zaterdag 30 september 2017

Uitleg over Jesaja 52:13-53:12

Jesaja 52:13-53:12 is een intrigerend gedeelte in de Bijbel. Uit dit gedeelte wordt, voor zover ik weet, het meest geciteerd in het Nieuwe Testament in de Bijbel. 

52:13 Zie, Mijn knecht handelt voorspoedig; hij wordt verhoogd en verheven en zeer hoog. 
In dit vers presenteert YHWH Zijn knecht. In dit vers is er sprake van de stijlfiguur “herhaling”. Maar liefst drie keer achter elkaar wordt er een werkwoord gebruikt in de zin van “verhogen”. De knecht zal handelen met verstand. Volgens de theoloog J.Ch. Bastiaens staat YHWH Zelf garant voor de verhoging van Zijn knecht.[1] De optimistische bewering dat het met de knecht goed zal gaan, is volgens de Word Biblical Commentary (WBC) kenmerkend voor de persoon die gekozen is om YHWH’s werk te doen, en YHWH doet dit door middel van onder andere Zijn knecht Kores.[2] Volgens de WBC slaat de voorspoedige handeling van de knecht dus bijvoorbeeld op Kores. Daar is inderdaad een goede reden voor, want God bevrijdde door middel van Kores het volk Israël uit de ballingschap.

52:14 Zoals velen over u verbaasd zijn geworden, zo verdorven was zijn gezicht, meer dan van iemand; en zijn gedaante, meer dan van mensen.
Dit vers vertoont veel overeenkomst met 53:2b en met 53:3a. In 53:2b staat beschreven dat de knecht geen gestalte heeft dat wij hem bekoord zouden hebben. Ook in 52:14 komt naar voren dat de knecht een verdorven gezicht en gedaante had. In dit vers komt ook naar voren dat velen zich over de knecht ontzet hebben. Dit komt later terug in 53:3a, waarin staat dat hij (de knecht) veracht werd. In 53:3a wordt dus duidelijk dat de knecht nog slechter wordt behandeld.

52:15 Zó zal hij vele volken opschrikken, de koningen zullen hun mond voor hem toehouden; want aan wie het niet verteld was, die zagen het, en aan degenen die het niet gehoord hebben, die begrepen het.
In dit vers wordt de knecht ook aan de volken en aan de koningen geopenbaard. De knecht zal vele volken opschrikken. Dit is niet zo vreemd, zeker als we 52:13 en 52:14 met elkaar vergelijken. Terwijl de knecht in 52:13 uitermate verhoogd zal worden, had de knecht in 52:14 nog een verwrongen gezicht en gedaante. Nu zal hij uitermate verhoogd worden en dat brengt natuurlijk schrik bij de volken en gesloten monden bij de koningen teweeg.[3]

53:1 Wie heeft ons gehoor geloofd? En aan wie is de arm van YHWH geopenbaard?
De schrijver begint met retorische vragen. Het is namelijk het geval dat niemand het had kunnen weten. Het openbaar worden van de arm van YHWH is als je Jesaja 51:5 leest, het grote verlangen van Israël en van de eilanden. De arm van YHWH staat voor de kracht van YHWH. Hier is sprake van een vergelijking. Uiteraard heeft YHWH niet letterlijk een arm. De kracht van God openbaart zich in Jesaja 53 in het lijden van de knecht. 

53:2 Want hij is als een loot opgeschoten voor zijn gezicht, als een wortel uit een land van droogte; geen uiterlijk (was) aan hem en geen heerlijkheid; toen wij hem aanzagen, was er geen aanzien dat wij hem bekoord zouden hebben.
Er worden in dit vers twee beelden uit de plantenwereld als vergelijking met de knecht van YHWH gebruikt. Het eerste is een rijsje (een loot), het tweede is een wortel uit een land van droogte. Hier is dus twee maal sprake van de stijlfiguur “simile”. Bij de loot in dit vers valt te denken aan חֹטֶר in Jesaja 11:1. Dit roept het beeld op van een nieuw en nietig leven. De wortel uit een land van droogte roept het beeld op van een moeilijke ondergrond en een ongemakkelijke groei.

53:3 Hij was veracht en de onbelangrijkste onder de mensen, een man van smarten en een bekende van ziekte, en als iemand voor wie men het gezicht verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht.
De schrijver zegt in dit vers dat de knecht verzocht werd door ziekte. Hij komt terug op 52:14, waarin beschreven staat dat velen zich over de knecht ontzet hebben.
Volgens Bastiaens ligt in het vorige vers (vers 2) het accent op de uitwerking van de verschijning van de knecht aan de wij-figuur; hier (vers 3) gaat het volgens hem expliciet over de houding die de wij-figuur jegens de knecht aannam; in de ogen van de wij-figuur was de knecht namelijk een vergankelijk persoon.[4]
Volgens de WBC begint dit vers zelfstandig, zonder aansluiting op het vorige vers: het thema is hetzelfde, maar het gaat over een andere persoon. De wij-figuur is volgens dit commentaar minder bezig met haar eerdere gebrek aan de ondersteuning voor Darius. “Hij was veracht en de onbelangrijkste onder de mensen” kan volgens dit commentaar verwijzen naar het protest dat Zerubbabel kreeg, dat vermeld wordt in Ezra 3:1-5 en 5:2-4.[5] Hoewel de knecht onder andere naar Zerubbabel kan verwijzen, gaat het mij te ver om te stellen dat het nu om een ander persoon gaat dan in het vorige vers. We zien juist sterke gelijkenis tussen vers 2b en vers 3a, zoals ik eerder schreef. Bovendien lezen we in de tekst zelf niet dat het nu om een ander persoon zou gaan.

53:4 Maar werkelijk, onze ziekten heeft híj op zich genomen, en onze smarten heeft hij gedragen, maar wíj achtten hem (als) een geplaagde, een geslagene van God en een vernederde.
In de vorige verzen ging het met name om het feit hoe “wij” over de knecht dachten, nu gaat de schrijver over op hetgeen de knecht voor ons heeft gedaan. De knecht heeft onze ziekten op zich genomen en onze smarten gedragen. Dit zijn de dingen die “wij” over hem dachten. Hoewel in de vorige verzen wel aangegeven wordt dat de knecht vertrouwd was met ziekte en dat hij als een loot is opgeschoten en uit een dorre aarde is gekomen, wordt er in die verzen niet gesproken over hetgeen de knecht voor ons gedaan heeft. In dit vers (53:4) komen we te weten dat hij onze ziekten op zich heeft genomen. Opvallend is dat er in het tweede gedeelte van dit vers weer overgegaan wordt op het feit hoe de knecht door de “wij”-figuur geacht werd.

53:5 Maar híj is om onze overtredingen verwond, om onze zonden is hij verbrijzeld, de straf die ons (de) vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.
Dit vers vertoont veel gelijkenis met 53:3. In 53:5 is het taalgebruik wel een stuk steviger geworden. Terwijl het in 53:3 nog ging over de ziekte en de smarten, gaat het in dit vers over de zonde, de ongerechtigheid en de straf. Ook kunnen we dit vers beschouwen als een vervolg op 53:4a. In 53:5 wordt immers weer geschetst wat de knecht voor ons gedaan heeft. De knecht is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld, de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem. Ook kan dit vers als een soort reactie op het vorige vers gezien worden. Terwijl “wij” meenden dat de knecht zo moest lijden omdat hij dit door zijn eigen zonden en overtredingen verdiend zou hebben, wordt in dit vers duidelijk dat hij zo moest lijden om “onze” overtredingen op zich te nemen.

53:6 Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een ieder naar zijn weg, maar YHWH heeft op hem doen neerkomen de ongerechtigheid van ons allen.
Wij zijn afgedwaald van de weg die God ons in Zijn wet heeft voorgeschreven. Wij hebben de weg bewandeld die een ieder voor zichzelf had uitgekozen. In dit vers wordt de belijdenis diepgaander, omdat de ontrouw nu wordt uitgedrukt in een beeld. In dit vers lezen we tweemaal dat wij hebben gedwaald en gezondigd. Hiermee is het antwoord gegeven op de (retorische) vraag van 53:1: in leven en optreden van de knecht is de arm van YHWH voor niemand zichtbaar geworden. De term “iedereen” verscherpt verder het contrast tussen de knecht die ziekten gedragen heeft, en “wij allen” die eigen wegen hebben gekozen.[6] Hier hebben dus we dus opnieuw te maken met retoriek (een stijlfiguur). Er is hier sprake van een “simile”, “ons” dwalen en “ons” keren naar een eigen weg, “wij” worden vergeleken met het dwalen van schapen. Hier is dus sprake van een vergelijking. Dit is een stijlfiguur, die een vergelijking maakt tussen twee ongelijke dingen. Dwalende mensen worden hier vergeleken met dwalende schapen. In dit vers is er tevens sprake van een metafoor. Het dwalen (van de schapen) is een metafoor voor de zonden. Met het dwalen als schapen worden de zondige mensen bedoeld.

53:7 Hij werd mishandeld en hij werd verdrukt, maar hij doet zijn mond niet open; als een lam wordt hij naar de slacht geleid, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, doet hij zijn mond niet open.
Hier komt het woord “schaap” weer terug. Ook in het vorige vers wordt het woord “schaap” gebruikt. Volgens Bastiaens krijgt op deze wijze in 53:7 een licht contrast vorm: terwijl de wij-figuur te vergelijken is met een dolend schaap dat zijn eigen wegen gaat, blijkt de knecht juist het tegenovergestelde te zijn: namelijk een schaap dat zich wel laat leiden en geen eigen weg kiest.[7]

53:8 Hij is uit de angst en uit het vonnis weggenomen en wie zal de duur van zijn periode uitspreken?  Want hij is afgesneden uit het land der levenden, om de zonden van mijn volk werd hij geslagen.
53:9 En men stelde zijn graf bij de goddelozen, en hij is bij de rijke in zijn dood geweest, omdat hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in zijn mond geweest is. 
De verzen 53:8 en 53:9 gaan over het sterven en het graf van de knecht, terwijl het in de vorige verzen over het lijden van de knecht gaat. In 53:8 is er sprake van een hendiadys in het eerste gedeelte. In plaats van “het angstige vonnis” spreekt de profeet hier van “angst en vonnis”. Een vonnis is namelijk iets negatiefs. Een vonnis kan dan uiteraard ook heel goed angstig zijn. Een mens weet namelijk nooit (zeker) hoe zijn of haar vonnis zal uitvallen. Dat geldt zeker voor de knecht, als er in 53:3 vermeld staat dat de knecht door de wij-figuur veracht werd. Als we dit weten, dan kun we met recht zeggen dat het bij de knecht om een angstig vonnis gaat.

53:10 Maar YHWH wilde hem verbrijzelen, Hij heeft (hem) ziek gemaakt, als zijn ziel (tot) een schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nageslacht zien, hij zal de dagen verlengen, de wil van YHWH zal door zijn hand voorspoedig zijn.
In dit vers wordt nu ook de dood van de knecht in verband gebracht met het welgevallen van YHWH.[8] In 53:10b spreekt de wij-figuur haar verwachting uit dat het welbehagen van YHWH zal slagen, dankzij het offer van de knecht. Immers heeft Kores weliswaar zijn welbehagen volbracht door Babel ten val te laten brengen en de mogelijkheid te bieden van de terugkeer en de wederopbouw van het verwoeste land, na hem zijn er weer nieuwe dingen te realiseren die het welbehagen van YHWH aangaan.[9]

Ondanks dat de WBC Jesaja 52:13 betrekt op onder andere Kores, stelt dit commentaar toch ook dat er in Jesaja 53 sprake is van een (ander) gewillig persoon. Vanaf Jesaja 53:4 komt nadrukkelijker datgene naar voren wat van vitaal belang is voor het geloof van zowel de Joden als de christenen, en dat is het principe van de plaatsvervangende verzoening. Niet alleen door middel van het offeren van dieren, maar nu ook via een gewillig persoon. Dit is een effectieve verzoening: de ontvangers hiervan zijn gered door het offer. Zij belijden hun schuld en erkennen dat hij voor hen gestorven is (53:4-6) en het soevereine akkoord is te herkennen aan het verzoenende effect (53:10-12).[10]

53:11 Om de moeite van zijn ziel zal hij het zien, verzadigd worden; door zijn kennis zal Mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want híj zal hun wandaden op zich nemen.
Ook dit vers spreekt over "het opnemen van de wandaden van het volk". De knecht neemt deze wandaden op zich, zoals ook in 53:4, waarin vermeld staat dat hij al onze ziekten op zich heeft genomen. Op eenzelfde wijze staat het ook in het laatste gedeelte van 53:11.

53:12 Daarom ken Ik hem een plaats toe onder velen, en hij zal met machtigen delen in de buit, omdat hij zijn leven heeft prijsgegeven aan de dood, en onder de overtreders is geteld, en híj de zonden van velen gedragen heeft, en hij voor de overtreders heeft gebeden.
In dit vers komen opnieuw de dood en de overtreders aan de orde, en ook de zonden van de velen en de overtreders komen opnieuw terug. Het eerste gedeelte van dit vers komt in het licht van het gehele vers wel als eerste naar voren.


Tot slot
Tot zover mijn uitleg over Jesaja 52:13-53:12. Misschien is het u opgevallen dat ik de knecht die in dit gedeelte naar voren komt, niet toepas op de Heere Jezus Christus. Dat is een terechte opmerking. Ik heb het gedeelte behandeld vanuit de historische context. Het zou heel goed kunnen zijn dat met de knecht in eerste instantie iemand anders bedoeld wordt. Jesaja schrijft immers niet wie de knecht is die hij beschrijft. Maar ook voor dit gedeelte geldt dat er sprake is van sensus plenior. In dit gedeelte gaat het over een knecht die veracht werd en door zijn lijden ontvangen mensen genezing. Dat is voor niemand anders in zo'n grote mate van toepassing dan op Jezus Christus. De knecht die naar voren komt in Jesaja 52:13-53:12 is ten volle vervuld in Christus. Dat blijkt uit het gehele Nieuwe Testament. In Handelingen 8 lezen we bijvoorbeeld dat er een kamerheer uit Ethiopië in zijn wagen Jesaja 53 aan het lezen was. Filippus mocht bij hem in de wagen zitten en betrok de knecht op Jezus. De kamerheer zegt dat hij gelooft dat Jezus Christus de Zoon van God is. Laten we hieraan een voorbeeld nemen!

Machiel Lock




[1] J.Ch. Bastiaens, Interpretaties van Jesaja 53. Een intertextueel onderzoek naar de lijdende Knecht in Jes 53 (MT/LXX) en in Lk 22:14-38, Hand 3:12-26, Hand 4:23-31 en Hand 8:26-40, Tilburg: Tilburg University Press, 1993, p. 41
[2] J.D.W. Watts, Word Biblical Commentary, deel 25: Isaiah 34-66, p. 228
[3] J.Ch. Bastiaens, Interpretaties van Jesaja 53, p. 43
[4] J.Ch. Bastiaens, Interpretaties van Jesaja 53, p. 46
[5] J.D.W. Watts, Word Biblical Commentary, deel 25, p. 230
[6] J.Ch. Bastiaens, Interpretaties van Jesaja 53, p. 49
[7] J.Ch. Bastiaens, Interpretaties van Jesaja 53, p. 52
[8] J.Ch. Bastiaens, Interpretaties van Jesaja 53, p. 55
[9] J.Ch. Bastiaens, Interpretaties van Jesaja 53, p. 57
[10] J.D.W. Watts, Word Biblical Commentary, deel 25, p. 233

donderdag 31 augustus 2017

Welke soorten kerkzang bestaan er tegenwoordig in Nederland?


Het lijkt me goed om eens stil te staan bij de soorten kerkzang die er tegenwoordig zijn. Ik beperk me in dit artikel hoofdzakelijk tot alleen Nederland.

De Psalmen nemen sinds het begin van de christelijke kerk een voorname plaats in de liturgie en ook in het gebed. Het protestantisme zingt met name de berijmde Psalmen en een aantal (per kerk verschillend) gezangen. De berijming "Laus Deo salus populo" (1773), ook wel de "oude psalmberijming" genoemd, is in een deel van deze kerken nog altijd in gebruik. Wel zijn in de hervormde bundel van 1938 enkele fouten in ritmiek en melodie verbeterd. Met goedkeuring van de Interkerkelijke Stichting voor de Psalmberijming verscheen in 1961 als proef en in 1968 definitief een nieuwe psalmberijming waaraan vele hedendaagse dichters meewerkten. Deze berijming staat bekend als de "nieuwe psalmberijming", is in het in 1973 verschenen Liedboek voor de Kerken opgenomen en in een groot aantal kerken ingevoerd. In de anglicaanse kerken worden de Psalmen onberijmd gezongen, evenals in lutherse kerken in de Verenigde Staten. In de nieuwe liturgische boeken van de Rooms-Katholieke Kerk, zoals het Graduale simplex, is nog steeds antifonaal en responsoriaal psalmgezang te vinden. In de Latijnse mis worden psalmdelen vooral gebruikt bij de intocht, tussen de lezingen, als tussenzang en als gezang tijdens de offerande en de communie.

Naast de Psalmen spelen ook gezangen een belangrijke rol in de protestantse kerken. In het bevindelijk-gereformeerd protestantisme wil men de in de kerkdienst te zingen gezangen beperken tot liederen waarvan geacht wordt dat de stof hiervan rechtstreeks ontleend is aan de Bijbel. Deze opvatting leeft vooral bij leden van de bevindelijk-gereformeerde kerken (is een gedeelte van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland, de (Oud) Gereformeerde Gemeenten (in Nederland), een gedeelte van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland en de Hersteld Hervormde Kerk). In deze kerken heeft men de keuze uit slechts 12 gezangen om te zingen tijdens de erediensten. Andere kerken staan hier anders in. Nadat in 1933 een bundel van 29 gezangen ingevoerd werd, volgde een grondige herziening en uitbreiding. Hierbij kwam het tot een nauwe samenwerking tussen commissies vanuit hervormden en gereformeerden, waarbij zij tekst en melodie in verband met elkaar brachten. In 1961 kwam in de gereformeerde kerken een bundel van 119 gezangen tot stand. Onderling overleg leidde in 1972 tot de vorming van de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied, waarin hervormden, gereformeerden, remonstranten, lutheranen en doopsgezinden samenwerkten. In 1973 verscheen het Liedboek voor de Kerken (met hierin 491 gezangen naast de Psalmen), dat door de meeste protestantse kerkelijke gemeenten ingevoerd werd als leidraad voor de samenzang in de kerkdiensten en in het overige kerkelijke leven. In 2013 verscheen opnieuw een nieuw liedboek: "Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk". De redenen hiervoor zijn (zie: http://www.liedboek.nl/over-het-liedboek/waarom-een-nieuw-liedboek): er zijn sinds 1973 veel nieuwe liederen verschenen, er was behoefte aan andersoortige liederen (veel kerken zijn sinds 1973 pluriformer geworden) en de kerkdiensten zien er anders uit dan in 1973. Vele kerkelijke gemeenten hebben dit liedboek aanvaard als vervanging van het liedboek uit 1973.

Een ander soort christelijke zang is de hymne. Het woord "hymne" kent zowel een wereldlijke als een christelijke betekenis. De wereldse betekenis van "hymne" is: nationaal volkslied. De christelijke betekenis van "hymne" is: gewijde muziek tot eer van God. In Engeland is de betekenis weer iets anders: een hymn is daar synoniem voor kerklied.

De gregoriaanse zang komt oorspronkelijk van paus Gregorius de Grote, die rond het jaar 540 geboren werd. Tussen 589 en 604 was hij paus. Het Romeinse gezang bouwde hij opnieuw op en hij herzag deze. In zijn poging om de kerk van Rome te versterken, moedigde Gregorius sterk de gelijkvormigheid van de stijlen in de eredienst aan. De verschillende Latijnse liturgieën werden opgenomen in die van Rome. Gregoriaanse zang is eenstemmig. De gregoriaanse gezangen zijn grotendeels gezet op Schriftteksten; om die reden heeft het gregoriaans een grote religieuze waarde en is zij niet voor niets nog steeds de eerste liturgische zang van de kerk. Het gregoriaans is gezongen tekst. Tegenwoordig wordt gregoriaans nog in verschillende abdijen, onder andere in Nederland, gezongen. Er bestaan ongeveer 3000 gregoriaanse gezangen.

De Opwekkingsliederen worden in veel christelijke kerken gezongen. Aanvankelijk alleen binnen de pinksterkerken, later ook in andere kerken (bijvoorbeeld in evangelische- en baptistenkerken). Er worden ook in de charismatische beweging van de Rooms-Katholieke Kerk Opwekkingsliederen gezongen. Opwekkingsliederen worden begeleid door een praiseband in plaats van een orgel. Vooral veel jongeren vinden deze liederen meer aanspreken dan bijvoorbeeld de Psalmen en de gezangen. Binnen de reformatorische gezindte bestaan veel bezwaren tegen deze liederen, maar ook tegen de wijze van muziek. Hoe komt het dat de evangelische- en de pinkstergemeenten deze zang hebben? Omdat ik benieuwd was hoe het er in zo'n gemeente aan toe gaat, ben ik zelf in een dergelijke gemeente op bezoek geweest. Ik raakte in gesprek met een lid van de betreffende gemeente en hij zei dat het niet uitmaakt in welke kerk je zit. Dat is naar mijn mening deels waar, want het gaat ten diepste om bekering, in welke kerk je ook zit; toch dienen we er ook op te letten dat het Woord zoveel mogelijk zuiver gepreekt wordt. In de kerk van het betreffende lid stonden verschillende drumstellen opgesteld en er waren gitaren aanwezig. Hij zei ook dat er verschillende mensen vanuit een gereformeerde kerk zich bij zijn gemeente aangesloten hebben. Hoe zou dit komen? Ik denk dat de muziek en de tekst van de Opwekkingsliederen gerichter en gemakkelijker te begrijpen zijn dan de psalm- en de gezangteksten en de melodieën hiervan.

Nog een ander soort is de gospel of de gospelmuziek. De gospelmuziek komt oorspronkelijk uit de Verenigde Staten. De slaven uit Afrika brachten deze muziek mee. De muziek richt zich voornamelijk op het leven na de dood. Omdat de term "gospel" nauwelijks meer gebruikt wordt in het christendom, wordt deze tegenwoordig ook wel aangeduid als "black gospel". Enkele gospelartiesten zijn Michael W. Smith, Stacie Orrico en Curtis Chapman. Gospelmuziek wordt echter niet zozeer als samenzang in de kerk gebruikt, hoewel bepaalde onderdelen, bijvoorbeeld Worship, wel binnen bijvoorbeeld pinkstergemeenten gebruikt worden. In de gereformeerde gezindte is men vaak negatief over gospel, maar we moeten natuurlijk rekening houden met de afkomst van deze muziek. Gospelmuziek wordt vooral gemaakt door negroïde mensen. Ze zijn op deze manier gewend om God te eren. Deze mensen kennen vaak de Psalmen bijvoorbeeld weer niet. Toch denk ik dat het de voorkeur verdient om de Psalmen te zingen, omdat de gospelmuziek zich kenmerkt door een niet altijd Bijbelvaste tekst en een muzieksoort die niet of nauwelijks van popmuziek te onderscheiden is.

Hoe bepalen we welke zang het meest verantwoord is? We kunnen op de tekst letten. Ook kunnen we letten op de stijl van de muziek. We kunnen ook kijken naar wat de Bijbel hierover zegt. Het is niet verkeerd om naast de Psalmen ook gezangen en geestelijke liederen te zingen (zie Efeze 5:19 en Kolossenzen 3:16). Dat geldt dus ook voor in de kerkdienst. Wel denk ik dat juist in de Psalmen, naast het feit dat deze in de Bijbel zijn opgenomen, veel heilsfeiten en vele stadia in het christenleven naar voren komen. Jezus zegt ook dat alles wat over Hem geschreven staat in de Wet van Mozes, en in de Profeten, en in de Psalmen, vervuld is geworden (zie Lukas 24:44). Niet voor niets werd door de bekende kerkhervormer Maarten Luther de Psalmen "de Bijbel in het klein" genoemd. Wel denk ik dat de opstanding van Christus wat minder naar voren komt in de Psalmen, hoewel dat ook niet afwezig is. In Psalm 22 bijvoorbeeld zingt allereerst David over zijn lijden (het is een Psalm van David, zie het eerste vers), maar het lijden dat in deze Psalm naar voren komt, is wel het meest vervuld in Jezus Christus. Maar het blijft niet alleen bij het lijden: de HEERE heeft de ellendige niet verlaten (zie vers 25). De HEERE komt om de aarde te oordelen (zie Psalm 98:9). De Heere Jezus Christus zal bij Zijn wederkomst de levenden en de doden oordelen (zie 2 Timotheüs 4:1). 

David schrijft dat de Heere hem een nieuw lied gaf (zie Psalm 40:4). Meerdere Bijbelse personen zongen tot eer van God en dat bleef zeker niet zonder gevolgen. Paulus en Silas zongen en de deuren van de gevangenis waar ze in geworpen waren, gingen open (zie Handelingen 16:25-26). Ze zongen niet voor eigen eer of voor geld. Het vermaant ons om God te zoeken met geheel ons hart. Dat onze zang tot eer is van de levende God.

Psalm 40:2 (psalmberijming 1773)
Hij geeft m'opnieuw een danklied tot Zijn eer,
Een lofzang; velen zullen 't zien,
En God eerbiedig hulde biên;
Hem vrezen, en vertrouwen op den HEER'.
Wel hem die 't Opperwezen
Dus kinderlijk mag vrezen,
Op Hem vertrouwen stelt,
En, in gevaar, geen kracht
Van ijd'le trotsaards wacht;
Van leugen, of geweld.

Zingen: http://www.online-bijbel.nl/psalm/40/2
Zingen: http://www.psalmboek.nl/zingen.php?psID=40&psvID=2


Machiel Lock