dinsdag 31 oktober 2017

Liefde

Afgelopen donderdag (26 oktober) hield ik een inleiding voor de jongvolwassenenkring in de kerkelijke gemeente waarvan ik lid ben. Hieronder volgt mijn uitgeschreven inleiding.

Jongvolwassenenkring 26-10-2017
Thema: liefde, n.a.v. hoofdstuk “Liefde” uit J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, Utrecht: De Groot Goudriaan, 2017 (11e druk, 1e druk: 1997)
Inleiding geschreven door: Machiel Lock

Zingen: Psalm 133:1,2,3
Lezen: 1 Korinthe 13:1-13

De anglicaanse bisschop John Charles Ryle (1816-1900) schreef in zijn boek “Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof” een hoofdstuk over ‘liefde’. De Bijbeltekst die hij aan het begin van dit hoofdstuk noemt, is een vers uit het hoofdstuk dat we zojuist lazen: 1 Korinthe 13:13.

Ryle schrijft dat “liefde” niet één van ‘die moeilijke christelijke dogma’s’ is waar christenen het niet met elkaar over eens zijn.[1] Toch schrijft hij ook dat hij het met duizenden opvattingen over liefde niet eens is.[2]

Laat ik beginnen met het stellen van een vraag aan jullie. Hoe zou jij het woord “liefde” omschrijven? Wat betekent dit woord volgens jou? Beschrijf dit zo kort mogelijk op het blaadje dat je hebt gekregen. Het mag een korte zin zijn, maar je mag ook andere woorden voor “liefde” opschrijven die volgens jou hetzelfde betekenen.

Voor de aardigheid heb ik opgezocht wat volgens het Van Dale-woordenboek de betekenis van “liefde” is. Van Dale geeft drie betekenissen:
1.      warme genegenheid
2.      oprechte en warme belangstelling; het prijs stellen op
3.      voorwerp van liefde[3]

Volgens Ryle wordt liefde terecht genoemd ‘de koningin van de christelijke genadeweldaden’.[4]

De inleiding voor deze avond verdeel ik, conform het hoofdstuk “Liefde” uit het genoemde boek van Ryle, in vier punten:
1.      Hoe spreekt de Bijbel over ‘liefde’?
2.      Wat betekent ‘de Bijbelse liefde’?
3.      Waar komt ‘echte liefde’ vandaan?
4.      Waarom is ‘liefde’ de grootste van alle genadeweldaden?


Ten eerste dus: “Hoe spreekt de Bijbel over ‘liefde’?”

Ryle gaat in zijn hoofdstuk “Liefde” al snel te rade in de Bijbel. Hij onderzoekt wat het Nieuwe Testament over “liefde” zegt. Dat is een goed uitgangspunt. Want alleen de Bijbel is het Woord van God. Ryle schrijft: “Er bestaat geen zekerder manier om de waarheid te vinden, dan ons eenvoudigweg tot de tekst te wenden. Bijbelteksten waren de wapens van onze Heere, Die Hij gebruikte bij de weerlegging van satan, en in Zijn twistgesprekken met de Joden. Teksten zijn de gidsen, waar wij ons in onze huidige tijd nimmer voor moeten schamen om naar te verwijzen.”[5]

In de grondtekst (het Grieks) wordt voor het woord “liefde” in 1 Korinthe 13 het woord ἀγάπη gebruikt. Dit woord wordt in dit hoofdstuk maar liefst 9 keer genoemd. In de hoofdtekst van het Nieuwe Testament in de 27e editie van Nestle-Aland komt dit woord 116 keer voor. Dit kun je in de grafiek zien. In het Bijbelboek 1 Johannes komt dit woord het meeste voor: 18 keer. Johannes wordt vaak “de apostel van de liefde” genoemd.

Ryle noemt onder het eerste punt van zijn hoofdstuk “Liefde” in het boek “Christen-zijn in het dagelijks leven” de volgende Bijbelteksten, en in al deze teksten staat in de grondtekst voor het woord ‘liefde’ het woord ἀγάπη (citaten uit de Statenvertaling, GBS-editie):
·        1 Korinthe 13:1-3: “Al ware het dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden. En al ware het dat ik de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap, en al ware het dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets. En al ware het dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het dat ik mijn lichaam overgaf opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven.”
·        Kolossenzen 3:14: “En boven dit alles doet aan de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid.”
·        1 Timotheüs 1:5: “Maar het einde des gebod is liefde uit een rein hart en uit een goede consciëntie en uit een ongeveinsd geloof.” Herziene Statenvertaling: “Het einddoel nu van het gebod is liefde die voortkomt uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof.”
·        1 Petrus 4:8: “Maar vooral hebt vurige liefde tot elkander; want de liefde zal menigte van zonden bedekken.”
·        Johannes 13:34-35: “Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt. Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander.”
·        Romeinen 13:8: “Zijt niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben; want die den ander liefheeft, die heeft de wet vervuld.”
·        Efeze 5:2: “En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer Gode, tot een welriekenden reuk.”
·        1 Johannes 4:7-8: “Geliefden, laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een iegelijk die liefheeft, is uit God geboren en kent God. Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend; want God is Liefde.”

Voor Ryle zijn deze teksten “zeer duidelijk, eenvoudig en onweerlegbaar. Zij tonen het grote belang van de liefde aan als één van de dingen die met de behoudenis gepaard gaan. Zij laten zien dat allen die zich christenen noemen, hieraan terecht aandacht moeten besteden en dat degenen die dit onderwerp [dit is het onderwerp “liefde”] van minder belang achten, duidelijk blijk geven de Schrift niet te verstaan.”[6]

Vraag: weet je nog meer Bijbelteksten die over “liefde” gaan?

Een Bijbeltekst die Ryle wel in zijn boek noemt, maar niet met de vindplaats erbij, is Mattheüs 22:37-40. Aan deze Bijbeltekst denk ik zelf in eerste instantie als ik het woord ‘liefde’ hoor. Deze tekst horen we ook elke zondagmorgen in de kerk. We lezen hierin dat Jezus zegt: “Gij zult liefhebben den Heere uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten.” Hier wordt voor “liefhebben” het werkwoord ἀγαπάω gebruikt, dat hoort bij het zelfstandig naamwoord ἀγάπη.

De Heere Jezus zegt dit als antwoord aan een wetgeleerde, die Hem op de proef stelt. “Meester, wat is het grote gebod in de wet?” vroeg deze wetgeleerde. Jezus kon nauwelijks een nog herkenbaarder antwoord geven.[7] Bij de wetgeleerde zal dus meteen een belletje gerinkeld moeten hebben. Het eerste en grote gebod, dat Jezus noemt, komt vrijwel overeen met wat we lezen in Deuteronomium 6:4-6. In deze tekst uit Deuteronomium lezen we: “Hoor, Israël, de HEERE onze God is een enig HEERE. Zo zult gij den HEERE uw God liefhebben, met uw ganse hart en met uw ganse ziel en met al uw vermogen. En deze woorden die ik u heden gebied, zullen in uw hart zijn.”[8] In Deuteronomium lezen we “vermogen” in plaats van “verstand”. Calvijn schrijft dat de Israëlieten onder het woord “hart” ook het “verstand” verstaan, vooral wanneer dit woord verbonden is met het woord “ziel”. [9] Het bevel om God lief te hebben met je gehele hart, met je gehele ziel en met je gehele verstand betekent dat je God moet liefhebben met je gehele wezen, niet met slechts een enkele gave en alle andere niet.[10]

Het tweede gebod, dat Jezus noemt, komen we ook tegen in het Oude Testament, namelijk in Leviticus 19:18, waar staat: “Gij zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben de HEERE.”[11] Deze twee geboden gaan overigens wel samen op. Het is niet mogelijk om God wel lief te hebben en tegelijkertijd je naaste niet lief te hebben, en andersom is ook niet mogelijk. In 1 Johannes 4:20 lezen we immers: “Indien iemand zegt: Ik heb God lief, en haat zijn broeder, die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, Dien hij niet gezien heeft?”

Bij het woord ‘liefde’ denk ik in het bijzonder ook nog aan een andere Bijbeltekst, die nog niet genoemd is. Dat is Johannes 3:16. Daar staat: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve [niet verloren gaat], maar het eeuwige leven hebbe.”

De christelijk-gereformeerde theologen J. van Genderen en W.H. Velema geven vier kenmerken van de liefde van God:
1.      de liefde van God is onvergelijkbaar en onmetelijk
2.    de liefde van God is soevereine liefde (het is de liefde die in God Zelf gegrond is en niet in iets wat buiten Hem is)
3.      de liefde van God is barmhartige liefde
4.      de liefde van God is heilige liefde[12]

Er wordt in het Nieuwe Testament nog een ander woord gebruikt dat met “liefde” vertaald wordt, namelijk φιλία, met als bijbehorende werkwoord φιλέω. Het andere werkwoord “liefhebben” in het Nieuwe Testament is, zoals ik net zei: ἀγαπάω. Heel treffend lezen we de beide werkwoorden bij elkaar in Johannes 21:15-17. De eerste twee keer dat Jezus de vraag “Hebt u Mij lief?” aan Petrus stelt, gebruikt Hij het werkwoord ἀγαπάω, maar de derde keer gebruikt Hij het werkwoord φιλέω. Petrus gebruikt in zijn antwoord “Heere, U weet dat ik U liefheb” driemaal het werkwoord φιλέω. Het werkwoord φιλέω betekent in Johannes 21:15-16 “liefhebben, graag hebben; kussen”[13], evenals ἀγαπάω: “liefhebben”.[14]


Ten tweede: “Wat betekent ‘de Bijbelse liefde’?”

Ryle noemt drie zaken om aan te tonen wat het woord ‘liefde’ vanuit Bijbels oogpunt betekent (zie J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 133):
1.      “De Bijbelse liefde komt tot uiting in de daden van de gelovige. Daardoor kan hij [de gelovige] tegenover een ieder die hij ontmoet vriendelijk handelen  ̶  zowel in lichamelijk als in geestelijk opzicht.”
2.      De Bijbelse liefde, de Schriftuurlijke oftewel de ware liefde dus, komt volgens Ryle ook tot uiting in de bereidheid van de gelovige om zowel het kwade te verdragen als het goede te doen. Als de gelovige getergd wordt, zal hij geduld hebben, als hij gekwetst wordt, zal hij vergeven, als hij ten onrechte aangevallen wordt, zal hij zachtmoedig reageren en als hij belasterd wordt, zal hij kalm blijven. Ryle schrijft hier nog meer bij, maar dit treft me persoonlijk wel: “Ware liefde vraagt niet altijd: ‘Wat zijn mijn rechten? Word ik behandeld zoals ik verdiend heb?’, maar: ‘Hoe kan ik het beste de vrede bevorderen? Wat kan ik doen om de ander te stichten?’”
3.      Als derde schrijft Ryle in dit kader dat de Bijbelse liefde tot uiting komt in de geest en de houding van de gelovige in zijn algemeenheid. De Bijbelse liefde betekent dat je vriendelijk, opofferend, goedaardig, goedgehumeurd bent en met anderen rekening houdt. Ryle schrijft: “Ware liefde is nooit jaloers op anderen als zij succes hebben, noch verheugt zij zich als anderen door rampen getroffen worden. Ten allen tijde zal zij geloven en hopen en proberen het goede te zoeken voor anderen. En zelfs in het ergste geval zal ze vol medelijden, genade en ontferming zijn.”

Schriftuurlijke liefde is die ‘liefde’ die Paulus als eerste noemt onder de vruchten van de Geest, die in het hart van een gelovige tot uiting komen: ‘De vrucht van de Geest is liefde’ (Gal. 5:22).[15]

Ryle noemt ook drie punten waarin de Bijbelse liefde niet bestaat (zie J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, pp. 131-132):
1.      De Bijbelse liefde bestaat niet enkel in het geven aan de armen. Dat iemand die deze liefde wel bezit, de armen zal gedenken, daarover kan natuurlijk geen twijfel bestaan (Gal. 2:10). Maar het kan volgens Ryle wel zijn dat we een fortuin aan geld, soep, wijn, brood, kolen, dekens en kleding aan arme mensen geven en toch niets van de Bijbelse liefde bezitten.
2.      De Bijbelse liefde betekent volgens Ryle ook niet dat we nooit iemands gedrag zullen veroordelen. Als bijvoorbeeld je buurman een dronkaard, een leugenaar, een sabbatschender, een overspeler is, mag je, zo maakt Ryle duidelijk, niet zeggen dat het niet van liefde getuigt om hem daarom te veroordelen.
3.      De Bijbelse liefde bestaat er ten derde niet in dat je nooit je afkeuring mag geven over iemands godsdienstige opvattingen. Ware liefde roept uit: ‘Gelooft niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld’ (zie 1 Joh. 4:1). Wel wil ik persoonlijk hieraan toevoegen dat je niet boven de ander mag staan. Een ware christen zal altijd rekening houden met hetgeen Paulus schrijft in Filippenzen 2:3: “Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelven.”

Ryle schrijft dat we in de Heere Jezus Christus het ware Patroon van liefde kunnen vinden. “Al Zijn [Jezus’] handelingen gaven blijk van die [echte] liefde. In Zijn dagelijks leven was Hij voortdurend bezig ‘goed te doen’… ‘Die [Jezus], als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde’ (1 Petr. 2:23). Uit Zijn [Jezus’] hele geest en houding bleek die [ware] liefde. De wet der vriendelijkheid was voortdurend op Zijn lippen.”[16] Maar Ryle schrijft vervolgens ook dat Jezus zondaren nooit naar de mond praatte of hun zonden door de vingers zag.[17] Dit moeten we inderdaad ook goed voor ogen houden. Denk eens nog aan de punten die ik zojuist noemde.

Ryle merkt op dat er maar verschrikkelijk weinig liefde op aarde is. Hij schrijft: “Wat is er opvallend weinig sprake van liefde onder christenen! Ik heb het nu niet over heidenen, maar over christenen. Wat een boosheid, wat een hartstochten, wat een zelfzucht zien we en wat een harde woorden horen we in gezinnen! Wat een ruzie, wat een twist, wat een wrok, wat een gemeenheid, wat een wraak en wat een jaloezie zien en horen we onder buren en gemeenteleden! Wat een naijver en twist zien we tussen leden van de staatskerk en leden van de afgescheidenen, tussen calvinisten en arminianen, tussen hoogkerkelijken en laagkerkelijken!”[18] Ryle schrijft: “We mogen voorwaar wel zeggen: ‘Als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan liefde vinden op aarde?’”[19] Dus in deze tekst ‘liefde’ in plaats van ‘geloof’. In Lukas 18:8 lezen we: “Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op aarde?”

Zoals we in 1 Korinthe 13:13 hebben gelezen: “En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.” Calvijn merkt bij deze tekst uit 1 Korinthe op dat een gelovige zijn eigen voordeel krijgt uit zijn geloof en hoop, maar liefde breidt haar voordelen uit over anderen.[20] Hij schrijft dat geloof en hoop tot een staat van onvolmaaktheid behoren, alleen liefde blijft over in een staat van volmaaktheid.[21]

Volgens Ryle kan door het gebrek aan liefde de helft van de ellende van deze wereld verklaard worden.[22] Hij schrijft: “De blijdschap der mensheid zou dubbel zo groot zijn en de droefheid zou gehalveerd kunnen worden als mannen en vrouwen vervuld zijn van die schriftuurlijke liefde.”[23] We lezen overigens ook in het avondmaalsformulier onder het derde punt van de waarachtige beproeving om aan het Avondmaal deel te mogen nemen, of we een ernstig voornemen hebben voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met onze naaste te leven.


Ten derde: “Waar komt ‘echte liefde’ vandaan?”

Zie J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 135. Ryle schrijft dat liefde de mens van nature zeker niet eigen is. Van nature zijn we allemaal egoïstisch, jaloers, boos, hatelijk, kwaadaardig en onvriendelijk. We hoeven alleen maar naar kinderen te kijken die aan hun lot worden overgelaten, om hiervoor het bewijs te zien. Als jongens en meisjes opgroeien zonder goede opvoeding en zonder goed onderwijs, zul je bij niet één van hen de christelijke liefde zien.

Zie J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, pp. 135-136. De Bijbelse liefde zal slechts gevonden worden in het hart dat door de Heilige Geest bearbeid is, schrijft Ryle. Het hart waarin liefde groeit, is een hart dat veranderd en vernieuwd is door de Heilige Geest. Het is de goddelijke natuur deelachtig geworden door de vereniging met Christus en het is een zoon van God geworden. En één van de eerste kenmerken van die natuur is ‘liefde’ (2 Petr. 1:4). Zo’n hart is diep overtuigd van de zonden en strijdt daar elke dag tegen. Eén van de belangrijkste oorzaken tot zondigen waarmee het dagelijks worstelt, is zelfzucht en gebrek aan liefde. Zo’n hart is zich diep bewust van zijn schuld tegenover de Heere Jezus Christus, schrijft Ryle. De liefde van Christus, die in het hart wordt uitgestort door de Heilige Geest, is de zekerste fontein van christelijke liefde. Liefde brengt liefde voort.

Zie J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 136. Ryle wil onder de aandacht brengen dat we de vruchten van het christendom niet kunnen hebben zonder de wortels, dat we geen christelijke karakters kunnen verwachten zonder christelijke leer, dat er van daadwerkelijke, blijvende liefde geen sprake kan zijn als er geen genade in het hart is. Ryle geeft toe dat we mensen kunnen tegenkomen die zeer liefdevol en beminnenswaardig lijken te zijn, zonder dat er sprake is van enige leerstellige godsdienst. “Maar zulke gevallen zijn zo zeldzaam en opmerkelijk, dat zij de uitzondering vormen die de regel bevestigt. En maar al te vaak moet in dergelijke gevallen gevreesd worden dat er slechts ogenschijnlijk sprake is van liefde en dat daarvan verder in hun persoonlijke leven niets blijkt. Ik [Ryle] ben er vast van overtuigd dat we in zijn algemeenheid kunnen stellen dat we de liefde, zoals de Bijbel die beschrijft, nergens anders kunnen vinden dan in een hart dat bezield is door de Bijbelse godsdienst. Een heilige levenswandel zal niet kunnen bloeien zonder een gezonde leer. We kunnen niet verwachten dat we, wat God samengevoegd heeft, zullen kunnen scheiden.”

Zie J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 137. Ryle vermaant zijn lezers om hun ideeën over de menselijke natuur aan de Bijbel te ontlenen en niet aan romans. “Laat het goed tot u doordringen dat er geen sprake kan zijn van ware liefde zonder een door genade vernieuwd hart. Een zekere mate van vriendelijkheid, hoffelijkheid, beminnelijkheid en goede gezindheid kan ongetwijfeld in velen die niet werkelijk godsdienstig zijn, opgemerkt worden. Maar de heerlijke inplanting van de Bijbelse liefde in al haar volheid en volmaaktheid zal nooit gevonden worden zonder de vereniging met Christus en het werk van de Heilige Geest.” Ryle schrijft verder onder andere: “Werkelijke liefde komt van boven. Ware liefde is een vrucht van de Geest. Hij die deze wil bezitten, moet aan Christus’ voeten gaan zitten en deze van Hem leren.”


Ten vierde: “Waarom is ‘liefde’ de grootste van alle genadeweldaden?”

De tekst 1 Korinthe 13:13 is een veelzeggende tekst. Ik heb vanavond al vaker gesproken over deze tekst. Nu ga ik bespreken wat Ryle over deze tekst zegt.

Zie J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, pp. 137-138. Ryle merkt op dat van alle schrijvers van het Nieuwe Testament er niemand is die “het geloof” zo hoog aanslaat als Paulus. In de brief aan de Romeinen en in de brief aan de Galaten wijst Paulus steeds opnieuw op het grote belang van het geloof. Door het geloof krijgt de zondaar deel aan Christus en wordt hij behouden. Paulus houdt ons in 1 Kor. 13:13 de drie belangrijkste christelijke genadeweldaden voor en spreekt dan de volgende verklaring uit: “De meeste van deze is de liefde.” Waarom is liefde toch meer dan geloof, en ook meer dan hoop?

Het is terecht wat Ryle opmerkt. Paulus hecht een onschatbare waarde aan het geloof. Denk alleen al aan Romeinen 5:1. Daar lezen we: “Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus.” Deze maand woonde ik een orgelconcert bij in de Hersteld Hervormde Kerk te Ouderkerk aan den IJssel. Dit concert had als thema: “500 jaar Reformatie”. Tijdens de opening van dit concert werd Romeinen 5 gelezen. Dat trof me wel.

Zie J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 138. Ryle merkt op dat we alleen dan verzoening van onze zonden en vrede met God krijgen, als we deel hebben aan het geloof in Jezus Christus, dus niet vanwege onze liefde. Het is echter wel zo dat als er sprake is van geloof, er ook sprake is van hoop en liefde.

Zie J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, pp. 138-139. Voor Ryle is het eenvoudig en duidelijk waarom liefde de grootste van de drie genadeweldaden wordt genoemd.
1.      Bij ware liefde is er sprake van enige gelijkenis tussen de gelovige en zijn God. God heeft geen geloof nodig, omdat Hij van niemand afhankelijk is. God heeft ook geen hoop nodig, omdat voor Hem alles zeker is. Maar God ís Liefde, en hoe meer liefde Zijn kinderen hebben, hoe meer ze op Hem lijken. Van Genderen en Velema zeggen dat geen mens metterdaad beeld van God kan zijn als hij niet in de liefde leeft.[24] Tot liefde zijn we geroepen, omdat we uit Gods liefde zijn voortgekomen en herschapen (Joh. 3:16).[25] Ds. R. van Kooten (HHK-predikant) schrijft dat “God de mens heeft geschapen uit liefde om aan de mens Zijn teerste liefde te schenken (Ps. 8:4, berijmd)”.[26]
2.      [Het tweede punt van Ryle komt overeen met wat ik al noemde van Calvijns verklaring bij 1 Korinthe 13:13]. Geloof en hoop hebben in het bijzonder betrekking op het persoonlijke voordeel van de gelovige. Door het geloof wordt de ziel met Christus verbonden, krijgt hij vrede met God en wordt de weg naar de hemel geopend. Hoop vervult de ziel met blijde verwachting op de toekomstige dingen en te midden van de vele ontmoedigende dingen die gezien worden, geeft hoop troost door uitzicht te bieden op de dingen die niet gezien worden. Maar liefde is bij uitstek het genademiddel waardoor een mens bruikbaar wordt. Liefde is de aanzet tot goede werken en vriendelijkheid, schrijft Ryle. Liefde heeft dus het meeste nut voor anderen.
3.      Liefde is de gave die het langst duurt, schrijft Ryle ten derde. [Ik moet bij deze opmerking van Ryle even denken aan het gezegde: “Eerlijkheid duurt het langst.” Het is allebei waar.] Geloof zal op zekere dag overgaan in aanschouwen en hoop in zekerheid, schrijft Ryle. Maar liefde zal tot in alle eeuwigheid blijven bestaan. De bewoners van de hemel zullen van liefde vervuld zijn. Er zal één gemeenschappelijk gevoelen in hun harten zijn en dat is liefde.

Zie J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 139. Nogmaals maakt Ryle duidelijk dat liefde niet kan rechtvaardigen en zonde kan wegnemen. De liefde is Christus niet en is ook niet het geloof. Maar de liefde laat ons enigszins op God lijken. De liefde zal blijven als het werk van het geloof op de dag van de opstanding afgelopen is. Daarom is liefde de meeste van alle genadeweldaden.

Zie J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, pp. 139-140. Ryle stelt zijn lezers dan de volgende vraag: “Heeft u liefde?” De indringende woorden van Paulus uit 1 Korinthe 13 moeten ons er toch wel van overtuigen dat liefde niet lichtvaardig terzijde geschoven mag worden, maakt Ryle duidelijk. Ook als we de Bijbel kennen. Als deze kennis geen praktische gevolgen op ons leven en karakter heeft, dan is het van geen enkel nut. Ryle verwijst hiervoor naar 1 Kor. 13:2: “En al ware het dat ik de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap, en al ware het dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets.”

Zie J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 140. Ryle wijst erop dat het ware geloof, dat is het geloof van Gods uitverkorenen, ‘een geloof is dat door de liefde werkzaam is’. Toen Paulus terugdacht aan de ‘liefde’ van de Thessalonicenzen alsook aan hun geloof en hoop, zei hij: “Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God.” (1 Thess. 1:4).

Zie J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 140. Ryle stelt een aantal vragen aan zijn lezers. Kijk eens naar je eigen dagelijkse leven zowel binnens- als buitenshuis en ga eens na welke plaats de schriftuurlijke liefde daarin heeft. Hoe staat het met je karakter? Hoe gedraag je je tegenover de mensen in je eigen familie? Hoe reageer je in het bijzonder op momenten dat je geërgerd en geprikkeld wordt? Hoe staat het met je vriendelijkheid, je hoffelijkheid, je geduld, je zachtmoedigheid en je verdraagzaamheid? Hoe komt jouw liefde tot uitdrukking in je omgang met anderen? Wat ken je van de gezindheid van de Heere Jezus, Die voortging ‘goeddoende’  ̶̶  Die van allen hield, maar in het bijzonder van Zijn discipelen  ̶  Die kwaad met goed vergold en haat met vriendelijkheid en Wiens hart groot genoeg was om met allen medelijden te hebben? Wat zou je in de hemel moeten doen, zo vraagt Ryle zich af, zonder liefde? Zou je je thuisvoelen in een plaats waar liefde de regel is, en waar alle zelfzucht en kwaadaardigheid zijn uitgesloten?

Zie J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 140. Gun jezelf geen rust totdat je uit eigen ervaring iets van die liefde kent, schrijft Ryle. Ga tot Hem, Die zachtmoedig en nederig van hart is. Vraag de Heere Jezus Zijn Geest in je te geven, je oude hart weg te nemen en je een nieuwe natuur te geven en je iets van Zijn gezindheid te leren kennen.


Zie J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 141. Ryle vergeet niet dat hij ook schrijft aan mensen die niet onwetend zijn van de schriftuurlijke liefde en die ernaar verlangen daarvan ieder jaar iets meer te leren kennen. Ryle geeft hen twee vermaningen: ‘Beoefen de liefde en onderwijs de genade van de liefde.’ Liefde is één van de genadeweldaden die meer dan welke andere ook, groeit door voortdurende oefening. Beijver je om die meer en meer, in alles wat je dagelijks doet, tot uiting te laten komen. Houd je tong en gemoedsgesteldheid op ieder uur van de dag in toom  ̶  in het bijzonder in je omgang met personeel, kinderen en de mensen met wie je dagelijks omgaat. Tenslotte, schrijft Ryle, leer anderen die liefde. Als je personeel hebt, houd hun die liefde dan steeds voor. Vertel hun de grote plicht van vriendelijkheid, hulpvaardigheid en welwillendheid voor elkaar. Druk die boven alles je kinderen, als je die hebt, op het hart, schrijft Ryle. Liefde kunnen ze begrijpen. Kinderen moeten Bijbelteksten leren, maar laat het daar niet bij, benadrukt Ryle. Leer hen zich te beheersen, vriendelijk voor elkaar te zijn, onbaatzuchtig, goedaardig, voorkomend, geduldig, zachtmoedig, vergevingsgezind. De liefde is immers de band van de volmaaktheid (Kol. 3:14).

Aan het begin van de avond hebben we gezonden: “Waar liefde woont, gebiedt de HEER’ den zegen, Daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen, En ’t leven tot in eeuwigheid.” Wat is dat waar. Liefde tot God. Dat is het eerste en het grote gebod. Liefde tot de naaste. Dat is het tweede hieraan gelijk. Brengen we deze twee geboden ook in praktijk? Daarover spreken we straks door in de vragen.

Zingen: Psalm 34:7


Vragen:
  1. Aan het begin van de avond heb je persoonlijk het woord “liefde” omschreven. Bespreek en  vergelijk je geformuleerde definitie van “liefde” met die van de andere groepsleden. Is er iets wat opvalt en zo ja, wat?
  2. Wat betekent liefde tot God en liefde tot de naaste (zie Mattheüs 22:37-40)? Brengen we deze geboden ook in praktijk? Zo ja, hoe? Zo niet, waarom niet?
  3. Waarom schrijft Paulus in 1 Korinthe 13:13 dat van de drieslag geloof, hoop en liefde, liefde de meeste is?
  4. Ben je het met Ryle eens dat er maar weinig onchristelijke mensen zeer liefdevol zijn? Zo ja, waarom wel? Zo niet, waarom niet?
  5. Kan iemand die ruzie maakt, wel een christen zijn? Zo ja, waarom wel? Zo niet, waarom niet?
  6. Kent liefde volgens jou ook grenzen? Zo ja, hoe? Zo niet, waarom niet?



[1] J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, Utrecht: De Groot Goudriaan, 2017 (11e druk, 1e druk: 1997), p. 129
[2] J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 129
[4] J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 129
[5] J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 130
[6] J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 131
[7] R.T. France, The New International Commentary on the New Testament. The Gospel of Matthew, Grands Rapids, MI / Cambridge, U.K.: Wm. B. Eerdmans Publishing Co., 2007, p. 845
[8] Onder andere de BECNT, de NICNT en Calvijn verwijzen in hun verklaring van Mattheüs 22:37 naar Deuteronomium 6:4-6.
[9] J. Calvin, Commentary on Matthew, Mark en Luke – Volume 3, Grand Rapids, MI: Christian Classics Ethereal Library, p. 46
[10] D.L. Turner, Baker Exegetical Commentary on the New Testament. Matthew, Grands Rapids, MI: Baker Academic, p. 536
[11] D.L. Turner, Baker Exegetical Commentary on the New Testament. Matthew, p. 536
[12] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, Utrecht: Uitgeverij Kok, 2013 (4e druk; 1e druk: 1992), pp. 165-166
[13] W. Bauer (heruitgave van K. Aland en B. Aland), Griechisch-deutsches Wörterbuch zu den Schriften des Neuen Testaments und der frühchristlichen Literatur, Berlin/New York: Walter de Gruyter, 1988 (6e druk; 2e druk: 1928), kolomnummer 1713
[14] W. Bauer (heruitgave van K. Aland en B. Aland), Griechisch-deutsches Wörterbuch zu den Schriften des Neuen Testaments und der frühchristlichen Literatur, kolomnummers 7-8
[15] J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 133
[16] J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 134
[17] J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 134
[18] J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, pp. 134-135
[19] J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 135
[20] J. Calvin, Commentary on Corinthians – Volume 1, Grand Rapids, MI: Christian Classics Ethereal Library, p. 363
[21] J. Calvin, Commentary on Corinthians – Volume 1, Grand Rapids, MI: Christian Classics Ethereal Library, p. 363
[22] J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 135
[23] J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, p. 135
[24] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 339
[25] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 339
[26] R. van Kooten, Aan Zijn voeten. Onderwijs en verdieping in de geloofsleer, Heerenveen: Groen, 2010 (8e druk, 1e druk: 2004), p. 70

zaterdag 30 september 2017

Uitleg over Jesaja 52:13-53:12

Jesaja 52:13-53:12 is een intrigerend gedeelte in de Bijbel. Uit dit gedeelte wordt, voor zover ik weet, het meest geciteerd in het Nieuwe Testament in de Bijbel. 

52:13 Zie, Mijn knecht handelt voorspoedig; hij wordt verhoogd en verheven en zeer hoog. 
In dit vers presenteert YHWH Zijn knecht. In dit vers is er sprake van de stijlfiguur “herhaling”. Maar liefst drie keer achter elkaar wordt er een werkwoord gebruikt in de zin van “verhogen”. De knecht zal handelen met verstand. Volgens de theoloog J.Ch. Bastiaens staat YHWH Zelf garant voor de verhoging van Zijn knecht.[1] De optimistische bewering dat het met de knecht goed zal gaan, is volgens de Word Biblical Commentary (WBC) kenmerkend voor de persoon die gekozen is om YHWH’s werk te doen, en YHWH doet dit door middel van onder andere Zijn knecht Kores.[2] Volgens de WBC slaat de voorspoedige handeling van de knecht dus bijvoorbeeld op Kores. Daar is inderdaad een goede reden voor, want God bevrijdde door middel van Kores het volk Israël uit de ballingschap.

52:14 Zoals velen over u verbaasd zijn geworden, zo verdorven was zijn gezicht, meer dan van iemand; en zijn gedaante, meer dan van mensen.
Dit vers vertoont veel overeenkomst met 53:2b en met 53:3a. In 53:2b staat beschreven dat de knecht geen gestalte heeft dat wij hem bekoord zouden hebben. Ook in 52:14 komt naar voren dat de knecht een verdorven gezicht en gedaante had. In dit vers komt ook naar voren dat velen zich over de knecht ontzet hebben. Dit komt later terug in 53:3a, waarin staat dat hij (de knecht) veracht werd. In 53:3a wordt dus duidelijk dat de knecht nog slechter wordt behandeld.

52:15 Zó zal hij vele volken opschrikken, de koningen zullen hun mond voor hem toehouden; want aan wie het niet verteld was, die zagen het, en aan degenen die het niet gehoord hebben, die begrepen het.
In dit vers wordt de knecht ook aan de volken en aan de koningen geopenbaard. De knecht zal vele volken opschrikken. Dit is niet zo vreemd, zeker als we 52:13 en 52:14 met elkaar vergelijken. Terwijl de knecht in 52:13 uitermate verhoogd zal worden, had de knecht in 52:14 nog een verwrongen gezicht en gedaante. Nu zal hij uitermate verhoogd worden en dat brengt natuurlijk schrik bij de volken en gesloten monden bij de koningen teweeg.[3]

53:1 Wie heeft ons gehoor geloofd? En aan wie is de arm van YHWH geopenbaard?
De schrijver begint met retorische vragen. Het is namelijk het geval dat niemand het had kunnen weten. Het openbaar worden van de arm van YHWH is als je Jesaja 51:5 leest, het grote verlangen van Israël en van de eilanden. De arm van YHWH staat voor de kracht van YHWH. Hier is sprake van een vergelijking. Uiteraard heeft YHWH niet letterlijk een arm. De kracht van God openbaart zich in Jesaja 53 in het lijden van de knecht. 

53:2 Want hij is als een loot opgeschoten voor zijn gezicht, als een wortel uit een land van droogte; geen uiterlijk (was) aan hem en geen heerlijkheid; toen wij hem aanzagen, was er geen aanzien dat wij hem bekoord zouden hebben.
Er worden in dit vers twee beelden uit de plantenwereld als vergelijking met de knecht van YHWH gebruikt. Het eerste is een rijsje (een loot), het tweede is een wortel uit een land van droogte. Hier is dus twee maal sprake van de stijlfiguur “simile”. Bij de loot in dit vers valt te denken aan חֹטֶר in Jesaja 11:1. Dit roept het beeld op van een nieuw en nietig leven. De wortel uit een land van droogte roept het beeld op van een moeilijke ondergrond en een ongemakkelijke groei.

53:3 Hij was veracht en de onbelangrijkste onder de mensen, een man van smarten en een bekende van ziekte, en als iemand voor wie men het gezicht verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht.
De schrijver zegt in dit vers dat de knecht verzocht werd door ziekte. Hij komt terug op 52:14, waarin beschreven staat dat velen zich over de knecht ontzet hebben.
Volgens Bastiaens ligt in het vorige vers (vers 2) het accent op de uitwerking van de verschijning van de knecht aan de wij-figuur; hier (vers 3) gaat het volgens hem expliciet over de houding die de wij-figuur jegens de knecht aannam; in de ogen van de wij-figuur was de knecht namelijk een vergankelijk persoon.[4]
Volgens de WBC begint dit vers zelfstandig, zonder aansluiting op het vorige vers: het thema is hetzelfde, maar het gaat over een andere persoon. De wij-figuur is volgens dit commentaar minder bezig met haar eerdere gebrek aan de ondersteuning voor Darius. “Hij was veracht en de onbelangrijkste onder de mensen” kan volgens dit commentaar verwijzen naar het protest dat Zerubbabel kreeg, dat vermeld wordt in Ezra 3:1-5 en 5:2-4.[5] Hoewel de knecht onder andere naar Zerubbabel kan verwijzen, gaat het mij te ver om te stellen dat het nu om een ander persoon gaat dan in het vorige vers. We zien juist sterke gelijkenis tussen vers 2b en vers 3a, zoals ik eerder schreef. Bovendien lezen we in de tekst zelf niet dat het nu om een ander persoon zou gaan.

53:4 Maar werkelijk, onze ziekten heeft híj op zich genomen, en onze smarten heeft hij gedragen, maar wíj achtten hem (als) een geplaagde, een geslagene van God en een vernederde.
In de vorige verzen ging het met name om het feit hoe “wij” over de knecht dachten, nu gaat de schrijver over op hetgeen de knecht voor ons heeft gedaan. De knecht heeft onze ziekten op zich genomen en onze smarten gedragen. Dit zijn de dingen die “wij” over hem dachten. Hoewel in de vorige verzen wel aangegeven wordt dat de knecht vertrouwd was met ziekte en dat hij als een loot is opgeschoten en uit een dorre aarde is gekomen, wordt er in die verzen niet gesproken over hetgeen de knecht voor ons gedaan heeft. In dit vers (53:4) komen we te weten dat hij onze ziekten op zich heeft genomen. Opvallend is dat er in het tweede gedeelte van dit vers weer overgegaan wordt op het feit hoe de knecht door de “wij”-figuur geacht werd.

53:5 Maar híj is om onze overtredingen verwond, om onze zonden is hij verbrijzeld, de straf die ons (de) vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.
Dit vers vertoont veel gelijkenis met 53:3. In 53:5 is het taalgebruik wel een stuk steviger geworden. Terwijl het in 53:3 nog ging over de ziekte en de smarten, gaat het in dit vers over de zonde, de ongerechtigheid en de straf. Ook kunnen we dit vers beschouwen als een vervolg op 53:4a. In 53:5 wordt immers weer geschetst wat de knecht voor ons gedaan heeft. De knecht is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld, de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem. Ook kan dit vers als een soort reactie op het vorige vers gezien worden. Terwijl “wij” meenden dat de knecht zo moest lijden omdat hij dit door zijn eigen zonden en overtredingen verdiend zou hebben, wordt in dit vers duidelijk dat hij zo moest lijden om “onze” overtredingen op zich te nemen.

53:6 Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een ieder naar zijn weg, maar YHWH heeft op hem doen neerkomen de ongerechtigheid van ons allen.
Wij zijn afgedwaald van de weg die God ons in Zijn wet heeft voorgeschreven. Wij hebben de weg bewandeld die een ieder voor zichzelf had uitgekozen. In dit vers wordt de belijdenis diepgaander, omdat de ontrouw nu wordt uitgedrukt in een beeld. In dit vers lezen we tweemaal dat wij hebben gedwaald en gezondigd. Hiermee is het antwoord gegeven op de (retorische) vraag van 53:1: in leven en optreden van de knecht is de arm van YHWH voor niemand zichtbaar geworden. De term “iedereen” verscherpt verder het contrast tussen de knecht die ziekten gedragen heeft, en “wij allen” die eigen wegen hebben gekozen.[6] Hier hebben dus we dus opnieuw te maken met retoriek (een stijlfiguur). Er is hier sprake van een “simile”, “ons” dwalen en “ons” keren naar een eigen weg, “wij” worden vergeleken met het dwalen van schapen. Hier is dus sprake van een vergelijking. Dit is een stijlfiguur, die een vergelijking maakt tussen twee ongelijke dingen. Dwalende mensen worden hier vergeleken met dwalende schapen. In dit vers is er tevens sprake van een metafoor. Het dwalen (van de schapen) is een metafoor voor de zonden. Met het dwalen als schapen worden de zondige mensen bedoeld.

53:7 Hij werd mishandeld en hij werd verdrukt, maar hij doet zijn mond niet open; als een lam wordt hij naar de slacht geleid, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, doet hij zijn mond niet open.
Hier komt het woord “schaap” weer terug. Ook in het vorige vers wordt het woord “schaap” gebruikt. Volgens Bastiaens krijgt op deze wijze in 53:7 een licht contrast vorm: terwijl de wij-figuur te vergelijken is met een dolend schaap dat zijn eigen wegen gaat, blijkt de knecht juist het tegenovergestelde te zijn: namelijk een schaap dat zich wel laat leiden en geen eigen weg kiest.[7]

53:8 Hij is uit de angst en uit het vonnis weggenomen en wie zal de duur van zijn periode uitspreken?  Want hij is afgesneden uit het land der levenden, om de zonden van mijn volk werd hij geslagen.
53:9 En men stelde zijn graf bij de goddelozen, en hij is bij de rijke in zijn dood geweest, omdat hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in zijn mond geweest is. 
De verzen 53:8 en 53:9 gaan over het sterven en het graf van de knecht, terwijl het in de vorige verzen over het lijden van de knecht gaat. In 53:8 is er sprake van een hendiadys in het eerste gedeelte. In plaats van “het angstige vonnis” spreekt de profeet hier van “angst en vonnis”. Een vonnis is namelijk iets negatiefs. Een vonnis kan dan uiteraard ook heel goed angstig zijn. Een mens weet namelijk nooit (zeker) hoe zijn of haar vonnis zal uitvallen. Dat geldt zeker voor de knecht, als er in 53:3 vermeld staat dat de knecht door de wij-figuur veracht werd. Als we dit weten, dan kun we met recht zeggen dat het bij de knecht om een angstig vonnis gaat.

53:10 Maar YHWH wilde hem verbrijzelen, Hij heeft (hem) ziek gemaakt, als zijn ziel (tot) een schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nageslacht zien, hij zal de dagen verlengen, de wil van YHWH zal door zijn hand voorspoedig zijn.
In dit vers wordt nu ook de dood van de knecht in verband gebracht met het welgevallen van YHWH.[8] In 53:10b spreekt de wij-figuur haar verwachting uit dat het welbehagen van YHWH zal slagen, dankzij het offer van de knecht. Immers heeft Kores weliswaar zijn welbehagen volbracht door Babel ten val te laten brengen en de mogelijkheid te bieden van de terugkeer en de wederopbouw van het verwoeste land, na hem zijn er weer nieuwe dingen te realiseren die het welbehagen van YHWH aangaan.[9]

Ondanks dat de WBC Jesaja 52:13 betrekt op onder andere Kores, stelt dit commentaar toch ook dat er in Jesaja 53 sprake is van een (ander) gewillig persoon. Vanaf Jesaja 53:4 komt nadrukkelijker datgene naar voren wat van vitaal belang is voor het geloof van zowel de Joden als de christenen, en dat is het principe van de plaatsvervangende verzoening. Niet alleen door middel van het offeren van dieren, maar nu ook via een gewillig persoon. Dit is een effectieve verzoening: de ontvangers hiervan zijn gered door het offer. Zij belijden hun schuld en erkennen dat hij voor hen gestorven is (53:4-6) en het soevereine akkoord is te herkennen aan het verzoenende effect (53:10-12).[10]

53:11 Om de moeite van zijn ziel zal hij het zien, verzadigd worden; door zijn kennis zal Mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want híj zal hun wandaden op zich nemen.
Ook dit vers spreekt over "het opnemen van de wandaden van het volk". De knecht neemt deze wandaden op zich, zoals ook in 53:4, waarin vermeld staat dat hij al onze ziekten op zich heeft genomen. Op eenzelfde wijze staat het ook in het laatste gedeelte van 53:11.

53:12 Daarom ken Ik hem een plaats toe onder velen, en hij zal met machtigen delen in de buit, omdat hij zijn leven heeft prijsgegeven aan de dood, en onder de overtreders is geteld, en híj de zonden van velen gedragen heeft, en hij voor de overtreders heeft gebeden.
In dit vers komen opnieuw de dood en de overtreders aan de orde, en ook de zonden van de velen en de overtreders komen opnieuw terug. Het eerste gedeelte van dit vers komt in het licht van het gehele vers wel als eerste naar voren.


Tot slot
Tot zover mijn uitleg over Jesaja 52:13-53:12. Misschien is het u opgevallen dat ik de knecht die in dit gedeelte naar voren komt, niet toepas op de Heere Jezus Christus. Dat is een terechte opmerking. Ik heb het gedeelte behandeld vanuit de historische context. Het zou heel goed kunnen zijn dat met de knecht in eerste instantie iemand anders bedoeld wordt. Jesaja schrijft immers niet wie de knecht is die hij beschrijft. Maar ook voor dit gedeelte geldt dat er sprake is van sensus plenior. In dit gedeelte gaat het over een knecht die veracht werd en door zijn lijden ontvangen mensen genezing. Dat is voor niemand anders in zo'n grote mate van toepassing dan op Jezus Christus. De knecht die naar voren komt in Jesaja 52:13-53:12 is ten volle vervuld in Christus. Dat blijkt uit het gehele Nieuwe Testament. In Handelingen 8 lezen we bijvoorbeeld dat er een kamerheer uit Ethiopië in zijn wagen Jesaja 53 aan het lezen was. Filippus mocht bij hem in de wagen zitten en betrok de knecht op Jezus. De kamerheer zegt dat hij gelooft dat Jezus Christus de Zoon van God is. Laten we hieraan een voorbeeld nemen!

Machiel Lock




[1] J.Ch. Bastiaens, Interpretaties van Jesaja 53. Een intertextueel onderzoek naar de lijdende Knecht in Jes 53 (MT/LXX) en in Lk 22:14-38, Hand 3:12-26, Hand 4:23-31 en Hand 8:26-40, Tilburg: Tilburg University Press, 1993, p. 41
[2] J.D.W. Watts, Word Biblical Commentary, deel 25: Isaiah 34-66, p. 228
[3] J.Ch. Bastiaens, Interpretaties van Jesaja 53, p. 43
[4] J.Ch. Bastiaens, Interpretaties van Jesaja 53, p. 46
[5] J.D.W. Watts, Word Biblical Commentary, deel 25, p. 230
[6] J.Ch. Bastiaens, Interpretaties van Jesaja 53, p. 49
[7] J.Ch. Bastiaens, Interpretaties van Jesaja 53, p. 52
[8] J.Ch. Bastiaens, Interpretaties van Jesaja 53, p. 55
[9] J.Ch. Bastiaens, Interpretaties van Jesaja 53, p. 57
[10] J.D.W. Watts, Word Biblical Commentary, deel 25, p. 233