zaterdag 31 maart 2018

De zonde tegen de Heilige Geest

We lezen in Mattheüs 12:31-32, Markus 3:28-29 en Lukas 12:10 over dé zonde tegen de Heilige Geest. Als Jezus in Mattheüs 12:31-32 over dé zonde tegen de Heilige Geest spreekt, is het vanuit de context duidelijk dat Hij verwijst naar de beschuldiging die de Farizeeën hebben geuit.[1] Deze beschuldiging lezen we in Mattheüs 12:24. De Farizeeën zeggen dat Jezus geen demonen uitdrijft behalve door Beëlzebul, de heerser van de demonen. In werkelijkheid drijft Jezus de demonen uit door de Geest van God, zie Mattheüs 12:28. Op Jezus is de Geest gelegd (zie Mattheüs 12:18) en Hij is de gezalfd met de Heilige Geest (zie bijvoorbeeld Handelingen 10:38). Dat willen de Farizeeën niet erkennen.

In Zondag 13 van de Heidelbergse Catechismus wordt in nr. 33 de vraag gesteld waarom Jezus "Gods eniggeboren Zoon" genoemd wordt, terwijl wij toch ook Gods kinderen zijn. Het antwoord luidt: "Omdat alleen Christus van nature de eeuwige Zoon van God is (a), maar wij zijn om Zijnentwil uit genade tot kinderen van God aangenomen (b)." Bij a verwijst de Heidelbergse Catechismus naar Joh. 1:14; Hebr. 1:1; 1:2; Joh. 3:16; 1 Joh. 4:9; Rom. 8:32 en bij b naar Rom. 8:16; Joh. 1:12; Gal. 4:6; Ef. 1:5; 1:6. Zelf zou ik bij a ook Mattheüs 12:18 willen noemen. God legt Zijn Geest op Jezus, niet uit genade, maar omdat Jezus aan Hem gelijkstaat. Voor ons is dat anders. Wij zijn namelijk van nature kinderen van de toorn (zie Efeze 2:3). Van nature laten wij ons leiden door de satan, en niet door de Geest van God. Uit genade worden wij gered, door het geloof, en dat niet uit ons, het is een gave van God (zie Efeze 2:8). Alleen degene die gelooft dat Jezus van nature (en dus niet uit genade) de Gezalfde met de Heilige Geest is, ontvangt vergeving van zonde. Door het geloof is de mens een lidmaat van Christus en heeft hij deel aan de zalving van Christus (zie Heidelbergse Catechismus, Zondag 12, antwoord 32). Bij het laatstgenoemde (de zalving) verwijst de Heidelbergse Catechismus naar 1 Johannes 2:27 en Handelingen 2:17. Door het geloof zijn wij verzegeld met de Heilige Geest van de belofte (zie Efeze 1:13).

Van Genderen en Velema: De Schriftplaats voor dé zonde tegen de Heilige Geest is: Markus 3:28-29, met als parallelplaatsen Mattheüs 12:22-32 en Lukas 11:14-23, met de toespitsing in Lukas 12:10. Men neemt aan dat dezelfde zonde bedoeld is in Hebreeën 6:4-6; 10:26-27 en 1 Johannes 5:16. Weliswaar wordt in de drie laatstgenoemde Schriftplaatsen niet expliciet gesproken over het lasteren tegen de Heilige Geest, maar wel over de zonde tot de dood, over het opzettelijk zondigen na het tot erkentenis van de waarheid gekomen zijn en over de afval na het eens verlicht zijn.[2] Dé zonde tegen de Heilige Geest wordt volgens Van Genderen en Velema bedreven door iemand voor wie het licht is opgegaan en die toch tegenover dat licht niet alleen de duisternis verkiest, maar het licht zelf duisternis noemt.[3] Niet maar het verzet tegen God is karakteristiek. De miskenning van Gods werk in die mate dat wat van God komt voor duivelswerk wordt aangemerkt, daarin zit het onvergeeflijke en het innerlijk onmogelijke van de boetvaardigheid.[4] Van Genderen en Velema schrijven verder onder andere dat het feit dat door middel van legitimering door de Schriften de Messias als godslasteraar ter dood werd veroordeeld (zie Mattheüs 26:65-66), de voltrekking is van het afwijzen van Gods verlossingswerk in Hem en de climax is van elke zonde. Het is de meest forse manier om zich van de Verlosser af te maken. Van Genderen en Velema zien dit vonnis als een voltrekking van die zonde waartegen Christus in Mattheüs 12:32 heeft gewaarschuwd. Tenslotte is Jezus gestorven als resultaat van dé zonde tegen de Heilige Geest, die het Sanhedrin heeft bedreven. [ML: Mooie uitleg. Jezus beschuldigen van lastering is een grote zonde. De hogepriester vraagt aan Jezus of Hij de Christus, de Zoon van God, is, waarop Jezus bevestigend antwoordt (zie Matth. 26:63-64). Vervolgens beschuldigt de hogepriester Jezus van lastering en het Sanhedrin zegt dat Hij schuldig is aan de dood. Zij verwerpen het feit dat Jezus de eniggeboren Zoon van God is, terwijl de mens alleen door het geloof in Hem gered wordt van de eeuwige duisternis.][5]

Herman Bavinck: Herman Bavinck (1854-1921), een gereformeerd theoloog, schrijft dat dé zonde tegen de Heilige Geest moet bestaan in een bewuste, moedwillige, opzettelijke lastering van de klaar erkende openbaring van Gods genade in Christus door de Heilige Geest.[6] Behalve in de evangeliën is er nergens in de Schrift met rechtstreekse woorden sprake van deze zonde. Maar deze lastering tegen de Heilige Geest kan in verschillende omstandigheden bedreven worden, maakt Bavinck duidelijk, en hij verwijst in dit kader naar Hebreeën 6:4-6; 10:25-29 cf. 12:15-17 en 1 Johannes 5:16.[7]

Johannes Calvijn: Calvijn geeft de volgende definitie van dé zonde tegen de Heilige Geest: "Ik zeg dan dat dé zonde tegen de Heilige Geest bedreven wordt wanneer mensen die zo door glans van de goddelijke waarheid bestraald zijn dat zij niet hun onwetendheid ter verontschuldiging kunnen aanvoeren, zich toch vastbesloten in het kwaad daartegen verzetten, louter en alleen om zich tegen God te verzetten."[8] "Mensen die er in geweten van overtuigd zijn dat het Gods Woord is dat zij verachten en bestrijden, en die dan toch niet ophouden het te bestrijden, van hen wordt gezegd dat zij lasteren tegen de Geest, aangezien zij dwars tegen het hun gegeven licht in − wat het werk van de Heilige Geest is − blijven vechten."[9]

Volgens meerdere theologen wordt dé zonde tegen de Heilige Geest bedreven door iemand die verlicht geweest is door de Heilige Geest, maar die zich bewust van deze verlichting heeft afgekeerd. In Hebreeën 6:4-6 gaat het inderdaad over mensen die verlicht geweest zijn, de hemelse gave ontvangen hebben, deelgehad hebben aan de Heilige Geest, het goede woord van God ontvangen hebben en de krachten van het toekomstige tijdperk, en daarna afvallig worden en niet opnieuw vernieuwd kunnen worden tot bekering. Inderdaad gaat het in Hebreeën 6:4-6 over dé zonde tegen de Heilige Geest. We lezen in deze verzen een ernstige waarschuwing tegen geloofsafval. Degenen die van het geloof afvallen, keren zich af van de enige Weg tot behoud. Voor een voorbeeld hiervan uit de Bijbel, denk ik meteen aan Demas, die Paulus verliet toen hij de tegenwoordige wereldtijd liefkreeg (zie 2 Timotheüs 4:10). Dit voorbeeld dient als waarschuwing voor ons.[10] Over de Farizeeën in Mattheüs 12:24 en de schriftgeleerden in Markus 3:22 lezen we niet dat zij ooit geloofd hebben dat Jezus Christus de eniggeboren Zoon van God is. Het is wel duidelijk dat zij niets van Jezus willen hebben. Tot deze conclusie kan ik in ieder geval komen.

Er zijn enkele andere teksten die in verband gebracht kunnen worden met dé zonde tegen de Heilige Geest. Deze teksten zijn: Hebreeën 6:4-6; 10:26-29 en 1 Johannes 5:16. Dat deze teksten in verband gebracht kunnen worden met dé zonde tegen de Heilige Geest, waarvoor Jezus in Mattheüs 12:31-32, Markus 3:28-29 en Lukas 12:10 waarschuwt, is duidelijk. Het is wel belangrijk om de context van Mattheüs 12:31-32 helder te hebben. Deze context is niet hetzelfde als in Hebreeën 6:4-6, waar het onder andere gaat over mensen die afvallig worden en hiermee de Zoon van God (voor henzelf) opnieuw kruisigen, en Hebreeën 10:26-29, waar het onder andere gaat over mensen die opzettelijk zondigen nadat zij de kennis van de waarheid hebben ontvangen en over iemand die de Zoon van God met voeten heeft getreden en het bloed van het verbond, waardoor diegene geheiligd was, onrein geacht heeft en de Geest van de genade gesmaad heeft. Over de Farizeeën in Mattheüs 12:24 lezen we niet dat zij geheiligd geweest zijn en/of afvallig geworden zijn, want we lezen niet dat zij tot de erkenning gekomen zijn dat Jezus de eniggeboren Zoon van God is. Wel verwijzen deze teksten uit de Hebreeënbrief duidelijk naar de woorden van Jezus over dé zonde tegen de Heilige Geest. Bij afvalligen is meer aan de orde: zij hebben een tijdje geloofd dat Jezus de eniggeboren Zoon van God is, maar zijn hiervan afgevallen. In dat geval is er uiteraard nooit sprake (geweest) van het waarzaligmakende geloof, en feitelijk dus ook niet van geloof. Immers: als er geen sprake is het waarzaligmakende geloof, is er ook geen sprake van geloof, maar van ongeloof. Voor de Farizeeën die naar voren komen in Mattheüs 12:24 is geen aanwijzing dat zij ooit erkend hebben dat Jezus de Messias is.

Machiel Lock



[1] Als Jezus in Markus 3:29 spreekt over dé zonde tegen de Heilige Geest, is het vanuit de context duidelijk dat Jezus verwijst naar de beschuldigingen die de schriftgeleerden hebben geuit (zie Markus 3:22; 3:30).
[2] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, Utrecht: Kok, 2013 (4e druk; 1e druk: 1992), p. 386
[3] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, pp. 386-387
[4] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, pp. 386-387
[5] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 387
[6] H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek. Deel III, Kampen: J.H. Bos, 1898, p. 102
[7] H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek. Deel III, p. 103
[8] J. Calvijn (vertaald door C.A. de Niet), Institutie. Deel I (boek I.1 – boek III.16), Houten: Den Hertog B.V., 2009, p. 601
[9] J. Calvijn (vertaald door C.A. de Niet), Institutie. Deel I (boek I.1 – boek III.16), p. 601
[10] Het is niet bekend of Demas ook onbekeerd gestorven is.

woensdag 28 februari 2018

Zonde

In Romeinen 5:12 lezen we dat zoals door één mens de zonde in de wereld gekomen is en door de zonde de dood, zo is de dood tot alle mensen gekomen, in wie allen gezondigd hebben. "Zonde" betekent ongehoorzaamheid aan God. In Zondag 2 van de Heidelbergse Catechismus lezen we onder antwoord 5 dat de mens van nature geneigd is om God en zijn naaste te haten. In Zondag 3 van de Heidelbergse Catechismus, vraag en antwoord 8, lezen we dat wij zo verdorven zijn, dat wij geheel onbekwaam zijn tot iets goeds en geneigd tot alle kwaad, tenzij wij door de Geest van God worden wedergeboren. De Heidelbergse Catechismus verwijst hier bij het bevestigende antwoord "ja" naar Genesis 6:5 en 8:21. Voor het woord "slecht" in Genesis 6:5 en 8:21 lezen we in het Hebreeuws het adjectief רַע. Dit adjectief in Genesis 6:5 en 8:21 betekent "(vanuit ethisch oogpunt:) slecht, kwaad, vals".[1] Het adjectief רַע komt 347 keer voor in de Hebreeuwse Bijbel. Het komt voor het eerst voor in Genesis 2:9, als het gaat over de boom van de kennis van goed en van רָֽע (kwaad). In Mattheüs 12:35 spreekt Jezus over "de goede mens" en "de slechte mens". Jezus bedoelt met "de goede mens" de mens die Hem volgt.

Zowel het Hebreeuwse werkwoord חטא als het werkwoord ἁμαρτάνω in het Nieuwe Testament betekenen: "missen van het doel".[2] Johannes karakteriseert de zonde als wetteloosheid (zie 1 Johannes 3:4; 5:17).[3] De zonde maakt God tot een leugenaar en doet leven in ongeloof.[4] In Mattheüs 12:31-32 gaat het onder andere over de vergeving van zonde en lastering.

In het formulier om de Heilige Doop aan de kinderen en aan de volwassenen te bedienen staat onder andere dat de Heilige Doop ons de afwassing van de zonden door Jezus Christus betuigt en verzegelt. God vermaant en verplicht ons, zoals het doopformulier zegt, door middel van de Doop tot een nieuwe gehoorzaamheid, namelijk dat wij deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben met geheel ons hart, met geheel onze ziel, met geheel ons gemoed en met al onze krachten de wereld te verlaten, onze oude natuur te doden, en in een nieuw, godzalig leven te wandelen.

Machiel Lock
Giessenburg, februari 2018




[1] F. Brown (met medewerking van S.R. Driver en C.A. Briggs), The Brown-Driver-Briggs Hebrew and English Lexicon: with an appendix containing the biblical Aramaic, Peabody: Massachusetts: Hendrickson Publishers, Inc., 2008 (12e druk) (1e druk: Boston: Houghton, Mifflin and Company, 1906), p. 948
[2] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, Utrecht: Uitgeverij Kok, 2013 (4e ongewijzigde druk; 3e druk: 2001) (1e druk: 1992), p. 361
[3] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 361
[4] R. van Kooten, Aan Zijn voeten. Onderwijs en verdieping in de geloofsleer, Heerenveen: Uitgeverij Groen, 2010 (8e druk) (1e druk: 2004), p. 120

woensdag 31 januari 2018

Messiasschap van Jezus

Het lijkt me goed om stil te staan bij het Messiasschap van Jezus. Het gaat om een cruciaal punt. Als Jezus niet de Messias zou zijn, kan Hij ook niet de Zaligmaker zijn. Onze zaligheid hangt af van dit punt. Is Jezus de Messias? Volgens de Farizeeën waarover we in Mattheüs 12:24 lezen, niet. Zij zien Jezus als demonisch.[1] De menigten mensen zijn buiten zichzelf geraakt na het zien van het wonder dat Jezus daarnet heeft verricht. Zij vragen zich af of Jezus de Zoon van David is (zie Mattheüs 12:23). De titel "Zoon van David" is een Messiaanse titel. En dat wekt nu juist de woede op van de Farizeeën, want zij zien Jezus niet als de Messias. Het evangelie naar Mattheüs begint met de woorden (Mattheüs 1:1): "(Het) boek van (het) geslacht van Jezus Christus, (de) Zoon van David, (de) Zoon van Abraham." Uit het geslachtsregister in Mattheüs 1 en Lukas 3 blijkt dat Jezus uit het geslacht van David komt. Jezus wordt Christus genoemd (zie Matth. 1:16). Het Griekse Χριστός is een vertaling van het Hebreeuwse מָשִׁיחַ, dat "gezalfde" betekent.[2] Het woord מָשִׁיחַ komt 39 keer voor in de Hebreeuwse Bijbel, het meest in 1 Samuël (12x) en in de Psalmen (10x), bijvoorbeeld in 1 Samuël 24:7 (2x). In 1 Samuël 24:7 lezen we onder andere dat David zegt dat Saul de gezalfde van YHWH is. Uit 1 Samuël 10:1 blijkt dat Samuël Saul tot koning van Israël zalft. Vanuit 1 Samuël 16:13 weten we dat Samuël David tot koning van Israël zalft. Hieruit volgt dat Jezus de Koning van Israël genoemd kan worden. In Mattheüs 27:11 geeft Jezus een bevestigend antwoord op de vraag van de stadhouder of Hij de Koning van de Joden is. In Johannes 1:49 (sommige vertalingen: 1:50) belijdt Nathanaël dat Jezus de Koning van Israël is. Volgens de klassieke formulering is het ambt van Christus dat van Profeet, Priester en Koning.[3] Jezus is gezalfd met de Heilige Geest (zie Handelingen 10:38). De Middelaar kan alleen Iemand zijn Die een waarachtig en rechtvaardig Mens is en tegelijkertijd waarachtig God is (zie de Heidelbergse Catechismus, Zondag 5, vraag en antwoord 15). De Middelaar is onze Heere Jezus Christus (zie de Heidelbergse Catechismus, Zondag 6, vraag en antwoord 18).

Jezus Christus is de Zoon van God (zie bijvoorbeeld Markus 1:1 en Hebreeën 4:14). De Zoon is de tweede Persoon in het Goddelijk Wezen (zie bijvoorbeeld Mattheüs 28:19). Jezus is als Mens naar deze aarde gekomen om te lijden en te sterven, maar ook om na drie dagen op te staan uit de dood (zie Markus 8:31). Na drie dagen = op de derde dag (zie bijvoorbeeld Mattheüs 20:19; 1 Korinthe 15:4). Ik denk verder in het bijzonder aan Hebreeën 4:14-16: "14 Nu wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen is gegaan, (namelijk) Jezus, de Zoon van God, laten wij aan deze belijdenis vasthouden. 15 Want wij hebben geen Hogepriester Die niet kan meevoelen met onze zwakheden, maar Die in alles op dezelfde wijze op de proef is gesteld, (maar) zonder zonde. 16 Laten wij dan met vrijmoedigheid komen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om op tijd geholpen te worden." De schrijver van de Hebreeënbrief noemt de redenen waarom hij oproept met vrijmoedigheid tot de troon van de genade te komen, met als doel dat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om op tijd geholpen te worden. Deze redenen zijn dat de Hogepriester, Jezus Christus:
  • meevoelt met onze zwakheden, 
  • op dezelfde wijze (als wij) op de proef is gesteld, 
  • niet gezondigd heeft.

Onder andere het feit dat Jezus niet gezondigd heeft, is de reden dat er voor ons barmhartigheid te ontvangen is en genade te vinden is om op tijd geholpen te worden. Als Jezus wel gezondigd zou hebben, zou er nooit vergeving mogelijk geweest zijn van onze zonden. Als Mens werd Jezus onderworpen aan allerlei verzoekingen en verleidingen, maar Hij is trouw geweest aan de opdracht die Hij van Zijn Vader kreeg. Zelfs toen Hij door de πνεῦμα (Geest) naar de woestijn werd geleid, om daar op de proef gesteld te worden door de διάβολος/Σατανᾶς (duivel/satan) (zie Mattheüs 4:1; Markus 1:12-13; Lukas 4:1-2), was Hij trouw. Jezus gaf geen gehoor aan de duivel / de satan. Als Hij dat wel gedaan zou hebben, dan zou er nooit vergeving van de zonden mogelijk geweest zijn. Hij moest de weg gaan naar Golgotha. Doordat Hij trouw geweest is aan deze opdracht van Zijn Vader, is er verlossing mogelijk, alleen door Zijn bloed, dat Hij uitgestort heeft op Golgotha (zie bijvoorbeeld Efeze 1:7; Hebreeën 4:14-16). De verlossing is de vergeving van de misdaden/zonden (zie Efeze 1:7). Ook in een christen werkt de Geest, maar een christen blijft hier op aarde ook een zondig mens (lees bijvoorbeeld Galaten 5:16-26). In Galaten 5:17 staat dat het vlees tegen de Geest in begeert, en de Geest tegen het vlees in, want deze staan tegenover elkaar, zodat u niet doet wat u wilt. Paulus kende als christen ook zijn inwendige strijd (lees bijvoorbeeld Romeinen 7:14-26). Daarom is het bloed van Jezus Christus steeds nodig tot vergeving van de zonden. De enige Weg tot vergeving van zonde en lastering is Jezus Christus. Jezus Christus heeft, in tegenstelling tot elk ander mens, nooit gezondigd.

Het is duidelijk. Laat ik eindigen met de tekst Johannes 3:16-18.
"16 Want God heeft de wereld zo liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar (het) eeuwige leven heeft. 17 Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden om de wereld te veroordelen, maar om de wereld door Hem te redden. 18 Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God."

Machiel Lock



[1] D.L. Turner, Baker Exegetical Commentary on the New Testament. Matthew, p. 320
[2] Diversen, NBV Studiebijbel, p. 1864
[3] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 407

vrijdag 29 december 2017

Geloven

Wat betekent "geloven" precies? Geloven betekent volgens de christelijke gereformeerde theologen J. van Genderen en W.H. Velema: "door de aanvaarding van de beloften van het evangelie het leven ontvangen".[1] Door het geloof worden we wedergeboren.[2] De benamingen tijdgeloof, historisch geloof en wondergeloof zijn aanduidingen van wat in wezen ongeloof is.[3] Ze wijzen op het ontbreken van de persoonlijke relatie tot God in Christus.[4] Johannes Calvijn (1509-1564), een bekende kerkhervormer, schrijft dat het geloof zich richt op de ene God, maar daaraan moet dit toegevoegd worden dat het ook Jezus Christus erkent, Die Hij gezonden heeft.[5] Calvijn geeft de volgende definitie van geloof: "Het geloof is een vaste en stellige kennis van Gods goedgunstigheid jegens ons, die haar grond vindt in de waarheid van de genadige belofte in Christus en door de Heilige Geest aan ons verstand geopenbaard en in ons hart verzegeld wordt."[6] Het geloof is toevluchtnemend van aard. Het geloof gaat altijd gepaard met berouw, innerlijke verbrokenheid en besef van schuld.[7] Zondag 7, antwoord 21 van de Heidelbergse Catechismus noemt twee kenmerken van het ware geloof[8]: het ware geloof is niet alleen een stellig weten en kennis waardoor ik alles wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft voor waar houd, maar ook een vast vertrouwen dat de Heilige Geest door het evangelie in het hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid door God geschonken zijn, uit enkel genade, alleen vanwege de verdienste van Christus.

De wedergeboorte is een gave van God, bewerkt door de Heilige Geest.[9] De wedergeboorte is de innerlijke vernieuwing door Gods Geest en is het begin van het nieuwe leven, maar ook een werk van de Geest onder en door de prediking van het Woord.[10] De wortel van geloof en bekering is de wedergeboorte.[11] De bekering is geen andere daad dan het geloof: zij is heenwending tot God, welke niet mogelijk is zonder afwending van de zonde.[12] Het Hebreeuwse werkwoord שׁוב is een aanduiding van het "zich bekeren".[13] In het Nieuwe Testament treffen we voor "bekering" de woorden μετάνοια (22 keer) en ἐπιστροφή (1 keer) aan, voor "zich bekeren" μετανοέω (34 keer) en ἐπιστρέφω (15 keer).[14] Door het geloof verbindt de HEERE de zondaar met Christus.[15] God vergeeft de zondaar in Christus (zie Efeze 4:32). Geloof en bekering komen wel in elkaars nabijheid voor, maar dat betekent niet dat zij zo goed als samenvallen.[16] Het geloof ziet vooral op het omhelzen van Gods welwillendheid in Christus, op het zich toevertrouwen aan God.[17] Bij de bekering denken wij vooral aan de directe, praktische consequenties die daarmee in ons leven verbonden zijn: het ons afwenden van de zonde en ons toewenden naar God.[18] Het is in lijn met Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus: de waarachtige bekering van de mens bestaat uit twee stukken: de afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens. Dat in de wedergeboren mens een voedingsbodem van het kwaad overblijft, maakt duidelijk dat de bekering niet gezien kan worden als een eenmalige zaak.[19] Petrus schrijft in 2 Petrus 3:18: "Maar neemt toe in (de) genade en kennis van onze Heere en Redder Jezus Christus. Hem zij de glorie, zowel nu als in (de) dag van (de) eeuwigheid. Amen."

In Mattheüs 15:22 lezen we over een Kanaänitische vrouw, die Jezus υἱὸς Δαυίδ ("Zoon van David") noemt. Jezus zegt tegen haar dat haar geloof groot is (zie Matth. 15:28). In de evangeliën lezen we meerdere keren dat Jezus het geloof van mensen groot noemt, zoals in Mattheüs 8:10. In Mattheüs 8:10 lezen we: "En Jezus hoorde (dit) en verwonderde Zich en zei tegen degenen die Hem volgden: 'Voorwaar, Ik zeg u, Ik heb bij niemand in Israël zo'n groot πίστιν (geloof) gevonden.'" Jezus zegt dit in Kafarnaüm tegen een centurio (hoofdman over honderd man). De vier trekken die samen bepalen dat diens geloof door Jezus groot genoemd wordt zijn:
  1. de hoofdman heeft verwachting van Jezus;
  2. de hoofdman stelt zijn vertrouwen op Jezus' welwillendheid;
  3. de hoofdman erkent zijn eigen onwaardigheid;
  4. de hoofdman gelooft in de kracht van Jezus' Woord.[20]
Naast een groot geloof lezen we in de Schrift ook over een klein geloof. In bijvoorbeeld Mattheüs 6:30 spreekt Jezus tegen ὀλιγόπιστοι (kleingelovigen). Het adjectief ὀλιγόπιστος komt 5 keer voor in het Nieuwe Testament: Mattheüs 6:30; 8:26; 14:31; 16:8 en Lukas 12:28. In de LXX komt het niet voor. Een klein geloof komt voor uit het bezorgd zijn (zie Matth. 6:30) en is wel betrokken op Jezus, maar laat de heerschappij van Zijn Woord en Zijn macht niet voluit gelden.[21] Een klein geloof stuit op grenzen die het zelf stelt, terwijl Jezus juist in Zijn bestraffing deze grenzen doorbreekt.[22] Als er bij Petrus in het water (zie Matth. 14:31) en bij de discipelen in de storm op zee (zie Matth. 8:24-26) van een klein geloof gesproken wordt, gaat het er om dat zij vanwege hun vleselijke zorgen en angsten een kleine verwachting van Jezus hebben, niet dat zij maar een klein geloof ontvangen hebben.[23] Van Genderen en Velema wijzen in het kader van de bespreking van de verschillende gesteldheden waarin de gelovige kan verkeren ook op een zwak geloof, waarover we lezen in Markus 9:24.[24] Het gaat in dit vers over een vader van een jongen. De jongen heeft een geest die veroorzaakt dat hij niet kan praten (zie Markus 9:17).[25] De vader roept met tranen en zegt (tegen Jezus): "Ik geloof, Heere, kom mijn ongeloof te hulp." De discipelen van Jezus konden de jongen niet genezen (zie Markus 9:18). Een zwak geloof is zich bewust van eigen beperktheid en worstelt met eigen gebreken; het verschil met een klein geloof is dat kleingelovigen zich niet bewust zijn van hun eigen gebreken.[26] 

Machiel Lock



[1] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, Utrecht: Uitgeverij Kok, 2013 (4e ongewijzigde druk; 3e druk: 2001) (1e druk: 1992), p. 541
[2] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 541
[3] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 545
[4] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, pp. 545-546
[5] J. Calvijn (vertaald door C.A. de Niet), Institutie. Deel I (boek I.1 – boek III.16), p. 530
[6] J. Calvijn (vertaald door C.A. de Niet), Institutie. Deel I (boek I.1 – boek III.16), p. 537
[7] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 542
[8] Zelf spreek ik liever van "het ware geloof" in plaats van "een waar geloof". Er is immers maar één waar geloof: het geloof dat Jezus Christus de eniggeboren Zoon van God is.
[9] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 546
[10] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, pp. 534-535
[11] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 547
[12] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 547
[13] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 548
[14] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 549. Van Genderen en Velema verwijzen naar Pop, Bijbelse woorden, p. 76. Via Logos Bible Software 5 kom ik erachter dat het werkwoord ἐπιστρέφω 36 keer voorkomt in het Nieuwe Testament. De overige genoemde aantallen in deze zin komen wel overeen met de statistieken die Logos Bible Software 5 geeft.
[15] R. van Kooten, Aan Zijn voeten. Onderwijs en verdieping in de geloofsleer, Heerenveen: Uitgeverij Groen, 2010 (8e druk) (1e druk: 2004), p. 192
[16] R. van Kooten, Aan Zijn voeten. Onderwijs en verdieping in de geloofsleer, p. 203
[17] R. van Kooten, Aan Zijn voeten. Onderwijs en verdieping in de geloofsleer, p. 203
[18] R. van Kooten, Aan Zijn voeten. Onderwijs en verdieping in de geloofsleer, pp. 203-204
[19] R. van Kooten, Aan Zijn voeten. Onderwijs en verdieping in de geloofsleer, p. 205
[20] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 545
[21] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 545
[22] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 545
[23] R. van Kooten, Aan Zijn voeten. Onderwijs en verdieping in de geloofsleer, p. 202
[24] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 545
[25] In Mattheüs 17:15 lezen we dat deze jongen maanziek is.
[26] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 545

woensdag 15 november 2017

De twee werkwoorden voor “liefhebben” in Johannes 21:15-17

Artikel, geschreven door: Machiel Lock, op 15 november 2017

Tijdens de jvk-avond van donderdag 26 oktober jongstleden, toen ik de inleiding hield n.a.v. het hoofdstuk “Liefde” uit het boek Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof (auteur: J.C. Ryle), kwam de vraag op hoe het precies zit met de twee verschillende Griekse werkwoorden die gebruikt worden voor “liefhebben” in Johannes 21:15-17. Tijdens deze avond heb ik gezegd hierop terug te komen. De eerste twee keer dat Jezus aan Petrus vraagt: “Hebt u Mij lief?” gebruikt Jezus het werkwoord ἀγαπάω (spreek uit “agapao”) voor “liefhebben”, de derde keer gebruikt Hij het werkwoord φιλέω (spreek uit “phileo”) voor “liefhebben”. Petrus gebruikt in zijn bevestigende antwoord drie keer het werkwoord φιλέω. Volgens een bekend Nieuwtestamentisch woordenboek, namelijk dat van Walter Bauer, betekenen de beide Griekse werkwoorden (ook in Johannes 21:15-17) “liefhebben”.[1]

De vraag is: welke van deze twee Griekse werkwoorden is sterker uitgedrukt? Of is er geen enkel verschil in betekenis? In de CNT staat dat er geen betekenisverschil tussen de beide werkwoorden is.[2] In de NICNT staat dat het onderscheid veelal hierin gemaakt wordt, dat ἀγαπᾶν een bewuste keuze of voorkeur impliceert, terwijl φιλεῖν wat meer een eenvoudige genegenheid of vriendschap betekent.[3] Tussen deze twee betekenissen zie ik nauwelijks verschil. Immers een bewuste keuze hoeft niet meer te zijn dan een eenvoudige genegenheid. Persoonlijk denk ik dan aan het verschil tussen een eenvoudig kerkgebouw en een kerkgebouw vol pracht en praal. Hoewel pracht en praal natuurlijk bewonderenswaardig zijn, komt iets eenvoudigs heel kernachtig over. Volgens de WBC is het moeilijk te geloven dat Johannes enig verschil in betekenis tussen deze twee werkwoorden bedoelt.[4] De beide Griekse werkwoorden worden in het evangelie naar Johannes gebruikt voor Gods liefde tot mensen (zie 3:16 en 16:27), voor de liefde van de Vader tot de Zoon (zie 3:35 en 5:20), voor de liefde van Jezus tot mensen (zie 11:5 en 11:3), voor de liefde van mensen tot mensen (zie 13:34 en 15:19) en voor de liefde van mensen tot Jezus (zie 8:42 en 16:27).[5] De kerkhervormer Calvijn (1509-1564) gaat in zijn verklaring op Johannes 21:15-17 niet in op de twee verschillende Griekse werkwoorden. Matthew Henry (1662-1714), Engels predikant, schrijft in zijn verklaring op Johannes 21:17 dat φιλέω sterker is dan ἀγαπάω.[6]

In de NICNT en de WBC lees ik ook dat de bedroefdheid van Petrus niet komt doordat Jezus tijdens de derde keer het werkwoord φιλέω gebruikt i.p.v. ἀγαπάω, maar omdat Jezus voor de derde keer precies dezelfde vraag aan hem stelt. Daar sta ik achter, want we lezen in Johannes 21:17 (Statenvertaling, GBS-editie) o.a.: “Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derde male tot hem zeide: Hebt gij Mij lief?” Dat versterkt het uitgangspunt dat er geen verschil in betekenis tussen de twee Griekse werkwoorden moet zijn. Alles overwegende kom ik tot de conclusie dat er niet of nauwelijks verschil in betekenis is tussen de twee betreffende Griekse werkwoorden. In de Statenvertaling worden in Johannes 21:15-17 de beide werkwoorden vertaald met “liefhebben”, terwijl hier in de Herziene Statenvertaling ἀγαπάω vertaald wordt met “liefhebben” en φιλέω met “houden van”. In de HSV wordt hier dus aangegeven dat er in het Grieks twee verschillende werkwoorden worden gebruikt. Tussen “liefhebben” en “houden van” is niet of nauwelijks verschil. Kohlbrugge (1803-1875), gereformeerd theoloog, merkt op dat Petrus na twee keer liever van Jezus gehoord zou hebben: “Nu, welaan! Petrus, dat wil Ik wel geloven, dat gij van Mij houdt, dat gij genegenheid tot Mij gevoelt, dat betwijfel Ik niet in het minst.”[7] Wij worden zo graag geprezen en opgehemeld door God en mensen.[8] Hoe naakt en ontdaan van alle heerlijkheid moet Petrus zich gevoeld hebben, merkt Kohlbrugge op, maar juist op deze manier was Petrus gereed om de schapen van de Heere te weiden.[9] Calvijn merkt bij Johannes 21:17 onder andere op dat al degenen die de zorg van de regering van de kerk op zich nemen, dat diegenen zich ernstig moeten afvragen met welke ijver zij bezield zijn.[10] Gaat het een ambtsdrager in de kerk, ook in zijn ambtelijke arbeid, werkelijk om de Koning van de Kerk, en niet om zichzelf?

Ik denk dat de belangrijkste vraag voor ons persoonlijk leven hierin ligt dat als Jezus de vraag die Hij toen driemaal aan Petrus stelde, aan ons zou stellen, wat zullen wij dan antwoorden? “Hebt u Mij lief?” Hebben wij de Heere Jezus lief? Jezus zegt – zoals we elders in het evangelie naar Johannes lezen (14:6) –: “Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven.” We zijn van nature geneigd om God en onze naaste te haten, lezen we in de Heidelbergse Catechismus, Zondag 2, antwoord 5. Maar de Heere heeft het hier niet bij gelaten. De Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren is (zie Lukas 19:10). Dat gold ook voor Petrus. Kortgeleden had hij zijn Meester zo gruwelijk driemaal verloochend (zie o.a. Johannes 18:12-27). Terwijl hij beloofd had dat hij Jezus niet zou verloochenen (zie Mattheüs 26:35). En nu stelt Jezus driemaal de vraag aan Petrus: “Hebt u Mij lief?” En dan driemaal een bevestigend antwoord van Petrus: “U weet dat ik U liefheb.” Hebben we Jezus lief? Alleen Hij is de Zaligmaker. Zijn komst als mens op de aarde hopen we in het bijzonder eind volgende maand, op 25 en 26 december (de jaarlijkse Kerstdagen), te gedenken. Jezus maakt Zijn volk zalig van hun zonden (zie Mattheüs 1:21).

Johannes 3:16 (Statenvertaling, GBS-editie): “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve [niet verloren ga], maar het eeuwig leven hebbe.”

Machiel Lock
Giessenburg, 15 november 2017



[1] W. Bauer (heruitgave K. en B. Aland), Griechisch-deutsches Wörterbuch zu den Schriften des Neuen Testaments und der frühchristlichen Literatur, Berlin/New York: Walter de Gruyter, 1988 (6e editie, 2e editie: 1928), kolomnrs. 7 en 1713
[2] P.H.R. van Houwelingen, Commentaar op het Nieuwe Testament. Johannes. Het evangelie van het Woord, Kampen: J.H. Kok, 2011 (4e druk, 1e druk: 1997), p. 406
[3] R. Michaels, The New International Commentary on the New Testament. The Gospel of John, Grand Rapids, Michigan / Cambridge, U.K.: William B. Eerdmans, p. 1043
[4] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, Waco (Texas): Woord Books, 1987, p. 394
[5] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 394. [Persoonlijke noot (ML): Deze constatering van de WBC klopt; in deze gevallen wordt in de eerstgenoemde tekst steeds het werkwoord ἀγαπάω gebruikt, en in de tweede genoemde tekst steeds het werkwoord φιλέω.]
[6] M. Henry (vertaling H. Bavinck), Letterlijke en practicale verklaring van het Nieuwe Testament. Tweede deel: Johannes – Handelingen der Apostelen, Kampen: J.H. Kok, derde druk, p. 413
[7] H.F. Kohlbrügge, Schriftverklaringen 24 delen. In hedendaagse grammatica herzien, en in volgorde van de Bijbelboeken geplaatst, in 14 aparte documenten. Elfde document: Johannes 21 – Handelingen der apostelen, Middelburg: Stichting De Gihonbron, 2011, p. 39
[8] H.F. Kohlbrügge, Schriftverklaringen 24 delen. Elfde document: Johannes 21 – Handelingen der apostelen, p. 39
[9] H.F. Kohlbrügge, Schriftverklaringen 24 delen. Elfde document: Johannes 21 – Handelingen der apostelen, p. 39
[10] J. Calvijn (vertaald door G.L. Goris), Het evangelie van Johannes, Goudriaan: W.A. de Groot, 1971, p. 861