorg zich af tussen enerzijds het verhaal van de christelijke gemeente en haar traditie en anderzijds de bijzondere levensverhalen van de mensen.[18]

Er zijn uit al deze vormen van pastoraat wel goede dingen te halen. Het is ook duidelijk dat in al deze vormen van pastoraat duidelijk de Bijbel een bepaalde plaats inneemt. Dat hoeft dus niet het geval te zijn bij geestelijke verzorging. Ik denk dat het therapeutisch pastoraat wel het beste aansluit bij de omschrijving die mijn (nu dus voormalige) stagebegeleider van geestelijke verzorging gaf: “Pastoraat komt op vanuit God, maar geestelijke verzorging vanuit de mens.” Bij therapeutisch pastoraat wordt dus ook het gevoel van de mens als uitgangspunt genomen. Belangrijk verschil is wel dat de verbinding tussen God (= de christelijke God) en mens in een pastoraal gesprek ter sprake komt. Dat hoeft dus niet zo te zijn in de geestelijke verzorging. Toch is het dus wel zo dat als een geestelijk verzorger in een (protestants-)christelijke instelling werkt, de kans groter is dat cliënten openstaan voor een woord uit de Bijbel. Er wordt toch ook wel verschillend over geestelijke verzorging gedacht. Een andere geestelijk verzorger die ik in maart jl. sprak, gaf aan het absoluut niet eens te zijn met het uitgangspunt dat geestelijke verzorging opkomt vanuit de mens. Hij werkt ook in een christelijk verpleeghuis. Bij cliënten die niet over de Bijbel willen spreken, gaat hij niet op bezoek. Dit vindt de geestelijk verzorger bij wie ik stage heb gelopen, verwerpelijk. Zelf vind ik dit lastig. Enerzijds kan ik me voorstellen dat je niet bij zo iemand op bezoek gaat, want de Bijbel dichtlaten, is nogal wat. We leren de Heere in het bijzonder kennen door Zijn Woord te lezen. De Heere Jezus zegt immers (Joh. 5:39, HSV): “U onderzoekt de Schriften, want u denkt daardoor eeuwig leven te hebben, en die zijn het die van Mij getuigen.” Anderzijds is er ook het argument dat ik van de geestelijk verzorger bij wie ik stage heb gelopen en van een geestelijk verzorger die ik afgelopen april sprak en bij wie ik mogelijk nog stage ga lopen, dat het aan je eigen houding als goed is te zien dat je een christen bent. Alleen al door de vraag “Vindt u het goed als ik een gedeelte uit de Bijbel lees?” te stellen, is al een teken dat je de Bijbel hoog acht. Dat moet ik toch ook zeker zeggen.

Zelf vind ik het lastig om me aan te sluiten bij een van de vier beschreven vormen van de pastorale theologie. Er zijn van al deze stromingen voordelen, maar ook nadelen aan te wijzen. Wel kan ik me goed vinden in de definitie die dr. H.C. van der Meulen geeft van “pastoraat”: pastoraat is het onder de hoede van de Goede Herder, in gehoorzaamheid aan Zijn Woord en in de kracht van de Heilige Geest binnen en vanuit de charismatische gemeente van Jezus Christus via ontmoeting, gesprek en ritueel omzien naar mensen op hun levens- en geloofsweg binnen de context van de samenleving.”[19] Twee zaken vallen mij hierin vooral op: gehoorzaamheid aan Gods Woord en de kracht van de Heilige Geest. God vraagt inderdaad gehoorzaamheid van ons – denk bijvoorbeeld aan de Tien Geboden en de hoofdsom hiervan  en Gods kracht in ons leven is weliswaar onverdiend, maar onmisbaar als het gaat om het praktische leven van alle dag, maar zeker ook in het geestelijk leven (zie bijvoorbeeld Joh. 3:5).

Machiel Lock



[1] Jaap Doolaard (eindredactie), Nieuw handboek geestelijke verzorging, Kampen: Kok, 2015 (3e druk, 1e druk: 2006), p. 132
[2] Jaap Doolaard (eindredactie), Nieuw handboek geestelijke verzorging, p. 132
[3] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor. Handboek pastoraat in de christelijke gemeente, Zoetermeer: Boekencentrum, 2010 (4e druk; 1e druk: 1999), p. 11
[4] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 12
[5] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 13
[6] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 13
[7] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 13
[8] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 13
[9] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 13
[10] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 14
[11] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 14
[12] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 17
[13] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 17
[14] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 17
[15] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 17
[16] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 17
[17] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 18
[18] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 18
[19] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 20

zaterdag 29 september 2018

Boekonderzoek: Johannem Beltsnider, Fonteyne, Tegens de Sonde ende onreynigheyt voor alle ware Christenen geopent; in de Leere ende Troostrijcke Name Iesu …, Amsteldam 1657 (2)


Informatie over de plaats van het werk in het geheel van het Nederlands gereformeerd piëtisme

“Fonteyne, Tegens de sonde…” is een traktaat dat uit twee nieuwjaarspredikatiën bestaat. Het werk begint met een voorrede. De eerste preek behandelt de besnijdenis van de Heere Christus op de achtste dag na Zijn geboorte (Luk. 2:21): de historie van de besnijdenis van onze Zaligmaker Jezus Christus. De tweede preek behandelt de troostrijke Naam Jezus. Om tot de plaats binnen het geheel van het Nederlands gereformeerd piëtisme te komen, is hieronder een definitie van piëtisme te lezen.

De Nadere Reformatie is die beweging binnen de Nederlandse Gereformeerde Kerk in de zeventiende en achttiende eeuw, die in reactie op de verflauwing van of een gebrek aan levend geloof de persoonlijke geloofsbeleving en godsvrucht centraal stelde en van hieruit inhoudelijke en procedurele reformatieprogramma's opstelde, bij de bevoegde kerkelijke, politieke en maatschappelijke organen indiende en/of in aansluiting hierbij zelf een verdere hervorming van kerk, samenleving en staat in woord en daad nastreefde.[1]

Als men deze definitie van piëtisme hanteert, blijkt “Fonteyne, Tegens de sonde…” in zijn geheel binnen de traditie van het piëtisme te passen. Johannes Beeltsnijder snijdt vaak de persoonlijke geloofsbeleving aan. Wij dienen volgens Beeltsnijder de Heere Jezus lief te hebben, want degene die Hem niet liefheeft, is vervloekt. Dan komt Beeltsnijder met een opwekking, namelijk om de grote en onuitsprekelijke liefde van Christus tot ons als arme afgeweken zondaars met behoorlijke wederliefde te ontmoeten, nadat wij zijn bekeerd tot de Herder en de Toeziener van onze zielen. Hier wijst Johannes Beeltsnijder op de noodzaak van wederliefde tot Christus. Beeltsnijder haalt de bekering verschillende keren aan, waarbij hij sterk benadrukt dat je de bekering niet moet uitstellen, aangezien Gods eniggeboren Zoon Zich op de achtste dag heeft laten besnijden. Voorin in het werk van Beeltsnijder staat dat zijn traktaat uitgegeven is volgens de laatste Nationale Synode te Dordrecht.
Beeltsnijder geeft in zijn werk (op pagina 56) aan dat er al meer over de erenaam Jezus Christus geschreven is. Het betreft “Het Lof Jesu Christi”, geschreven door Rudolphus Petri. Over deze Rudolphus Petri wordt vermeld dat hij predikant was in de gemeente te Amsterdam. Het genoemde boekwerk behandelt ook de erenaam Jezus Christus. Rudolphus Petri en de meeste andere auteurs die over de besnijdenis en de naamgeving van Jezus preken, doen dat vaak wel op ongeveer dezelfde wijze als Johannes Beeltsnijder. Beeltsnijder legt sterke nadruk op de toepassing van het heil en de weerlegging van dwalingen. Dit geldt voor velen in de tijd van Beeltsnijder of kort daarvoor. De Reformatie was namelijk nog niet zolang ontwikkeld, en het kernpunt van de Reformatie was het onder controle krijgen van de ware leer en in de Nadere Reformatie het verwerven van het heil. Latere werken over deze thema’s hebben dikwijls wel een andere vormgeving dan “Fonteyne, Tegens de sonde…”. Men is vaak niet zo krachtig meer in het verwerpen van dwalingen. Dit omdat men anders niet meer verdraagzaam was ten opzichte van andere geloofsgemeenschappen.

[In december a.s. volgt deel 3 van mijn artikelenserie “Boekonderzoek: Johannem Beltsnider, Fonteyne, Tegens de Sonde ende onreynigheyt voor alle ware Christenen geopent; in de Leere ende Troostrijcke Name Iesu …, Amsteldam 1657”.]

vrijdag 31 augustus 2018

Boekonderzoek: Johannem Beltsnider, Fonteyne, Tegens de Sonde ende onreynigheyt voor alle ware Christenen geopent; in de Leere ende Troostrijcke Name Iesu …, Amsteldam 1657 (1)


Woord vooraf

Johannes Beeltsnijder was een belangrijk predikant. Op godsdienstig gebied leefde hij in een hectische tijd. Dat blijkt wel wanneer u zijn boek “Fonteyne, Tegens de sonde…” leest. Het was voornamelijk een strijd op het gebied van de ware godsdienstige leer en inmiddels niet minder van de bevinding van het heil. Mijn verslag dat u nu leest, bevat een onderzoek naar Beeltsnijders werk “Fonteyne, Tegens de sonde...”. Door het lezen van dit verslag krijgt u een goed beeld van Beeltsnijders gedachtegoed op godsdienstig gebied. Als u het echte werk “Fonteyne, tegens de sonde…” leest, krijgt u geestelijk voedsel over de besnijdenis en over de naamgeving van Jezus Christus. Dat Beeltsnijder in dit werk interessante gegevens beschrijft, blijkt al uit het lezen van mijn onderzoek. Ik wens u daarin veel plezier.

Machiel Lock
Giessenburg, augustus 2018

  
Informatie over de auteur

Johannes Beeltsnijder leefde van 1603 tot rond 1683. Hij studeerde theologie in Franeker. Beeltsnijder stond van 1630 tot aan zijn emeritaat in 1678 als gereformeerd predikant in Beilen. Hij genoot bekendheid door de publicatie van een zestiental prekenbundels en een catechismusverklaring. De predikant schreef als één van de weinige Drenten boeken.[1]
Johannes was de zoon van Gerrit Beeltsnijder en Wijna Steenbergen uit Epe. Eén van zijn broers was koperslager, eerst in Amsterdam, later in Kampen. Eén van zijn zussen was getrouwd met Theunis Daams, die in 1632 raad van Deventer werd. Een andere zus trouwde met een Schultinck uit Steenwijk; de Schultincks bekleedden eveneens openbare functies.
Dominee Beeltsnijder trouwde met Elisabeth Bert. Een dochter uit dit huwelijk, Wijnanda, trouwde met Emmerik van Rossum, schulte van Rolde. Een andere dochter trouwde met de predikant Willem Hofstede, sinds 1677 hulppredikant bij zijn schoonvader en na diens overlijden zijn opvolger. Een zoon Johannes werd predikant. Een andere zoon, Bartholomeus, trouwde met Sophia Stich uit Meppel. Zijn zoon Quirinus Beeltsnijder studeerde rechten en werd landschrijver van Drenthe.
Johannes Beeltsnijder had nog het vrij gebruik van de pastorie en het daarbij gelegen land bestaande uit ‘hoff, gaerdens, lynlant en waerdeel’. Daar stond tegenover dat hij evenals de andere Drentse predikanten verplicht was uit de pastoriegoederen bij te dragen tot het onderhoud van de koster en schoolmeester en dat het innen van de rogge, de haver en de andere inkomsten in natura niet altijd zonder strubbelingen verliep.[2]
  

Informatie over het oeuvre van de auteur en de plaats van het boek daarin

Werken van Johannes Beeltsnijder
  • Anathomie, Dat is: Ontledinge des Christelijcken Cathechismis
  • Belijdenis Predicatie (Rom 7, 24v.)
  • Euthanasia, Dat is, De Salighe Sterf-konst der Kinderen Godts (6 predicatien over 2 T., 4, 6-8)
  • De geluckige uytkomst van de Gekroonden Stephanus (3 predicatien over Hand. 7,59v.)
  • Het oprechte Gelove en ware Voorbereydinge van den Ouden Simeon (Luk. 2, 29vv.)
  • ’t Saligh Afsterven van de jongen Sone Jerobeams (6 predicatien)
  • De vrye opene Fonteyne, tegens de sonde ende onreynigheyt voor alle ware christenen geopent, in de leere ende troostrijcke name Iesu.
  • De ware Christelijcke Huys-sorge (4 predicatien over Mt. 6,33).

Uit het oeuvre van Johannes Beeltsnijder blijkt dat hij veel geschreven heeft over de zaligheid oftewel de gelukzaligheid, die men alleen door het geloof in Jezus Christus en Dien gekruisigd kan beërven. In God is de hoogste zaligheid des mensen gelegen. Uit vier van de acht genoemde werken is dit uit de titel op te maken. Ook bij “Het oprechte Gelove en ware Voorbereydinge van den Ouden Simeon”. Hierbij denk ik aan de woorden van de oude Simeon: “Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien”.  Ook in “Fonteyne, Tegens de sonde…” stelt hij de zaligheid des mensen centraal. Dat wordt in de Voorrede al meteen duidelijk: “Dat den Leerlinck, een zondigh Christen mensche mooghen weder vereeniget worden met God door den Middelaer, ende gheraecken tot de ghenietinge van de Zalige ghemeynschap met Gode hier in dezen leven in ghenade, ende nae dezen leven in eeuwighe glorie. In deze Zalighe ghemeynschap met Gode daer in is de hooghste gheluckzaligheydt des menschen gelegen.” Daarom past het bestudeerde werk geheel in zijn oeuvre. Uit de genoemde punten blijkt ook dat Johannes Beeltsnijder veel predikatiën in zijn oeuvre heeft. Dit geldt ook voor “Fonteyne, Tegens de sonde…”. Dit werk bevat namelijk ook twee predikatiën. Hij geeft dit onder de noemer van traktaat uit.

dinsdag 31 juli 2018

Plan van aanpak catechisatieles 2


PLAN VAN AANPAK CATECHISATIELES MAANDAG 18 MAART 2018


Voor het ontwerpen van een lesopzet voor deze catechisatieles doe ik eerst enig voorwerk, dit aan de hand van de 6 stappen die genoemd worden in “Altijd leerling. Basisboek catechese” van Jos de Kock, Wim Verboom e.a. (tweede druk, Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer).

1.          Thema: de opstanding van de Heere Jezus Christus
2.         Doelen: de catechisanten iets laten zien van het doel van de opstanding van Jezus
3.   Informatie verzamelen over het thema: vanuit de Bijbel, Bijbelcommentaren, de Heidelbergse Catechismus
4.         Verkennen van het eigen subjectieve concept en de eigen praktijkcontext ten aanzien van het thema: persoonlijk vind ik de opstanding van Jezus in eerste instantie moeilijk te begrijpen en te geloven. Wie ziet er vandaag de dag een dode opstaan uit zijn/haar graf? Dat is toch bijna onmogelijk? We moeten dus gedegen Bijbelstudie doen om de opstanding van Jezus te kunnen begrijpen. Bovendien hebben wij hier de hulp en de leiding van de Heilige Geest bij nodig. Persoonlijk raakt het mij dat Jezus is opgestaan zo vlak nadat Hij is bespot door mensen en gruwelijk aan het kruis ter dood is gebracht.
5.      Verkennen van het subjectieve concept en de praktijkcontext van catechisanten ten aanzien van het thema: catechisanten zullen ongetwijfeld vragen hebben bij het thema “de opstanding van de Heere Jezus Christus”. Het gaat hier om iets bovennatuurlijks. Hoe moet een catechisant dit geloven? In het leven van alledag kan het ook moeilijk zijn om ervoor uit te komen dat je in de opstanding van Jezus gelooft. Omdat we werkelijk niemand uit de dood zien opstaan, is het een bewijs dat de Bijbel niet betrouwbaar is, zo denken velen. Het is niet goed om direct over dit punt heen te gaan, maar wel is het zaak om argumenten te vinden voor het feit dat de Bijbel wel degelijk waar is, ook als het gaat over de opstanding van Jezus. Aan de oudste groepen is het aan te raden om te zeggen dat er ook een stroming in de kerk is die niet gelooft in de lichamelijke opstanding van Jezus, met name de vrijzinnige stroming. En er kan onderscheid gemaakt worden tussen lichamelijke en geestelijke opstanding. Op grond van de Bijbel geloven wij in de lichamelijke opstanding van Jezus, maar dat neemt niet weg dat de opstanding van Jezus geestelijke betekenis heeft voor het leven van een christen, sterker nog: dat is zeker het geval.
6.      Verkennen van de context van de gemeente en de omringende wereld ten aanzien van het thema: dit is moeilijk na te gaan, omdat ik nauwelijks bekend ben met de thema’s die momenteel in de kerkelijke gemeente waarin ik deze catechisatie geef, in het bijzonder aan de orde zijn. De gemeente belijdt de opstanding van Jezus Christus uit de dood. De catechisanten kunnen zeker aan de slag met het thema “de opstanding van Jezus”. In 1 Korinthe 15:14 lezen we immers: “En als Christus niet is opgewekt, dan is onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof.” Dit is een uitermate belangrijk uitgangspunt voor de catechisant voor zichzelf en eventueel voor de contacten in en het werk in de kerkelijke gemeente waarvan hij/zij lid is, op de school/universiteit waar hij/zij op zit, in het bedrijf waar hij/zij werkt, enzovoorts. Toen Johan Cruijff, een populaire voetballer, overleed, ging er een tweet de wereld in: “JC staat zondagmorgen weer op.” Lees hierover een artikel uit het Reformatorisch Dagblad van 26 maart 2016:
Sommige mensen vinden dat Johan Cruijff de plaats van Jezus Christus heeft ingenomen. Meerdere jongeren en ouderen zijn gevoelig voor sportverdwazing. Natuurlijk is sport op zichzelf niet verkeerd, maar het mag geen verdwazing worden. Het is een goede zaak om de jongeren toe te rusten in de Bijbel.


Opening (op het bord schrijven)

Zingen: Psalm 16:4,5
Gebed
Lezen: Johannes 20:1-23

Vanavond de laatste catechisatieles van dit seizoen. We leven toe naar Goede Vrijdag en Pasen. Met Goede Vrijdag (dit jaar op 30 maart) wordt de kruisiging en de dood van Jezus herdacht, met Pasen (dit jaar op 1 en 2 april) de opstanding van Jezus uit de dood. Maandag 2 april is vandaag over precies twee weken. Deze catechisatieles gaat over de opstanding van de Heere Jezus Christus. De relevantie hiervan benoemen (zaken benoemen die ik heb geschreven aan de hand van de 6 stappen uit het boek “Altijd leerling. Basisboek catechese”, zie de vorige bladzijde).


Vragen (soort stellingen) (op het bord schrijven)

Vraag 1: Stel dat je een man op straat tegenkomt waarvan je weet dat hij drie dagen geleden is begraven, en hij zegt dat hij is opgestaan. Zou je dat dan geloven?
Vraag 2: De opstanding van de Heere Jezus Christus uit de doden: waargebeurd of niet waargebeurd?


Bijbelstudie

Om antwoord op vraag 2 (zie hierboven) te krijgen, is het nodig om een korte Bijbelstudie te doen over Johannes 20. (Het mag natuurlijk ook een lange Bijbelstudie zijn, maar daar hebben we vanavond helaas geen tijd voor.)

Enkele inleidende vragen:
-         Vraag 1 (n.a.v. vers 1): Waarom was de steen van het graf afgenomen?
-        Vraag 2 (n.a.v. vers 9): Waar staat het in de Bijbel dat Jezus uit de doden zou opstaan?
-        Vraag 3 (n.a.v. vers 17): Over welke (toen nog) toekomstige gebeurtenis spreekt Jezus hier?

Johannes 20 beschrijft gebeurtenissen van de Paaszondag, die plaatsvinden in de morgen (verzen 1-18) en in de avond (verzen 19-29) (in de verzen 30 en 31 lezen we de conclusie).[1] Deze twee gedeelten kunnen dan elk opnieuw verdeeld worden in twee delen: 1 (morgen) a. de ontdekking van het lege graf (verzen 1-10) en b. de verschijning van Jezus aan Maria Magdalena (verzen 11-18); 2 (avond) a. de verschijning van Jezus aan de discipelen (verzen 19-23) en b. aan Thomas, die er de vorige keer niet bij was (verzen 24-29).[2]

In vers 1 lezen we dat Maria Magdalena op de eerste dag van de week vroeg in de morgen, als het nog donker is, naar het graf gaat waarin Jezus lag, en ze ziet dat de steen van het graf is weggenomen. Velen denken aan de mogelijkheid dat Maria Magdalena denkt dat het lichaam van Jezus gestolen is, maar het ligt meer voor de hand dat ze denkt dat Jezus ergens anders opnieuw begraven is.[3] Zij gaat naar Simon Petrus en naar de andere discipel, die Jezus liefheeft – dat is Johannes, en zij zegt tegen hen: “Ze hebben de Heere uit het graf weggenomen, en wij weten niet waar zij Hem neergelegd hebben.” Let wel: ze zegt: “wij weten niet”. Meervoud dus. Terwijl we hier alleen over Maria Magdalena lezen die zag dat de steen van het graf is weggenomen. We herkennen hierin de synoptische gedeelten van de meerdere vrouwen bij het graf.[4] In Mattheüs en in Markus lezen we namelijk over nog een andere Maria: de moeder van Jakobus, die samen met Maria Magdalena naar het graf ging. Maar met “wij” kan Maria Magdalena ook bedoelen: zijzelf, en Petrus en Johannes.[5] Petrus en Johannes lopen naar het graf, Johannes loopt sneller. Johannes ziet de doeken liggen, maar gaat het graf niet in, terwijl Simon Petrus dat wel doet. Simon Petrus ziet de zweetdoek, die op het hoofd van Jezus lag, opgerold op een andere plaats liggen. Ook Johannes gaat nu toch het graf in. We lezen dat zij de Schrift (= de Bijbel) nog niet kennen, waarin staat dat Jezus uit de doden zal opstaan. We kunnen dan bijvoorbeeld denken aan Psalm 16, die we zojuist hebben gezongen. Petrus haalt deze tekst aan tijdens Pinksteren vlak na de uitstorting van de Heilige Geest: de gezalfde van God zal niet aan het dodenrijk worden overgelaten en zijn lichaam zal niet bederven.[6] Jezus Christus is wel een hele bijzondere “Gezalfde”. Hij is de eniggeboren Zoon van God. De Naam “Christus” betekent “Gezalfde”. Calvijn noemt meerdere teksten waaruit blijkt dat de opstanding van Jezus al van tevoren is voorzegd in de Bijbel: Jesaja 55:3, Psalm 16:10, Psalm 110:1, Jesaja 53:8.[7]

De discipelen gaan weer naar huis. Maria Magdalena is opnieuw bij het graf.[8] Zij huilt buiten bij het graf en terwijl zij huilt, buigt zij voorover in het graf, en ze ziet twee engelen zitten, één aan het hoofdeinde en één aan het voeteneinde van de plaats waar het lichaam van Jezus gelegen heeft. Dat één engel aan het hoofdeinde zit en een andere engel aan het voeteneinde, is bijzonder. Het is een getuigenis van het feit dat God Zijn eniggeboren Zoon Jezus Christus uit het graf heeft weggenomen voor iets wat nog moet volgen.[9] De engelen zeggen nog niet gelijk tegen Maria Magdalena dat Jezus is opgestaan.[10] Maria Magdalena zegt dat Jezus is weggenomen en ze geeft aan dat ze niet weet waar het lichaam van Jezus nu is. Ze draait zich om en ziet Jezus staan, alleen ze weet niet dat het Jezus is. Ze denkt dat het de tuinman is, maar als Jezus tegen haar zegt: “Maria!”, herkent ze Hem wel. Jezus maakt Maria Magdalena bekend dat Hij (Jezus) zal opvaren naar Zijn Vader, die ook de Vader is van Maria Magdalena, en naar Zijn God, die ook de God is van Maria Magdalena. Hiermee bedoelt Jezus de hemelvaart[11], die vlak hierna zal volgen. Deze reis naar de hemel maakt Hij alleen, daarom mag Maria Magdalena Hem niet vasthouden.[12] Maria zegt vervolgens tegen de discipelen dat ze Jezus gezien heeft en dat Hij dit tegen haar gezegd heeft. Aan de avond van de dag staat Jezus in het midden van de discipelen en wenst hen vrede toe. Jezus laat hen Zijn handen en Zijn zij zien. Dit is ook een duidelijke belijdenis in de kerk geworden: de Gekruisigde is de opgestane Heere, en de opgestane Heere is de Gekruisigde, de Verlosser van vlees en bloed, Wiens dood en opstanding de zaligheid bereiken voor de gehele wereld.[13] De discipelen worden blij als ze Jezus zien. Jezus wenst hen opnieuw vrede, Hij zegt dat zoals de Vader Hem gezonden heeft, zo zendt Hij (Jezus) ook hen (de discipelen). Hij blaast op hen en zegt tegen hen: “Ontvang de Heilige Geest.” Jezus maakt duidelijk dat als de discipelen iemands zonden vergeven, deze zonden vergeven worden, en als de discipelen iemands zonden toerekenen, dan blijven de zonden aan diegene toegerekend.

In het volgende gedeelte lezen we over Thomas, één van de discipelen van Jezus. Dit gedeelte hebben we tijdens de Schriftlezing niet gelezen. Jullie kennen deze geschiedenis wel, denk ik. Thomas was er namelijk niet bij toen Jezus bij de andere discipelen kwam, de geschiedenis die we zojuist hebben besproken. Een week later is hij er wel bij en dan komt Jezus opnieuw bij Zijn discipelen. Thomas gelooft het eerst niet dat Jezus opgestaan is, maar zodra hij Jezus ziet, gelooft hij het wel.

Wij kunnen het haast niet voorstellen dat een mens opstaat uit de dood. Dan lijkt het in de eerste plaats niet waargebeurd te zijn dat Jezus is opgestaan. Wij hebben het niet gezien. Toch zijn er wel velen die Hem gezien hebben nadat Hij gestorven en opgestaan is. Na de twaalf discipelen is Hij aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk verschenen, zie 1 Korinthe 15:6. Jezus is opgestaan om te vervullen wat er in de Bijbel geschreven staat en om terug te gaan naar Zijn Vader in de hemel. Jezus is niet zomaar een mens, Hij is de eniggeboren Zoon van God. Jezus heeft de dood overwonnen. De opstanding van Jezus betekent ook iets voor ons persoonlijk, als we de Bijbel aanvaarden als Gods Woord. We kunnen hiervan bijvoorbeeld lezen in Zondag 17 van de Heidelbergse Catechismus.


Verwerking n.a.v. een artikel uit het Reformatorisch Dagblad van 26 maart 2016 (voor de oudste groepen)

Artikel (zie de volgende pagina)


Sluiting

Dankgebed



[1] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, Grand Rapids, Michigan: Zondervan, p. 367
[2] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 367
[3] P.H.R. van Houwelingen, Commentaar op het Nieuwe Testament. Johannes, Het evangelie van het Woord, Kampen: J.H. Kok, p. 386
[4] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 368
[5] P.H.R. van Houwelingen, Commentaar op het Nieuwe Testament. Johannes, Het evangelie van het Woord, p. 386
[6] P.H.R. van Houwelingen, Commentaar op het Nieuwe Testament. Johannes, Het evangelie van het Woord, p. 388
[7] John Calvin, Commentary on John – Volume 2, Grand Rapids, MI: Christian Classics Ethereal Library, p. 222
[8] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 374
[9] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 374
[10] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 374
[11] P.H.R. van Houwelingen, Commentaar op het Nieuwe Testament. Johannes, Het evangelie van het Woord, p. 392
[12] P.H.R. van Houwelingen, Commentaar op het Nieuwe Testament. Johannes, Het evangelie van het Woord, p. 392
[13] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 379