zaterdag 20 juni 2020

Vlucht van David voor Absalom

Vorige week zaterdag was ik in mijn persoonlijke Bijbelstudie aangekomen in de Psalmen 3, 4 en 5. Wat me is opgevallen, is dat Psalm 3 een morgenlied is (zie vers 6), Psalm 4 een avondlied (zie vers 9), en Psalm 5 een morgengebed (zie vers 4).

Het eerste vers van Psalm 3 maakt duidelijk wanneer David deze Psalm heeft geschreven. Hij schreef deze toen hij vluchtte voor zijn zoon Absalom. Over de geschiedenis van deze vlucht kunnen we lezen in 2 Samuël 15 t/m 18. Deze hoofdstukken heb ik eerder dit jaar al gelezen. Ik vind het wel mooi om het geheugen weer op te frissen en de geschiedenis over Absalom weer eens na te lezen.

Wie is Absalom? Het eerste vers van Psalm 3 maakt al duidelijk dat hij een zoon van David is. Een andere zoon van David is Salomo. Salomo volgt David op als koning van Israël. Salomo is de zoon van David en zijn vrouw Bathseba. Maar Absalom is de zoon van David en zijn vrouw Maächa. Hoeveel vrouwen had David eigenlijk? In 2 Samuël 3:1-5 lezen we al over zes vrouwen van David: Ahinoam, Abigaïl, Maächa, Haggith, Abital en Egla. Daar kunnen we Michal (zie o.a. 2 Samuël 3:12-16) en Bathseba (zie o.a. 2 Samuël 11) aan toevoegen. Michal is een dochter van Saul – Saul was koning van Israël voordat David dat werd. Saul komt uit de stam van Benjamin, David uit de stam van Juda. Overigens heeft David naast de acht genoemde vrouwen ook nog bijvrouwen, die niet bij name worden genoemd (zie 1 Kronieken 3:9).

In 2 Samuël 2 staat dat David tot koning gezalfd wordt over de stam van Juda. Dit gebeurt in Hebron. Abner, de legerbevelhebber die Saul had, neemt een zoon van Saul, Isboseth, en brengt die over naar Mahanaïm. Abner maakt Isboseth daar tot koning over Israël. Het gaat dus om Israël behalve de stam Juda, over Juda is David koning. Deze scheiding loopt uit op een oorlog. Abner is de zoon van Ner en een oom van Saul. Hij is namelijk de broer van Kis, de vader van Saul (zie 1 Samuël 14:50-51). Abner trekt naar Gibeon, alwaar ook Joab, een zoon van Zeruja, en de knechten van David naartoe trekken. Abner stelt Joab een tweekamp voor. Twaalf mannen uit de stam van Benjamin en twaalf vanuit de manschappen van David strijden met elkaar. Ieder grijpt zijn tegenstander beet bij het hoofd en steekt zijn zwaard in de zijde van de ander, en zo vallen ze samen dood. De plek waar dit gebeurt, wordt "Chelkath-Hassurim" (veld van de zwaarden) genoemd (zie 2 Samuël 2:16). Er volgt een hevige strijd, waarbij David en zijn manschappen aan de winnende hand zijn t.o.v. de nakomelingen van Saul. David heeft een zus met de naam Zeruja en zij heeft drie zoons: Joab, Abisaï en Asahel (zie 2 Samuël 2:18). Deze drie zoons spelen een belangrijke rol in het leven van David. Asahel is een snelle loper. Asahel achtervolgt Abner. Maar Abner is meer ervaren. Abner doodt Asahel met de achterkant van zijn speer. Asahel sterft direct. Op initiatief van Abner wordt de strijd tussen Joab en Abner gestaakt. In deze strijd zijn behalve Asahel nog 19 soldaten van David gesneuveld. Van het leger van Benjamin en onder de mannen van Abner zijn door deze strijd meer doden te betreuren: 360.

Het laatste van wat ik schreef, zet de toon van wat we lezen in het eerste vers van het volgende Bijbelhoofdstuk (2 Samuël 3:1). Er is een lange strijd tussen het huis van Saul en het huis van David, maar het huis van David wordt steeds sterker t.o.v. het huis van Saul. Abner wil een verbond sluiten met David, nadat hij door Isboseth is beschuldigd van overspel met Rizpa, een bijvrouw van Isboseths vader Saul. David gaat positief in op het verzoek van Abner, op voorwaarde dat Michal, die met David getrouwd was en Sauls dochter is, weer Davids vrouw wordt. David heeft 100 voorhuiden van de Filistijnen aan Saul gegeven als bruidsschat (in 1 Samuël 18:25-27 staat dat David er 200 levert, terwijl Saul er 100 heeft gevraagd – David heeft dus zelfs 2x zoveel gegeven dan waar Saul om gevraagd heeft). Saul heeft Michal later ter vrouw aan Paltiël (Palti) gegeven. Nadat de stam van Benjamin akkoord is gegaan met het koningschap van David, sluit Abner een verbond met David. Dit is tot ongenoegen van Joab, Davids generaal. Hij laat Abner terughalen naar Hebron en steekt hem in zijn buik, vanwege het bloed van Asahel. David maakt duidelijk dat hij niets met deze moord te maken wil hebben.

In het volgende hoofdstuk (2 Samuël 4) lezen we dat Isboseth terwijl hij slaapt, vermoord wordt door Baëna en Rechab, evenals Isboseth mannen van de stam van Benjamin. Ook deze moord wordt door David afgekeurd. David verwijst in zijn reactie hierop naar degene – een Amalekiet – die David aankondigde dat Saul dood is. Diegene had dat niet zelf gedaan, maar dacht hiermee David een dienst te bewijzen. In opdracht van David werd de Amalekiet gedood, omdat hij – zo zei David – de gezalfde van de HEERE omgebracht heeft (zie 2 Samuël 1:14-16). Vervolgens hief David een klaaglied aan over Saul en Jonathan, Sauls zoon. Die beiden zijn omgekomen in een strijd tegen de Filistijnen (zie 1 Samuël 31). David gebiedt ook dat de twee moordenaars van Isboseth gedood moeten worden (zie 2 Samuël 4:12). In het volgende hoofdstuk staat dat alle oudsten van Israël een verbond met David sluiten en hem zalven tot koning over geheel Israël (zie 2 Samuël 5:3).

Nu maak ik een sprong naar hoofdstuk 13 van hetzelfde Bijbelboek, 2 Samuël. Hier komt Absalom weer in beeld. Amnon, de oudste zoon van David en een halfbroer van Absalom, wordt verliefd op Thamar, een broer van Absalom. Amnon verkracht Thamar. Geslachtsgemeenschap tussen een (half)broer en een (half)zus is naar Leviticus 18:9 verboden. Nadat Amnon Thamar wegstuurt, ontfermt Absalom zich over Thamar. Na twee jaar geeft Absalom voorafgaand aan een schaapscheerdersfeest zijn knechten instructies om Amnon, die ook bij het feest komt, te doden. Dit moeten ze doen zodra hij dronken is, wat ook gebeurt. In 2 Samuël 14:33 staat dat Absalom voor zijn vader, koning David, buigt, en David kust zijn zoon Absalom. Verzoening tussen beiden dus. Dat verandert echter snel. In het volgende hoofdstuk, 2 Samuël 15, lezen we dat Absalom in opstand komt tegen zijn vader David.

Na de dood van Amnon is Absalom de troonopvolger van David. Hij heeft geen geduld en wil nu al koning worden. Absalom voorziet zich met een wagen en paarden en vijftig mannen lopen voor deze wagen uit. Absalom wint het hart van de Israëlieten en vraagt aan zijn vader David of hij naar Hebron mag gaan om een gelofte na te komen. Zijn vader stemt hierin toe. Absalom krijgt steeds meer steun van het volk Israël. In 1 Samuël 15:13 - 16:14 lezen we hoe David op de vlucht gaat en aan zijn zoon Absalom ontsnapt – dan dicht David Psalm 3. De Krethi en de Plethi en 600 mannen uit de Filistijnse stad Gath o.l.v. hun aanvoerder Ithai, trekken met David mee. De priesters Zadok en Abjathar zijn David ook trouw, die de ark naar Jeruzalem moeten terugbrengen. Zadoks zoon Ahimaäz, en Abjathars zoon Jonathan zijn Davids informanten. David is verontwaardigd als hij hoort dat Achitofel, één van zijn belangrijke adviseurs, de zijde van Absalom kiest. Hij bidt tot de HEERE of hij de keuze van Achitofel tot dwaasheid wil maken. In het volgende vers (2 Samuël 15:32) lezen we al dat Husai, de Archiet, de zijde van David kiest, waarin God voorziet.

In het volgende hoofdstuk, 2 Samuël 16, lezen we dat David Ziba, de knecht van Mefiboseth, ontmoet – Mefiboseth is de kreupele zoon van Jonathan, de zoon van Saul. Ziba brengt David eten en drinken. David zegt dat alles wat Mefisobeth heeft, van Ziba zal zijn. Vervolgens lezen we over Simeï, die net de stad Bahurim uitgaat, en al vervloekend David naderbij komt. Simeï vervloekt David omdat David een man van bloed zou zijn, een verdorvene, en Simeï zegt dat de HEERE het koninkrijk aan Absalom, Davids zoon, gegeven heeft. Abisaï, één van de zoons van Zeruja, wil Simeï doden, maar dat staat David niet toe. Hij ziet in het handelen van Simeï de hand van de HEERE. Aan het slot van 2 Samuël 16 lezen we dat Absalom in Jeruzalem aankomt en Achitofel is met hem. Husai komt tot Absalom en zegt tegen Absalom: “Leve de koning, leve de koning!” Absalom heeft op advies van Achitofel geslachtsgemeenschap met de bijvrouwen van David.

In het volgende hoofdstuk, 2 Samuël 17, wordt het nog gevaarlijker voor David. Het is begrijpelijk dat hij Psalm 3 gedicht heeft. Achitofel geeft Absalom de opdracht dat Achitofel 12.000 mannen moet uitkiezen, die hij naast zichzelf kan gebruiken om David nog dezelfde nacht achterna te jagen. Hij wil koning David doden op het moment dat hij moe is. Zodra dat gebeurd is, zal heel het volk terugkeren naar Absalom, zegt Achitofel. Absalom stemt hierin toe. Absalom vraagt echter ook Husai om raad. Husai geeft als raad dat Absalom snel geheel Israël bij Absalom moet verzamelen en dat Absalom zelf mee moet gaan in de strijd. Alle Israëlieten vinden de raad van Husai beter dan die van Achitofel. Met nadruk lezen we dat hier de hand van de HEERE achterzit (zie vers 14). Hij gaat het kwaad over Absalom brengen. Jonathan, de zoon van Abjathar, en Ahimaäz, de zoon van Zadok, brengen de boodschap van Husai naar David, namelijk de boodschap dat David zo snel mogelijk de Jordaan over moet trekken. Dat doet David. Achitofel merkt dat zijn raad niet wordt opgevolgd en maakt een einde aan zijn leven. David gaat naar Mahanaïm en krijgt daar hulp van Sobi, Machir en Barzillai.

In het volgende hoofdstuk, 2 Samuël 18, komt het tot een strijd tussen Absalom en David. Joab, Abisaï en Ithai voeren het leger van David aan. David zegt nadrukkelijk dat ze Absalom niet mogen doden. De manschappen van David verslaan onder het volk 20.000 Israëlieten. Absalom is ook de Jordaan overgetrokken en stelt in plaats van Joab Amasa aan over het leger. Absalom vlucht en trekt met een muildier door het bos, waar hij met zijn hoofd vast blijft zitten aan de takken. Dit wordt ontdekt door een soldaat van David, die het Joab te kennen geeft. Joab gaat naar Absalom toe en doodt hem met drie speren. In Mahanaïm wacht David de uitslag van de strijd af. Ahimaäz komt naar David, maar hij zegt niets over het lot van Absalom. Cuschi doet dat wel. In het laatste vers van 2 Samuël 17 staat dat David diep geschokt is over de dood van Absalom – dat lezen we ook in het volgende hoofdstuk, 2 Samuël 19. Dat wordt aan Joab verteld en Joab zegt tegen David of het soms Davids bedoeling was dat Davids vrienden gedood moesten worden en Davids vijanden moesten winnen. David maakt het echter goed met zijn mannen. Hij gaat in de poort zitten. En het hele volk dat David aanhangt, komt bij de koning (zie 2 Samuël 19:8).

Wat me vooral treft, is Davids rouw om de dood van Saul en om de dood van zijn zoon Absalom, terwijl zij beiden David naar het leven stonden. Ondanks de zonden die David heeft bedreven, is deze daad van David moedig en navolgenswaardig. Ik moet hierbij denken aan wat Jezus zegt in de Bergrede, namelijk: “Heb uw vijanden lief en bid voor degenen die u vervolgen.” Zie Mattheüs 5:44, en ook Lukas 6:27-28. In Lukas 6:28 staat ook dat we degenen die ons vervloeken, dienen te zegenen. Simeï vervloekte David, maar David stond het niet toe dat hij gedood zou worden. In meerdere commentaren las ik dat David geen gegronde hoop kon hebben over het eeuwig behoud van Absalom. Te vrezen valt dat Absalom verloren gegaan is. En dat gaat David aan het hart. De woorden die David uitspreekt: “Och, was ik in uw (Absaloms) plaats gestorven!” (zie 2 Samuël 18:33) spreken boekdelen. David mocht namelijk van zichzelf weten dat hij een kind van God is, zie ook Psalm 3. Hiervan valt veel te leren. Wij dienen begaan te zijn met het lot van onze naaste, of die nu onze vriend of onze vijand is. Ook onze vijand dienen we te wijzen op de noodzaak om te geloven dat Jezus Christus de Zaligmaker is. Dat kunnen we niet in eigen kracht. Bid of de Heere ons hierin te hulp wil komen.

In mijn post van 9 juni jl. ging ik terug naar de koningentijd, nu ben ik nog iets verder terug in de tijd gegaan. In die post van 9 juni schreef ik ook dat ik in een volgende post zou schrijven over de ballingschap waarin Israël en Juda terechtkomen. Daar hoop ik een vervolg aan te geven zodra ik tijdens mijn persoonlijke Bijbelstudie bij Psalm 137 ben aangekomen. In deze Psalm blikken de Judeeërs terug op de tijd dat ze in ballingschap aan de rivieren van Babel zaten.

Machiel Lock

zaterdag 13 juni 2020

Gebedsgestalten

Deze week heb ik het boek “Gebedsgestalten” gelezen. Dit boek is in 1963 geschreven door ds. F. Bakker, toen predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Driebergen. In 1965 overleed hij op 45-jarige leeftijd. Hij heeft meerdere boeken geschreven, waarvan sommige bekend zijn. Eén van deze boeken is “Gebedsgestalten”. Na het boek gelezen te hebben, kan ik het iedereen die kan lezen, aanbevelen om het te lezen. Het is eenvoudig en toegankelijk geschreven en met 95 pagina’s goed te behappen voor mensen die er tegenop zien om een dik boek te lezen, maar toch iets stichtelijks willen lezen.

Ds. Bakker behandelt in het boek twaalf aspecten van het gebedsleven. Hij schrijft dat het niet zijn bedoeling is om deze aspecten te beschouwen als een afgerond geheel van wat er over het gebedsleven te zeggen valt, maar hij heeft getracht op een aantal plaatsen de Schriften te openen om van daaruit enige wegwijzers te vinden voor ons levenspad. Het is zijn wens dat de Geest van de gebeden zijn boek tot zegen stelt. Persoonlijk ben ik door het lezen van dit boek geraakt. Ds. Bakker schrijft in dit boek kernachtig wat het belangrijkste dient te zijn in dit leven. En dat is vragen om genade, waarvan de Bron Christus is. Ds. Bakker schrijft dan ook: “Om genade vragen, is alles wat een mens nodig heeft.” (p. 28) en “Zo valt hier [van het gebed van de tollenaar] dan te leren dat er ten slotte maar om één ding te smeken valt: om genade. … Om genade vragen, houdt in de erkenning van Gods rechtvaardig oordeel en van uw eigen verlorenheid. … De bron van de genade is alleen Christus. Om genade bidden, het is dus een overgave van zichzelf aan de vrijmacht Gods en tegelijk een steunen op de ontfermingen Gods.” (p. 42). We lezen dat inderdaad kernachtig in de gelijkenis die Jezus uitspreekt over de farizeeër en de tollenaar (zie Lukas 18:9-14).

De twaalf gebedsgestalten die ds. Bakker beschrijft – en daarmee ook de twaalf hoofdstukken van zijn boek –, zijn: 1. eenzaam bidden, 2. aanhoudend bidden, 3. kwalijk bidden, 4. hoogmoedig bidden, 5. ootmoedig bidden, 6. vrijmoedig bidden, 7. zuiver bidden, 8. pleitend bidden, 9. krachtig bidden, 10. dankend bidden, 11. vruchteloos bidden?, en 12. te laat bidden. Aan het begin van elk hoofdstuk noemt ds. Bakker een Bijbeltekst ter illustratie.


Ik noteer een aantal passages uit het boek (h. = hoofdstuk; p. = pagina) die mij in het bijzonder geraakt hebben – tussen [ ] noteer ik persoonlijke opmerkingen:

-        Het gebed is de ademtocht van de ziel. (h. 1, p. 10)
-        God luistert naar een ieder persoonlijk, alsof Hij op de gehele aarde maar één kind had. (h. 1, p. 11)
-        De Heere heeft niet een volk met voorraad. Toen de weduwe van Zarfath door Elia werd aangezegd dat God haar in het leven zou onderhouden, moest zij het elke dag doen met dat handjevol meel en dat kleine beetje olie. (h. 1, p. 14) [In 1 Koningen 17:8-24 lezen we dat Elia bij de weduwe te Zarfath was. De HEERE gaf Elia de opdracht om naar Zarfath te gaan, omdat Hij een weduwe heeft geboden om Elia te onderhouden. Elia ging naar Zarfath en bij de ingang van deze stad was een weduwe hout aan het sprokkelen. Elia vroeg haar of ze voor hem een beetje water in de kruik wil halen en vroeg vervolgens ook om een stukje brood voor hem mee te nemen. Maar ze zei dat ze alleen nog een handvol meel in de pot en een beetje olie in de kruik had. Elia vroeg de weduwe of zij hier eerst voor hem een koek van wil maken en daarna voor haarzelf en voor haar zoon wil klaarmaken. De HEERE, de God van Israël, heeft gezegd dat het meel in de pot niet zal opraken en er altijd olie in de kruik zal zijn tot op de dag dat de HEERE regen op de aarde geven zal. En zo gebeurde het. Terwijl in Israël 3,5 jaar geen regen valt en er een grote hongersnood was, ontving de van oorsprong heidense weduwe uit Zarfath iedere dag eten. Lees in dit kader ook Lukas 4:25-26.]
-        Iemand zegt op zijn sterfbed dat hij straks geen onbekende God zal ontmoeten. Waar heeft hij die God leren kennen? In de binnenkamer. (h. 1, p. 15)
-        De Kananese vrouw (zie Mattheüs 15:22-28) erkent haar eigen rechteloosheid, haar onwaardigheid en haar zondigheid. Dat is de rechte gebedsgestalte voor God. (h. 2, p. 19)
-        Leer van de Kananese vrouw de Heere aan te grijpen in Zijn Woord. Nooit kan God het doen om u of om uw gebed. Maar wel om wat Hij Zelf in Zijn Woord heeft gezegd, om Zijn Naam, om Christus. (h. 2, p. 21) [Kernachtig!]
-        Al zou u al uw jaren dag en nacht roepen, zonder Christus zou God voor eeuwig moeten zwijgen. (h. 2, p. 22)
-        Kwalijk bidden is wanneer we nog niet aan onszelf gestorven zijn, zodat we dingen van God begeren die slechts alleen in verband staan met zelfbedoelingen, zelfbehagen, zelfaanzien en met al wat maar met het woord ‘zelf’ te maken heeft. Ook al zijn het dan geestelijke dingen. (h. 3, p. 25)
-        Er is een gebed dat nooit is afgewezen. Dat is de bede: “O God, wees mij zondaar genadig.” Dat kunt u nooit genoeg bidden. Om genade vragen, is alles wat een mens nodig heeft. Een mens die genade nodig heeft, is Gode welgevallig. (h. 3, p. 28)
-        Het ergste aan de farizeeër uit de gelijkenis die we lezen in Lukas 18 was dat hij zelf niet wist hoe hoogmoedig hij was. Hij zag zijn hoogmoed aan voor godsvrucht. (h. 4, p. 33)
-        De Heere beware ons ervoor dat we laag op deze farizeeër zouden neerzien. Want dit woord van Christus heeft tot op deze dag geen andere bedoeling dan dat wij onszelf daarin vinden zullen. (h. 4, p. 34)
-        Het mes der ontdekking zal moeten snijden, totdat een mens van de hoogmoed verlost is, dat is van zichzelf. Voor die verlossing zal de dood moeten komen. Daarom blijft het hier op aarde de strijd met de farizeeër. Denk daaraan en laat het de bede blijven: ‘O God, wees mij, farizeeër, genadig.’ (h. 4, p. 36) [Dit is inderdaad goed opgemerkt. In Romeinen 7 maakt Paulus duidelijk dat er een strijd is tussen vlees en geest. Als gelovige merkt hij nog steeds dat hij zondigt, ook al is zijn wil omgebogen om een dienstknecht van Jezus Christus te zijn. Dit kan worden uitgedrukt in het “al reeds en het nog niet”. Als gelovige blijven we zondigen totdat we onze laatste adem hier op aarde hebben uitgeblazen. Dat gegeven is natuurlijk geen excuus om te mogen zondigen, maar dient ons uit te drijven tot de Vader in de hemel, Die alleen onze zonden kan vergeven. Denk hierbij aan de bede uit het volmaakte gebed (het Onze Vader): “Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven onze schuldenaren.” (zie Mattheüs 6:12; Lukas 11:4)]
-        Wat een aangename gebedsgestalte: de ootmoed. Het is het eerste wat een zondaar leert en ook het laatste. De tollenaar (zie Lukas 18:13) waagt het niet om de ogen op te slaan. Hij nadert met een heilige schaamte. Deze gestalte kent iedere zondaar, die zondaar geworden is. (h. 5, p. 39)
-        Van het gebed van de tollenaar valt te leren dat er ten slotte maar om één ding te smeken valt: om genade. Om genade vragen, houdt in de erkenning van Gods rechtvaardig oordeel en van uw eigen verlorenheid. De bron van de genade is alleen Christus. Om genade bidden, het is dus een overgave van zichzelf aan de vrijmacht Gods en tegelijk een steunen op de ontfermingen Gods. (h. 5, p. 42)
-        En toch sluit het ootmoedige bidden het vrijmoedige bidden niet uit (zie Hebreeën 4:16). (h. 6, p. 44)
-        Vrijmoedig bidden is een heilige durf om tot de Heere te naderen. Als er geleund en gesteund mag worden op Christus. Want Hij, Die daar ter rechterhand Gods zit en altijd leeft om voor Zijn volk te bidden, Hij is Dezelfde, Die ook in de diepte van ’s mensen val is neergedaald. (h. 6, p. 47)
-        Uit Gods Woord is er te leren dat er in de binnenkamer twee Voorbidders nodig zijn: een pleitende Christus, om Wiens wil God de Vader alleen maar verhoort, en ook een zuivere Voorbidder, door Wie de gebeden geheiligd worden, die Voorbidder is de Heilige Geest. Christus is de Voorbidder vóór Zijn volk. De Geest der gebeden is als een Voorbidder, maar dan in de zin van een Medebidder. (h. 7, p. 52)
-        Er staat wel: “Volhardt in het gebed”, maar er staat niet: “Volhardt in uw begeerten”, want u weet niet wat tot uw welzijn dienen moet. Gelukkig bent u als u uw zwakheid maar veel mag beleven. Dan is er nog werk voor Gods Geest. Hoe meer u die Geest nodig krijgt, hoe meer u ‘naar’ God leert bidden. Hoe meer opening, hoe meer vertrouwen, hoe meer rust, hoe meer hemels onderwijs. (h. 7, p. 56)
-        De Naam van Jezus Christus is de enige grond van het gebed. Al zou zelfs een onwaardig geworden zondaar dag en nacht roepen, zonder die Naam is er bij God geen verhoring. (h. 8, p. 59)
-        Als wij nu maar van de wonderen der genade leren leven. Wat vermag het gebed dan veel. Dan doet God nog wonderen, van dag tot dag. En dan is er op de ganse aarde geen grotere kracht dan de kracht van het gebed. Want het is een grijpen naar de krachten Gods. (h. 9, p. 71)
-        Uw enige dankgrond ligt in Christus. Dat vernedert een mens in een diepte van schuldbesef. Maar zo wordt de Borg groot gemaakt. En dat is ten slotte de ware danktoon: de Heere groot maken uit de diepte van eigen rechteloosheid. (h. 10, p. 78)
-        Ongehoorde gebeden zijn er niet. Maar wel zijn er onverhoorde gebeden. Dat heeft Mozes ervaren. Hij bad tot zijn God: “Laat mij toch overtrekken en dat goede land bezien, dat aan gene zijde van de Jordaan is.” Maar dit gebed werd niet verhoord. (h. 11, p. 80)
-        Mozes had zichzelf de vervulling van zijn bede onwaardig gemaakt, toen hij te Meriba tegen de rots had geslagen in plaats van ertegen te spreken. (h. 11, p. 82)
-        De Heere had die zonde van Mozes wel vergeven. Maar hier zien we nu dat de gevolgen van de zonde ook in het leven van een kind van God soms toch doorgaan. Zo was het ook met David, wiens zonde met Bathséba wel vergeven werd, maar zijn kind, uit die zonde geboren, moest sterven. De Heere doet de gevolgen van de zonde weleens blijven – ondanks de vergeving van de zonde – om Zijn volk aan de grond te houden. Een wrange nasmaak om de zondige afkomst niet te vergeten. (h. 11, p. 83)
-        Geen enkel gebed dat in waarheid is opgezonden, is vruchteloos. Het onverhoorde gebed ook niet. Want daarin werkt de Heere soms nog het meest op de eeuwigheid aan. Hoe onbegrijpelijk de wegen Gods ook kunnen zijn, de Heere bestuurt het altijd in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid tot een eeuwig welzijn voor Zijn Sion. Dat blijkt zo heerlijk in de afwijzing van het gebed van Mozes. Want kort na deze bede is Mozes gestorven. Hij is opgenomen in het hemelse Kanaän van de eeuwige rust. Hij vroeg om het aardse Kanaän, maar de Heere deed met Mozes boven bidden en denken en gaf hem het hemelse Kanaän. (h. 11, p. 85)
-        De meerdere Mozes werd ook eens niet verhoord. Het was voor Hem een onverhoord gebed, toen Hij als een worm en geen man smeekte of de drinkbeker aan Hem mocht voorbijgaan. Toen Hij daar lag te worstelen, zag Hij niet de poorten van Kanaän, maar de poorten der hel geopend. Een vreselijker gebedsafwijzing was er niet. God de Vader wilde Hem niet meer horen, want Hij was tot zonde gemaakt. En waar God niet meer hoort, daar is helse smart. (p. 11, p. 86-87)
-        Bidden zult u. Is het nu niet tot de levende God, dan toch straks tot de bergen en steenrotsen. Wij allen komen in aanraking met het Lam Gods. Eén van tweeën, nu met het bloed van dat Lam, of straks met de toorn van dat Lam. (h. 12, p. 92)
-        De Heere heeft in uw rampzaligheid geen lust. Het is u alles door God geschonken met de bedoeling dat u ermee op de knieën zult vallen en dat het zo tot uw behoud zal dienen. (h. 12, p. 93)
-        De Heere zal Zijn eigen werk, de bidders, thuis halen. Om dan voor eeuwig nog één gestalte over te houden, de gestalte van de aanbidding van de drie-enige God. God de Vader, Die zondaren trekt en daarom is Hij alleen de gebedsoorzaak. God de Zoon, Die zondaren zaligt en daarom is Hij alleen de gebedsgrond. God de Heilige Geest, Die zondaren vernieuwt en daarom is Hij alleen de gebedskracht. (h. 12, p. 95) [Dit zijn de laatste zinnen in het boek. Hierin wordt de drie-eenheid van God heel mooi uitgelegd.]

Machiel Lock
Giessenburg, 13 juni 2020

zaterdag 6 juni 2020

Recensie n.a.v. boek drs. Ben Hobrink: "Moderne wetenschap in de Bijbel"

Deze week heb ik het boek "Moderne wetenschap in de Bijbel. De Bijbel is de wetenschap 3500 jaar vooruit" van bioloog drs. Ben Hobrink gelezen. Hobrink toont hierin aan dat de Bijbel van een niet te onderschatten wetenschappelijk inzicht getuigt. Het boek is blijkbaar erg geliefd, want er zijn meer dan 70.000 exemplaren van verkocht. Het boek is een aanrader, want Hobrink verdedigt steeds de Bijbel en dat is goed, de Bijbel is immers Gods Woord en daarmee absoluut betrouwbaar. Hobrink is stellig in zijn beweringen, soms te stellig. Hieronder noem ik een aantal zaken die Hobrink schrijft. Tussen [ ] schrijf ik mijn persoonlijke opmerkingen.

Hobrink schrijft dat de aanleiding om zijn boek te schrijven, de geschiedenis van de ark van Noach (zie Genesis 6:14-16) is. De ark met zijn ideale afmetingen blijkt het meest stabiele bootmiddel te zijn die er bestaat. (p. 16) 

Wat vooral in het boek aan de orde komt, is dat God de totale gezondheid van de mens op het oog heeft: op geestelijk én op lichamelijk gebied. (p. 24)

De Kanaänieten moesten door Israël uitgeroeid worden (zie Deuteronomium 7:1-2). Dat lijkt wreed en onrechtvaardig. Maar zo onschuldig waren de Kanaänieten niet. Uit opgravingen blijkt dat ze hun eigen kinderen offerden om de afgoden zegen en voorspoed af te smeken. (pp. 32-33)

Als de Israëlieten geslachtsgemeenschap wilden hebben met de vrouwen van hun verslagen vijanden, dan bestond er vanwege allerlei besmettelijke ziekten toch een reëel gevaar voor hun gezondheid. In Deuteronomium 21:10-14 lezen we drie buitengewone maar wetenschappelijk verantwoorde voorwaarden om de gevangen vrouwen op een goede manier mee te mogen nemen. (pp. 37-38)

Besnijdenis voorkomt een aantal ziekten die betrekking hebben op het mannelijk geslachtsorgaan. In de Bijbel moet de besnijdenis per se op de achtste dag na de geboorte plaatsvinden (zie Genesis 17:12 en Leviticus 12:3). Op de achtste dag stopt een bloeding sneller dan op enig ander moment. (pp. 77-79)

Honderden mensen zijn gestorven aan geslachtsziekten, melaatsheid, builenpest en een overvloed van dodelijke darmziekten. Die ellende had voorkomen kunnen worden door simpelweg de wetten van Mozes te volgen, waarin staat hoe besmetting en uitbreiding van deze ziekten voorkomen kan worden. Zie bijvoorbeeld Leviticus 13 en 14. (p. 57, pp. 43-51) [Dit is momenteel ook erg actueel i.v.m. het coronavirus. Coronapatiënten moeten van het RIVM ook in quarantaine (afzondering). In Leviticus 13:4-8 staat dat als de priester twijfelt of er bij de persoon in kwestie sprake is van melaatsheid, die persoon 7 dagen in quarantaine moest leven. Als de kwaal dan niet was veranderd, moest de persoon nog eens 7 dagen in quarantaine blijven. Al naar gelang de situatie was, verklaarde de priester hem/haar rein of onrein. Iemand die onrein was, moest in afzondering buiten het kamp blijven (zie Leviticus 13:46).]

In Numeri 19:11,19 worden twee buitengewoon effectieve maatregelen genoemd voor de bescherming van een patiënt die door een arts zou worden onderzocht: 1. een arts die een lijk heeft aangeraakt, mag zeven dagen lang geen ander mens aanraken; 2. de arts moet grondig zijn handen en zijn kleren wassen. (zie p. 62)

In Leviticus 11 wordt door God gezegd dat de mens alleen reine dieren mag eten. In principe mogen alle dieren gegeten worden, maar voor de gezondheid is het beter om alleen reine dieren te eten. (p. 85) [Het laatste is betwistbaar. Hobrink houdt hier geen rekening met de heilshistorie, vermoed ik. Er zijn namelijk meerdere Bijbelse wetten in de loop van de tijd veranderd. Stenigen wij nu bijvoorbeeld nog iemand die de Naam van de HEERE lastert (zie Levitus 24:10-23)? En stenigen wij een opstandige zoon die niet naar zijn ouders luistert (zie Deuteronomium 21:18-21)? Dit zijn beide wetten van Mozes, maar ze gelden nu niet meer. Immers: wie zonder zonde is, werpe de eerste steen... (zie Johannes 8:7). En wie is er zonder zonde dan alleen God?]

Hobrink gaat ook in op het thema 'schepping of evolutie'. Hij schrijft dat nagenoeg alle feiten over het ontstaan van het leven in de richting wijzen van een Intelligent Ontwerp. (p. 256)
[Dit is een zeer gevoelig onderwerp. Mijns inziens kan zowel de schepping als de evolutietheorie niet bewezen worden als de 'waarheid'. Als christen geloof ik dat de hemel en de aarde door God geschapen zijn. Hobrink schrijft dat onherleidbare complexe systemen, zoals een oog, niet ontstaan kunnen zijn door evolutie en dat creatie het meest aannemelijke alternatief is (pp. 222-223). Dat is een tamelijk gewaagde uitspraak. Op en.wikipedia.org/wiki/Evolution_of_the_eye wordt de evolutie van het oog verdedigd. En daar kan ik alleen vanuit mijn geloof in God "nee" op zeggen. Bewijzen is dus niet mogelijk.]

Er blijken slechts 50 min of meer belangrijke verschillen te bestaan tussen de voornaamste Bijbelhandschriften. Het betekent dat 99,95% van de Bijbeltekst volkomen betrouwbaar is. Maar er bestaat geen enkele twijfel over een belangrijke leerstelling in de Bijbel. (p. 302) [Met het laatste kan ik instemmen. Dat we alleen door te geloven dat Jezus Christus de eniggeboren Zoon van God is, behouden worden, is in geen enkel Bijbelhandschrift verschil over. Wel ontbreekt een belangrijke verwijzing naar de drie-eenheid van God in de oudste Bijbelhandschriften: het Comma Johanneum uit 1 Johannes 5:7-8 komt wel voor in de Textus Receptus, maar niet in de oudste Bijbelhandschriften. Op andere plaatsen hebben de oudste Bijbelhandschriften wel de verwijzing naar de drie-eenheid van God, zoals in Mattheüs 28:19.]

De kernboodschap van de Bijbel is dat Jezus Christus op aarde is gekomen om de relatie tussen God en mens te herstellen. (pp. 314-315) [Daar stem ik van harte mee in!]

Machiel Lock
Giessenburg, 6 juni 2020

maandag 1 juni 2020

Pinksteren

Vandaag is het Tweede Pinksterdag, 7 weken na Pasen. Tijdens het pinksterfeest gedenken we de uitstorting van de Heilige Geest. Deze uitstorting staat beschreven in Handelingen 2. Vandaag heb ik dit hoofdstuk nog eens gelezen, en vooral vers 21 treft me, waarin we lezen dat Petrus zegt: "En het zal zijn dat een ieder die de Naam van de Heere aanroept, zalig zal worden." Voor "aanroepen" staat in de grondtekst - het Grieks - ἐπικαλέσηται, een aoristusvorm van ἐπικαλέω. Het werkwoord ἐπικαλέω komt in de 27e editie van Nestle-Aland 30 keer voor in het Nieuwe Testament, waarvan 20 keer in het Bijbelboek Handelingen. In het Grieks lezen we voor "zalig zal worden" σωθήσεται. Dit is een toekomende tijdsvorm van het werkwoord σῴζω. Dit werkwoord komt in het Nieuwe Testament het meest voor in het evangelie naar Lukas. Ook o.a. in Johannes 3:17 komt het voor. We lezen hier over het motief van God om Zijn Zoon naar de wereld te zenden: dit heeft als doel dat de wereld door Hem behouden oftewel gered, zalig zal worden. In Romeinen 10:13 lezen we vrijwel precies dezelfde tekst als in Handelingen 2:21. Calvijn haalt in zijn commentaar op Handelingen 2:21 o.a. Psalm 65:3 aan. Hij schrijft daarbij dat daarom niemand uitgesloten is van het aanroepen van God, niets weerhoudt ons om de poort van redding binnen te gaan dan alleen ons ongeloof. Het in eerbied aanroepen van Zijn Naam is ook het doel waartoe God ons gemaakt heeft. We zijn geschapen om God te verheerlijken en om ons in Hem te verheugen. Zo zet de Westminster Confessie in en dat is ook geheel duidelijk vanuit Gods Woord.

In vers 1 van Handelingen 2 lezen we een vorm van het zelfstandig naamwoord πεντηκοστή, dit betekent de 50e, in onze taal is dit woord "pinksterfeest" gaan heten. In het Oude Testament was het pinksterfeest een oogstfeest. In CNT staat: "Het is het feest waarop de eerstelingen van de oogst met begeleidende offers aan God worden aangeboden (Leviticus 23:15-21; Numeri 28:26-31)." De NICNT vermeldt dat het pinksterfeest onder de Hebreeuws en Aramees sprekende Joden bekendstond als het wekenfeest (zie Exodus 34:22a, Deuteronomium 16:10) en ook als de dag van de eerstelingen (zie Numeri 28:26; vergelijk Exodus 23:16a), omdat op die dag de eerstelingen van de tarweoogst (zie Exodus 34:22a) aan God werden geschonken. BECNT: "Pinksteren was jaarlijks één van de drie joodse pelgrimsfeesten in Jeruzalem, wat verklaart waarom mensen met zoveel nationaliteiten aanwezig zijn (zie Hand. 2:9-11)." Het pinksterfeest was dus een heel goed moment voor de uitstorting van de Heilige Geest. De Heere zorgde toen voor een rijke oogst (!) van velen die zich tot Hem bekeerden. Op één dag kwamen ongeveer 3000 mensen tot het geloof dat Jezus Christus de eniggeboren Zoon van God is, zie Hand. 2:41. In de verklaring van Matthew Henry op Handelingen 2 las ik een mooi gedeelte over het uitstorten van de Heilige Geest op ons: als we deze uitstorting wensen, heb elkaar dan lief, dat zal ongetwijfeld onder de apostelen - ondanks hun verschillen onderling - ook het geval zijn geweest. Daarbij mag ik er wel aan toevoegen dat de liefde tot God hiervoor ook onmisbaar is. Daarin schieten we in dit leven wel tekort. Maar de Heere heeft nog nooit iemand afgekeurd die om Zijn genade gesmeekt heeft. Lees o.a. Psalm 145:18: "De HEERE is allen nabij die Hem aanroepen, allen die Hem aanroepen in waarheid." In de Septuaginta (LXX) – een Griekse vertaling van het Oude Testament, de meest gebruikte Bijbelvertaling in de vroegchristelijke kerk – van deze Psalm lezen we hier voor "aanroepen" ἐπικαλουμένοις, van het werkwoord ἐπικαλέω, hetzelde werkwoord dus als in Handelingen 2:21 voor "aanroepen" wordt gebruikt. Psalm 145 is een Psalm waarin David Gods goedheid en grootheid bejubelt. De Psalm is een oproep voor ons om dat ook te doen. Ik wens u een gezegende pinksterfeest toe.

Machiel Lock

dinsdag 10 maart 2020

Pasen en aankondiging paasfolderactie Den Haag zaterdag 4 april a.s.

We leven nu in de lijdenstijd. Dit jaar (2020) is het D.V. op vrijdag 10 april Goede Vrijdag en op zondag 12 en maandag 13 april Pasen. Met Pasen herdenken we de opstanding van Jezus Christus uit de dood. In Mattheüs 28:1-10, Markus 16:1-8, Lukas 24:1-12 en Johannes 20:1-10 lezen we over de paasmorgen waarop Jezus opstond uit de dood. En op veel andere plaatsen in de Bijbel lezen we ook over de opstanding. De Schrift is er duidelijk over dat als Christus niet opgestaan zou zijn, ons geloof dan zinloos is (zie 1 Korinthe 15:14). Geloven in de lichamelijke opstanding van Jezus Christus is dus noodzakelijk om behouden te worden.

In Mattheüs 28:18-20 lezen we (ik citeer uit de 27e editie van Nestle-Aland): 18 καὶ προσελθὼν ὁ Ἰησοῦς ἐλάλησεν αὐτοῖς λέγων· ἐδόθη μοι πᾶσα ἐξουσία ἐν οὐρανῷ καὶ ἐπὶ [τῆς] γῆς. 19 πορευθέντες οὖν μαθητεύσατε πάντα τὰ ἔθνη, βαπτίζοντες αὐτοὺς εἰς τὸ ὄνομα τοῦ πατρὸς καὶ τοῦ υἱοῦ καὶ τοῦ ἁγίου πνεύματος, 20 διδάσκοντες αὐτοὺς τηρεῖν πάντα ὅσα ἐνετειλάμην ὑμῖν· καὶ ἰδοὺ ἐγὼ μεθʼ ὑμῶν εἰμι πάσας τὰς ἡμέρας ἕως τῆς συντελείας τοῦ αἰῶνος. In dit gedeelte spreekt Jezus tegen Zijn discipelen nadat Hij is opgestaan uit de dood.
Hierbij vertaal ik het tekstgedeelte vanuit het Grieks: “18 En Jezus kwam, sprak tot hen en zei: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op [de] aarde. 19 Ga dan verder, maak alle volken tot leerlingen, hen dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest, 20 hen onderwijzende in het bewaren van alles wat Ik u heb geboden. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding van de wereld.”

Wat in dit gedeelte opvalt, is de nieuwe opdracht die Jezus geeft aan Zijn discipelen. In Mattheüs 10 lezen we namelijk dat de discipelen het evangelie alleen aan Israël mochten verkondigen en niet aan alle andere volken. In Mattheüs 28 verandert dit. In vers 19 lezen we τὰ ἔθνη, van ἔθνος. Eerder gebruikte Jezus dit woord in de betekenis van “heidenen” (zie Mattheüs 10:5) tegenover Israël (zie het volgende vers (10:6)). Het staat daar in die context. Hoewel Jezus in Mattheüs 28:19 wellicht in eerste instantie denkt aan de heidenen, lezen we niet dat de discipelen niet meer onder Israël moeten onderwijzen over Jezus. Het gaat om het bouwen van de kerk, die bestaat uit Jood en heiden. De doop in de drie-enige God is het eerste ritueel dat een nieuwe gelovige binnen de kerk ondergaat. Degenen die zich laten dopen, moeten niet alleen de geboden van Jezus kennen, maar ze ook onderhouden. Hoewel Hij niet meer fysiek bij de discipelen zal zijn, is Jezus toch bij hen en zal Hij hen de macht geven om de opdracht te vervullen die Hij hen heeft gegeven. Omdat Jezus altijd aanwezig is en alle macht heeft, is er ook nu een kerk op aarde, voor wie de opdracht om te evangeliseren eveneens geldt. Deze opdracht blijft tot aan de voleinding van de wereld. Er zijn diverse mogelijkheden om aan deze opdracht gehoor te geven. Eén van die mogelijkheden is het bezorgen van evangelisatiefolders in brievenbussen. Op D.V. zaterdag 4 april a.s. wordt er een folderactie gehouden in Den Haag, waarvoor ik u van harte uitnodig om hieraan mee te werken door folders te bezorgen.

Machiel Lock, maart 2020

vrijdag 28 februari 2020

Contactdag 14-03-2020 club "Verzamelblad voor Kerkkaartenverzamelaars"

Op zaterdag 14 maart a.s. is er een contactdag die georganiseerd wordt door de club rond het "Verzamelblad voor Kerkkaartenverzamelaars". Deze is dit keer in de Westerkerk te Veenendaal (Goudvink 2, 3906 AL). Op deze dag kunt u kerkkaarten en -foto's kopen, en ruilen voor andere. U bent van harte welkom. De dag wordt gehouden van 10.00 tot 16.00 uur.
Als u geïnteresseerd bent in nieuws over kerkgebouwen, dan is het "Verzamelblad voor Kerkkaartenverzamelaars" wat voor u. Het blad verschijnt 6 keer per jaar en de onkostenvergoeding bedraagt voor de digitale versie € 5,00 per jaar, voor de uitgeprinte versie is dat € 15,00. Bij interesse neem contact op met de heer J. Vreeman uit Zuid-Beijerland, zijn e-mailadres is:
Graag tot ziens op zaterdag 14 maart a.s. in de Westerkerk te Veenendaal!

dinsdag 14 januari 2020

Inleiding over Mattheüs 6:16-23

Inleiding geschreven en gehouden door: Machiel Lock
Datum: maandag 13 januari 2020
Voor: mannenvereniging

Het gaat vanavond over vasten en over schatten verzamelen. Twee thema’s, maar ze staan voor vanavond allebei op het programma. Eerst het gedeelte over het vasten. Tijdens de voorbereiding heb ik me afgevraagd: is het thema “vasten” nog wel actueel? In onze kerk is het niet gebruikelijk om te vasten, in ieder geval is er in de reformatorische kerken in Nederland geen voorschrift om te vasten. Als je vast, dan houdt dat in dat je tijdens een specifieke periode helemaal niet eet en drinkt, of dat je minder eet en drinkt dan gewoonlijk. Jezus zegt in vers 17: “Maar gij, als gij vast.” Dat betekent dus dat Hij het vasten niet verbiedt. In de Alblasserwaard bevinden zich veel reformatorische kerken. Maar als we kijken naar de Rooms-Katholieke Kerk, daarin zijn Aswoensdag en Goede Vrijdag verplichte dagen om te vasten. Het is gebruikelijk dat ze dan minder eten en drinken dan gewoonlijk, en dat ze minder vaak televisie kijken en op internet zitten. Joden vasten op de Grote Verzoendag en op de dag van de verwoesting van de tempel en op de dag voor het Poerimfeest. Moslims vasten een maand lang tijdens de ramadan. Er wordt dan door hen niet gegeten tussen de dageraad (dat is voor zonsopgang) en zonsondergang. Het is één van de vijf zuilen van de islam.

Als we in de Bijbel kijken, dan zien we dat het vasten regelmatig genoemd wordt in het Oude Testament. Meestal werd er gevast als reactie op een specifieke situatie. Het werd gedaan door iemand alleen, bijvoorbeeld door David als het eerste kind dat hij en Bathseba hebben gekregen, ziek wordt (zie 2 Sam. 12:16). Achab vast als hij van de HEERE gehoord heeft dat de honden zijn bloed zullen drinken en de lichamen van zijn vrouw Izebel en van zijn familieleden zullen eten (zie 1 Kon. 21:17-27). Nehemia vast als hij hoort dat de muur van Jeruzalem is verscheurd en de poorten van deze stad met vuur verbrand zijn (zie Neh. 1:1-4). We lezen ook enkele keren in het Oude Testament dat een groep mensen gezamenlijk vast. Bijvoorbeeld in de tijd van Nehemia verzamelen de Israëlieten zich, ze trekken rouwkleren aan en strooien stof en aarde op hun hoofd (zie Neh. 9:1). In het Nieuwe Testament lezen we dat de discipelen van Johannes en de farizeeën regelmatig vasten (zie Matth. 9:14). De farizeeër deed het tweemaal per week, zo blijkt uit de gelijkenis van Jezus over de farizeeër en de tollenaar (zie Luk. 18:9-14). We lezen het ook over Anna, een profetes en een weduwe van 84 jaar oud. Ze was dag en nacht in de tempel te vinden, en ze diende God met vasten en bidden (zie Luk. 2:36-37). De eerste christenen hebben regelmatig gevast, zo blijkt uit het Bijbelboek Handelingen (zie 13:3; 14:23).

Dat Jezus waarschuwt tegen het vasten zonder dat je hart daarbij betrokken is, is duidelijk. Denk daarbij ook eens aan wat het doel is van vasten. En als je dat voor ogen hebt, zou het dan goed zijn als wij ook regelmatig vasten? Er staat in het Nieuwe Testament nergens een bevel om te moeten vasten. Maar als u wel vast, zalf dan uw hoofd en was uw gezicht, zegt Jezus. Zodat het door de mensen niet gezien wordt als u vast, maar door uw Vader, Die in het verborgene is; en uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal u ervoor geven. Vasten is een daad van zelfverloochening en het doden van je eigen vlees en je vernederen onder de hand van God. De geveinsden oftewel de hypocrieten maken hun gezichten onherkenbaar als zij vasten, zodat zij dan door de mensen gezien worden. Dat betekent niet alleen dat ze een droevige gezichtsuitdrukking hebben, maar ook dat ze hun gezicht vervuilen met as. Denk aan de uitdrukking: “in zak en as zitten”. Dat betekent dat je geen uitkomst meer weet, het niet meer ziet zitten. Jezus zegt dat de geveinsden hun loon al hebben. Het is duidelijk: Jezus bekritiseert niet het vasten op zichzelf, maar wel als je het doet met als doel om door de mensen verheerlijkt te worden. Hiermee sluit Hij volledig aan op wat er in het Oude Testament over “vasten” is geschreven. In Jesaja 58:5 stelt God de vraag: ‘Is dit het vasten dat Ik verkies: dat de mens zich een dag verootmoedigt, hij zijn hoofd buigt als een riet en in zak en as ligt?’ Het is een retorische vraag. Dit is geen vasten in de ogen van God. God stelt in hetzelfde vers in Jesaja nog een retorische vraag: ‘Is dat vasten en een dag die de HEERE welgevallig is?’ De HEERE geeft hiermee aan dat het niet de bedoeling is om alleen uiterlijk bedroefd te zijn over de zonde, zonder dat er sprake is van innerlijk berouw. Als je vast, dan moet je het niet doen voor de vorm, maar dan moet je dat doen door je te vernederen voor God om het heil dan ook alleen van God te verwachten.

God heeft de mens geschapen met als doel om Hem te aanbidden. Dat moet ook tot uiting komen als je vast. In de tijd dat Jezus hier als Mens op aarde rondliep, was vasten blijkbaar een uitgesproken gelegenheid om indruk te maken op andere mensen. Maar Jezus maakt duidelijk dat ware gerechtigheid alleen in het verborgen gezien wordt door de Vader in de hemel. Is het niet lastig om te herkennen of je iets tot je eigen eer doet, of dat je het doet tot eer van de Vader in de hemel? Het christenleven omvat heel ons leven. Als je goede werken doet, doe je dat dan met als doel dat de mensen gaan denken: “Zo, die is goed”, of doe je het met als doel dat zoveel mogelijk mensen de Vader in de hemel gaan verheerlijken? Denk bijvoorbeeld aan het samenkomen in de gemeente. Bijvoorbeeld dat we hier doordeweeks ook bijeen zijn op de mannenvereniging, terwijl veel mannen van onze gemeente wellicht ook hier hadden kunnen zijn, maar hiertoe geen behoefte voelden. Denk je dan: “Ik ben beter dan die ander?” Of zijn we uit dankbaarheid tot de Heere naar deze avond gekomen, omdat het een gelegenheid is die de Heere geeft om Zijn Woord – de Bijbel – te bestuderen? Uiteraard is het goed om hier te zijn, op een doordeweekse avond rondom het Woord van God. Zelfs met een verkeerde gesteldheid is het goed in die zin dat het altijd goed is om onder Woord van God te zijn. Met als doel dat het ons uitdrijft tot Hem, Die ons alleen kan zalig maken van onze zonden. Het gaat erom dat we het niet als een plicht voelen om naar de kerkdienst of naar een verenigingsavond te gaan, maar dat er sprake is van liefde. Liefde tot de Heere en tot Zijn dienst. Tegelijkertijd besef ik dat het lastig kan zijn om te weten of we goede werken doen uit eigen eer of tot eer van God. En dan bedoel ik met goede werken: alle werken die op zichzelf goed zijn, die dus op zichzelf Bijbels zijn. In de brede zin van het woord. Wanneer handelen we dusdanig dat we Gods eer bedoelen en niet onze eigen eer? Het is een vraag ter bespreking straks.

We gaan naar het tweede deel van Mattheüs 6:16-23, namelijk de verzen 19-23, een gedeelte dat vanavond ook centraal staat. Aanvankelijk dacht ik: het zijn twee verschillende onderwerpen die vanavond behandeld worden. Het eerste dus over het vasten en het tweede over schatten verzamelen. En dat zijn het ook. Met Mattheüs 6:19-34 begint een nieuw gedeelte van de Bergrede. Toch geeft Jezus in dit gedeelte uitleg over wat goede werken inhouden. Eerder zei Jezus in de Bergrede (zie Matth. 5:16): ‘Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien, en uw Vader, Die in de hemel is, verheerlijken.’ Naast de verzen 16-18 van Mattheüs 6 staan ook de verzen 19-23 van dit hoofdstuk vanavond centraal. In de verzen 19-23 gaat het niet in de eerste plaats over rijkdom, maar over het discipel van Jezus zijn, dus over het volgen van Jezus.

Het is me opgevallen dat Jezus over beide onderwerpen zowel iets verbiedt als ergens toe oproept. Jezus zegt hoe je niet moet vasten en vervolgens geeft Hij aan dat als je vast, hoe je dat wel moet doen. In het gedeelte over het schatten verzamelen roept Jezus eerst ertoe op om op een specifieke plaats geen schatten te verzamelen en vervolgens geeft Hij de specifieke plaats aan waar je wel schatten moet verzamelen. Jezus geeft het bevel om geen schatten op de aarde te verzamelen. Want de schatten op de aarde worden door mot en roest vernietigd, en daar zijn dieven die inbreken en stelen. Schatten op de aarde zijn dus onderhevig aan vernietiging door verschillende verschijnselen. En daar zijn mot en roest slechts twee voorbeelden van. Overigens is het woord dat in de Statenvertaling met “roest” vertaald wordt, vanuit de Griekse grondtekst moeilijk te vertalen. De oorspronkelijke betekenis van het woord is “eten”. Het Grieks heeft een apart woord voor “roest”, dat niet gebruikt wordt in Mattheüs 6. Het woord dat we hier in Mattheüs 6 lezen, kunnen we vertalen met “verval”. In Jakobus 5:2-3 staat: “Uw rijkdom is verrot, en uw klederen zijn van de motten gegeten geworden. Uw goud en uw zilver is verroest, en hun roest zal u zijn tot een getuigenis, en zal uw vlees als een vuur verteren; gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen.” Jakobus denkt hier ongetwijfeld aan wat de Heere Jezus heeft gezegd tijdens de Bergrede, in het tekstgedeelte dat vanavond centraal staat. In de grondtekst hier in Jakobus lezen we voor verrotten een combinatie van de woorden die in Mattheüs 6 voor “mot” en “verval” gebruikt worden. Er wordt weleens gedacht dat er in het Nieuwe Testament buiten de evangeliën om geen of nauwelijks uitspraken van de Heere Jezus staan. Toch komen we dus ook in de Nieuwtestamentische brieven regelmatig citaten van Jezus tegen. Jakobus veroordeelt de rijken die niet goed met hun rijkdom omgaan.

Het is overigens wel een les, ook voor ons als broeders. Stellen we ons vertrouwen op aards bezit, of zijn we gericht op de Vader in de hemel? Zijn we geborgen in God? Verheugen we ons in de dienst van de Heere? Een les ook om na te gaan hoeveel tijd we besteden aan de zaken van beneden. Uiteraard hoeven we niet de gehele dag in de Bijbel te lezen of de gehele dag specifiek aan God te denken, dat kan niet eens. Maar uiteindelijk is het wel zo dat heel ons leven gericht moet zijn op de dienst van de Heere. Dus ook in ons gedrag. Dus bijvoorbeeld dat we netjes met Gods schepping omgaan, dat we vriendelijk zijn tegenover collega’s op het werk enzovoorts. Dat we de mensen in onze naaste omgeving waarvan we weten dat ze de Heere niet dienen, vertellen over de noodzaak om te geloven dat Jezus Christus Gods eniggeboren Zoon is en de Zaligmaker.

Het woord dat in de grondtekst voor “vergaderen” oftewel “verzamelen” gebruikt wordt, komen we in het evangelie naar Mattheüs alleen in deze verzen (dus 19 en 20 van hoofdstuk 6) tegen. Voorop staat de waarschuwing om geen schatten op de aarde te verzamelen, maar in de hemel. Als we de tekst letterlijk lezen, dan lezen we een tegenstelling. Toch mogen we eraan twijfelen of Jezus echt elk zoeken van aardse schatten veroordeelt. Vanuit andere Bijbelteksten kunnen we opmaken dat Jezus niet al het bezit van geld en goed afwijst. Jozef van Arimathea was ondanks dat hij rijk was, een discipel van Jezus (zie Matth. 27:57). Denk bijvoorbeeld ook aan Abraham en Job, die vanwege hun rijkdom niet door God werden veroordeeld. Ook beveelt Jezus niet dat je alle arbeid die winst of rijkdom oplevert, zou moeten nalaten. Tegelijkertijd blijkt wel dat Jezus in rijkdom een groot gevaar ziet. Het is namelijk lichter dat kameel door het oog van een naald gaat, dan dat een rijke het Koninkrijk van God ingaat (zie Matth. 19:24). Jezus maakt dat ook duidelijk in Mattheüs 6:19, zij het wat indirect. En daarnaast is duidelijk dat de schatten hier op de aarde uiteindelijk verloren gaan. Dat geldt niet voor de schatten in de hemel. Schatten in de hemel worden niet vernietigd door mot en verval en in de hemel zijn geen dieven die inbreken en stelen.

Met het vergaderen van de hemelse schatten bedoelt Jezus in hoofdzaak “het zoeken van het Koninkrijk van God”, waarover we even verderop – in vers 33 – lezen. Het Koninkrijk van God en al het heil dat daaruit voortvloeit, vormen de hemelse schatten, omdat ze in de hemel bewaard worden. Weliswaar is er van de schatten van Gods Koninkrijk ook al iets op aarde te vinden, in die zin dat we er door het geloof al in mogen delen. De gelovigen erven de schatten in de hemel pas ten volle in de toekomst, dus in de hemel. Wat mij trof tijdens de voorbereiding, is dat er staat “schatten in de hemel”. Meervoud dus: “schatten”. De meeste van de zeven Bijbelverklaringen die ik op Mattheüs 6:16-23 heb geraadpleegd, gaan hier wel indirect op in. Maar ongetwijfeld is er meer over te zeggen.

Jezus zegt in vers 21 van Mattheüs 6: “Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.” Dit vers vormt het middelpunt van de verzen 19 en 20. Het hart is het meest centrale orgaan van de mens. Als iemand doof en/of blind is, maar als het hart van diegene nog klopt, dan blijft hij in leven. Het hart is ook het centrale orgaan van iemands innerlijke leven. Als je zegt: “daar ligt mijn hart”, dan bedoel je: “daar ben ik op mijn plek”. Daar ben je het liefst. Het hart is dus het belangrijkste orgaan van de mens. Degene die schatten op de aarde verzamelt, richt zijn aandacht op aardse zaken in plaats van op de wil van de Vader in de hemel. Denk ook aan de gelijkenis die Jezus vertelt over een rijke man (zie Luk. 12:13-21). Het land van die rijke man brengt veel vruchten voort en zijn schuren zijn te klein voor de grote oogst. Hij besluit om nieuwe en grotere schuren te bouwen en hij zegt tegen zijn ziel dat hij veel goederen heeft. God zegt echter tegen hem: “Gij dwaas, in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?” Jezus zegt dat het zo ook is met degene die schatten voor zichzelf verzamelt en niet rijk is in God.

Dan komt de vraag naar ons toe: Wat is het belangrijkste in ons leven? Wat doen we met de tijd die de Heere ons geeft? Er zijn zoveel dingen die ons kunnen afhouden van de Heere. Dat kan bijvoorbeeld tot uiting komen in het beluisteren van verkeerde muziek, bijvoorbeeld popmuziek. Maar ook in bijvoorbeeld dag in dag uit urenlang kletsen met iemand zonder ook maar enigszins met elkaar over God en het werk van de Heere Jezus te spreken. Jezus zegt dat waar uw schat is, ook uw hart is. Waar is het hart vol van? Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. Als we de Heere dienen, dan komt dat naar buiten, dan komt dat dus openbaar. Onze eigen predikant ds. Bouman heeft het tijdens preken ook gezegd dat het vreemd zou zijn als mensen met wie we vaak omgaan pas na maanden of jaren over ons zeggen: “Hé, is dat er één van de kerk, dat heb ik nooit eerder geweten.” Het gaat erom dat we bijwoners en vreemdelingen op aarde zijn. Dat we onze wandel eerlijk houden onder de heidenen, en dat de heidenen uit de goede werken die ze in ons zien God zullen verheerlijken (zie 2 Petr. 2:11-12).

De verzen 22 en 23 van Mattheüs 6 zijn verzen die moeilijk te begrijpen zijn. Dat zeggen ook meerdere Bijbelverklaarders. In vers 21 heeft Jezus gesproken over het hart. Nu spreekt Hij over het oog. Jezus zegt dat het oog de lamp van het lichaam is. Jezus maakt onderscheid tussen een eenvoudig oog en een boos oog. Als uw oog eenvoudig is, dan zal uw lichaam verlicht zijn. Als uw oog boos oftewel kwaad is, dan zal uw lichaam in duisternis zijn. Als we letten op het gedeelte dat aan de verzen 22 en 23 voorafgaat en het gedeelte dat erop volgt, dan zouden we het kunnen zien in de context van bezit. Het oog begeert óf de schatten op de aarde, óf de schatten in de hemel. Als het hart gericht is op aardse schatten, zal het oog ook gericht zijn op aardse mogelijkheden en deze belichten. Het oog is dan niet oprecht, en het stuurt ons lichaam de verkeerde kant op. Een kwaad oog maakt het lichaam duister. Waarom noemt Jezus nu na het hart het oog? Mogelijk omdat we door de zondeval vanuit onszelf zondige mensen zijn en we als het aan ons ligt, alleen maar de duivel dienen en schatten op de aarde verzamelen. Terwijl ons lichaam beheerst moet worden door schatten in de hemel. Vers 23 maakt duidelijk dat we het licht niet van de wereld om ons heen moeten verwachten. Als het licht niet in onszelf is, staan we in het duister. Het enorme belang van het verlichte oog wordt door Jezus nog eens sterk benadrukt: ‘Als dan het licht in u duisternis is, hoe groot is de duisternis zelf!’ Wanneer het oog van een persoon kwaad is, dan is die niet gericht op het Koninkrijk van God, en dan voert het deze persoon in de duisternis. Deze gedachte gaat in vers 24 verder. De gehoorzaamheid aan slechts één heer sluit het dienen van de andere heer helemaal uit. Maar vers 24 staat op het rooster voor de volgende avond.

Aan het einde van deze inleiding zou ik u en mijzelf willen oproepen om ons te beproeven of we werkelijk in het geloof zijn. In de Bijbelverzen die vanavond centraal staan, wordt opnieuw duidelijk dat er slechts twee wegen zijn. Of we wandelen op de brede weg, die naar de eeuwige ondergang leidt. Of we wandelen op de smalle weg, die naar het eeuwige leven leidt. Wat is het mooi als we met ons hart de woorden van Psalm 62 mogen zingen: “Mijn ziel is immers stil tot God, van Hem wacht ik een heilrijk lot.”


Zingen: Psalm 62:1,7,8

Vragen voor mannenvereniging bijeenkomst 13-01-2020, bij inleiding over Mattheüs 6:16-23
1.     Is het goed en/of nodig om te vasten? Waarom?
2.     Wanneer handelen we dusdanig dat we Gods eer bedoelen en niet onze eigen eer?
3.     Welke schatten dienen we te verzamelen?
4.     Verzamelen we schatten op de aarde? Zo ja, welke en hoe raken we hiervan af?
5.     In de verzen 22 en 23 stelt Jezus het oog als menselijk lichaamsdeel centraal. Waarom?
6.     Petrus noemt de christenen aan wie hij schrijft “bijwoners en vreemdelingen” (zie 1 Petrus 2:11). Waarom noemt hij ze zo?