donderdag 26 november 2020

Bijbelstudie over Jesaja 1 t/m 39

Inmiddels ben ik tijdens mijn persoonlijke Bijbelstudie op volgorde gekomen tot Obadja. Ik wil ruimte creëren om terug te blikken op het gelezene. Kortgezegd een periode om te resumeren. Ik merk dat dit erg leerzaam is. Per dag besteed ik minimaal een uur aan deze “resumeerperiode”, totdat ik weer bij Obadja ben gekomen. Want met teruglezen is het mogelijk om het gelezene weer eens goed in het geheugen op te nemen. Naar mijn mening is het goed om een Bijbelgedeelte samen te vatten en te formuleren wat men persoonlijk hierin is opgevallen. Graag vraag ik nu aandacht voor het eerste deel van Jesaja (de hoofdstukken 1/m 39), daarna volgen het tweede en het derde deel van Jesaja (hoofdstukken 40 t/m 55, 56 t/m 66), Jeremia, Klaagliederen, Ezechiël, Daniël, Hosea, Joël en Amos. Wat mij vooral is opgevallen in het eerste deel van Jesaja, is zowel Gods straf op de zonde van de volken die genoemd worden, maar ook Gods genade, in het bijzonder jegens “de rest” van Israël en Juda, die dankzij die genade de HEERE dienen. Er wordt overigens wel meerdere keren opgeroepen om de HEERE te dienen. Wel is mij duidelijk opgevallen dat het op Gods initiatief is dat er een volk is dat Hem dient en zal dienen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de bekende tekst uit Jesaja 9:1 (ik citeer uit de HSV): “Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Zij die wonen in het land van de schaduw van de dood, over hen zal een licht schijnen.” Bij mijn weten valt in dit kader op twee manieren naar deze tekst – die overigens nog altijd heel actueel is, zeker met de naderende adventstijd – te kijken: God weet vooraf dat dit volk een groot licht zal zien; God zal ervoor zorgen dat het volk een groot licht zal zien. Deze twee punten sluiten elkaar natuurlijk niet uit. De meeste verklaringen die ik op deze tekst heb gelezen, benadrukken het tweede genoemde uitgangspunt. Gelet op de uitverkiezing is dat naar mijn oordeel plausibel. In Jesaja 1 t/m 39 worden veel namen van o.a. steden en gebieden genoemd. In deze studie heb ik ervoor gekozen om ze alle te noemen, in het bijzonder om kennis van feiten op te frissen en/of bij te brengen.

Jesaja heeft een visioen gezien over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, koningen van Juda. Dit staat in het eerste vers. Jesaja zal hebben geprofeteerd tussen ca. 740 en 700 voor Christus. Dat is dus ver voor de ballingschap van Juda naar Babel. In 586 voor Christus worden de muren en de tempel van Jeruzalem door de Babylonische koning Nebukadnezar verwoest. Over deze precieze tijdsaanduiding ben ik in de diverse literatuur geen verschil van mening tegengekomen. Veel geleerden gaan ervanuit dat het eerste hoofddeel van Jesaja (hoofdstukken 1 t/m 39) door Jesaja zelf geschreven is. Maar omdat het tweede en ook het derde hoofddeel van Jesaja (hoofdstukken 40 t/m 55, 56 t/m 66) wat anders van karakter zijn dan het eerste hoofddeel, gaan velen ervanuit dat deze delen niet door Jesaja zelf geschreven zijn.  Tijdens de theologiestudie die ik aan de Vrije Universiteit Amsterdam volgde, kreeg ik aan het begin een vak genaamd “Inleiding op het Oude Testament”. Als verplichte literatuur werd o.a. opgegeven “Oud-Israëlitische & Vroeg-Joodse literatuur” geschreven door prof. dr. A.S. van der Woude en prof. dr. Th.C. Vriezen. Volgens de twee genoemde professoren moet Jesaja tussen 765 en 695 voor Christus geleefd hebben (zie p. 255). 

Jesaja heeft meerdere thema’s. Jesaja was getrouwd met een profetes (zie 8:3) en had in ieder geval twee zoons: Sjear-Jasjub (zie 7:3) (zijn naam betekent: “een rest zal terugkeren”, een cruciaal thema in Jesaja) en Maher Sjalal Chasj Baz (zie 8:3) (zijn naam betekent “haastige roof, vlugge buit”).

Het boek Jesaja zet in het tweede vers direct in met het spreken van de HEERE. De HEERE heeft kinderen grootgebracht en laten opgroeien, maar ze zijn tegen Hem in opstand gekomen. Een rund kent zijn bezitter, een ezel de kribbe van zijn eigenaar, maar Israël heeft geen kennis en geen inzicht. We lezen in het eerste hoofdstuk meerdere oproepen van de HEERE aan de Israëlieten om het goede te doen en het kwade te laten. Ze moeten tevens de verdrukte helpen, de wees rechtdoen en de rechtszaak van de weduwe bepleiten. Dan zullen hun zonden wit (vergeven) worden. Wat mij is in het eerste hoofdstuk in het bijzonder is opgevallen, is dat Jesaja in de verzen 8 en 9 al een blik in de toekomst werpt. Er is maar heel weinig van Jeruzalem overgebleven en als de HEERE niet een klein aantal heeft overgelaten, dan zou Jeruzalem als Sodom en Gomorra (zie Genesis 19) geweest zijn. Overigens is het thema van “een rest” een steeds terugkerend thema in Jesaja. Ik was van plan om zodra ik met het op volgorde Bijbellezen bij Psalm 137 was aangekomen, iets te schrijven over de Babylonische ballingschap. In die Psalm uit het volk Juda na de ballingschap haar klacht. Ze huilen als ze aan Sion (Jeruzalem) denken en hun harpen hangen ze aan de wilgen.

Maar Jesaja schrijft ook veel over de ballingschap. Daarom kan ik er nu ook over schrijven. Al in het eerste hoofdstuk lezen we het oordeel over Jeruzalem. Er zullen nare dingen gebeuren voor zondaren. Jeruzalem is vol van mensen die de HEERE verlaten hebben. Daardoor is de stad een hoer geworden (zie 1:21). Toch is dat niet het enige wat over Jeruzalem gezegd kan worden. Al in hoofdstuk 2 lezen we over het laatste van de dagen, dan zal de berg van het huis van de HEERE vaststaan. Dan zullen vele volken opgaan naar de berg van de HEERE, naar het huis van de God van Jakob. Hoogstwaarschijnlijk gaat het hier over de eindtijd. Volgens de HSV-Studiebijbel gaat het hier over zowel de nabije toekomst alsook de verre toekomst: “HEERE van de legermachten”, en het zevenvoudig “op die dag” (naast de verzen 11, 17 en 20 van hoofdstuk 2 ook in 3:7,18 en in 4:1,2) duidt volgens de HSV-Studiebijbel op de eindtijd. Er zijn andere verklaringen die hier – zij het wat indirect – ook vanuit gaan, en die meer het oordeel benadrukken.

In Jesaja 3 lezen we dat de Heere, de HEERE van de legermachten, van Jeruzalem en Juda steun en stut gaat wegnemen: elke steun van brood en water, held en strijdbare man, rechter en profeet, waarzegger en oudste, hoofdman over vijftig en man van aanzien, raadsman, kundig vakman en scherpzinnig bezweerder. Hij vervangt ze door willekeurige jongens. Net als Sodom maken Jeruzalem en Juda hun zonden openlijk bekend. Verder zal de Heere de sieraden van de dochters van Sion wegnemen.

In Jesaja 4:1 lezen we dat op die dag zeven vrouwen één man zullen vastgrijpen. Ze hopen dat zo hun smaad (van kinderloosheid) zal worden weggenomen. Voortdurend lezen we in Jesaja over de komende Messias. In hoofdstuk 4 schrijft Jesaja over de “Spruit van de HEERE”. Op die dag zal deze Spruit tot sieraad en tot heerlijkheid zijn, en de vrucht van de aarde tot trots en luister voor degenen in Israël die ontkomen zijn. De HEERE zal over elke plaats op de berg Sion en over de samenkomsten bescherming geven, wanneer de Heere de zonden van Jeruzalem weggespoeld heeft door de Geest van oordeel en door de Geest van uitbranding.

In Jesaja 5 lezen we dat Jesaja een lied voor zijn Beminde wil zingen, een lied over Jesaja’s Geliefde en Diens wijngaard. De Beminde verwachtte dat de wijngaard goede druiven zou voortbrengen, maar de wijngaard bracht stinkende druiven voort. De Beminde zegt dat hij de omheining van zijn wijngaard zal wegnemen, zodat hij verwoest zal worden. De wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël, en de mannen van Juda Zijn lievelingsplant. Hij verwachtte gerechtigheid, maar het werd bloedvergieten. In de verzen 8 t/m 24 lezen we een zesvoudig “wee”. De HEERE zal iedereen vernederen: gewone, rijke en hoogmoedige mensen. Hij doet daarmee recht. Jesaja spreekt een wee uit over degenen die zich onrechtmatig huis aan huis trekken en veld aan veld toevoegen totdat er geen plaats meer over is voor een ander, over degenen die drankverslaafd zijn, over degenen die de ongerechtigheid naar zich toetrekken met koorden van valsheid, over degenen die het kwade goed noemen en het goede kwaad, over degenen die in hun eigen oog verstandig zijn, over degenen die helden zijn in het drinken van wijn.

In hoofdstuk 6 lezen we over de roeping van Jesaja, dat Jesaja in het ambt van profeet wordt bevestigd. In het jaar dat koning Uzzia sterft, ziet Jesaja de Heere op een hoge troon zitten, en de zomen van de Heere vullen de tempel. Serafs (letterlijk: vlammen) staan boven hem. Ieder heeft zes vleugels: met twee bedekt ieder zijn gezicht, met twee bedekt ieder zijn voeten en met twee vliegt ieder. De één roept tot de ander: “Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten, heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid!” Jesaja antwoordt: “Wee mij, want ik verga!” Hij zegt dat hij een man met onreine lippen is en zich bevindt te midden van een volk met onreine lippen. Jesaja zegt dat zijn ogen de Koning, de HEERE van de legermachten, hebben gezien. Maar één van de serafs vliegt naar Jesaja toe, met een gloeiende kool, afkomstig van het altaar, in zijn hand, en raakt hiermee Jesaja’s mond aan en zegt dat de zonde van Jesaja verzoend is. Daarna hoort Jesaja de stem van de Heere, Die zegt: “Wie zal Ik zenden? Wie zal voor Ons gaan?” (Ons: is meervoud, en ondersteunt de christelijke drie-eenheidsleer, zoals bijvoorbeeld ook Genesis 1:26). Jesaja antwoordt: “Zie, hier ben ik, zend mij.” De Heere maakt Jesaja duidelijk dat hij tegen “dit” volk (het volk van de Heere) moet zeggen dat het naar hem moet horen, maar dat het niet zal luisteren. De verzen 9 en 10 worden in het Nieuwe Testament aangehaald in Mattheüs 13:14-15, Johannes 12:39-40 en in Handelingen 28:25-27, waarin duidelijk gemaakt wordt waardoor bepaalde Joden het evangelie van Christus niet gelovig aanvaarden. Vanuit Jesaja 6:11-12 wordt duidelijk dat het ongeloof van Juda zal blijven, totdat de steden van Juda verwoest worden en de inwoners in ballingschap weggevoerd zullen worden. De Heere zal alleen een rest overlaten dat een heilig zaad is, dat de Heere blijft dienen. Dat heilig zaad wordt vergeleken met een stronk na het omhakken van een boom.

In Jesaja 7:14 lezen we de naam “Immanuël”. De koning van Juda, Achaz (de zoon van Jotham en de kleinzoon van Uzzia) krijgt ongevraagd een teken van de HEERE als blijkt dat Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de koning van Israël, oorlog tegen Juda willen voeren. Achaz is echter niet sterk genoeg om de overwinning te behalen. Echter nog 65 jaar en dan zal Efraïm (is Tienstammenrijk Israël) verbroken worden (zie 7:8). In 722 voor Christus wordt Israël namelijk door de Assyriërs in ballingschap gevoerd. Vanuit 2 Koningen 16:7 weten we dat Achaz boden stuurt naar Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië met de vraag of hij hem wil verlossen van de koning van Syrië en die van Israël. We zien hier dat Achaz niet naar de HEERE vraagt. Vanwege het ongeloof van Achaz geeft God hem ongevraagd een teken. In de nabijheid van Achaz zal een maagd zwanger worden, een zoon baren en men zal hem de naam Immanuël geven. In de tijd dat deze jongen nodig heeft om het kwade te verwerpen en het goede te kiezen, zal de dreiging van Syrië en Efraïm t.o.v. Juda voorbij zijn. Over Jesaja 7:14 valt meer te zeggen in het licht van het Nieuwe Testament (zie Mattheüs 1:21). Deze tekst is een profetie over de geboorte van Jezus Christus uit de maagd Maria. In het Hebreeuws staat er voor het woord “maagd” עַלְמָה, dat 9 keer voorkomt in de Hebreeuwse Bijbel: Gen. 24:43, Ex. 2:8, Jes. 7:14, Ps. 46:1, Ps. 68:26, Spr. 30:19, Hoogl. 1:3 en 6:8 en 1 Kron. 15:20. De Statenvertaling en de Herziene Statenvertaling kiezen in Jesaja 7:14 voor de vertaling “maagd”, maar er zijn ook vertalingen die voor “jonge vrouw” kiezen. Volgens de Brown-Drivers-Briggs betekent het woord: “jonge vrouw, seksueel rijp; maagd of pasgeleden getrouwd”. Wanneer men het principe van “tota Scriptura” (de gehele Schrift) hanteert, dan past de vertaling “maagd” het beste. Vanuit Lukas 1:34-35 weten we dat Maria maagd was. Ze was niet getrouwd met een man en ze heeft ook geen gemeenschap met een man gehad. Met andere woorden: Maria was maagd. Om recht te doen aan het feit dat Jesaja 7:14 een profetie is, is de vertaling “maagd” het beste. 

In hoofdstuk 8 lezen we het gericht over Syrië en Israël. Jesaja neemt twee trouwe getuigen, Uria, de priester, en Zacharia, de zoon van Jeberechja, die Jesaja’s profetieën bevestigen. Voordat Jesaja’s zoon Maher Sjalal Chasj Baz “mijn vader” of “mijn moeder” kan zeggen, zal de koning van Assyrië Samaria, de hoofdstad van het Tienstammenrijk, en Damascus, de hoofdstad van Syrië, hebben veroverd. Het volk Juda veracht echter de wateren van Siloah, en er is vreugde bij Rezin en de zoon van Remalia. Echter de Heere doet over hen opkomen (over Juda, het land van “Immanuël”) de machtige wateren van de rivier de Eufraat, de koning van Assyrië met zijn heerlijkheid. Maar Immanuël (God met ons) verbreekt de beraadslaging van de Assyriërs. Juda hoeft niet bang te zijn voor Syrië en Israël. De HEERE der heirscharen zal hen tot een Heiligdom zijn. Maar voor velen ook een Rots, waarover ze zullen struikelen en een Net waarin de inwoners van Jeruzalem verward zullen raken. Petrus zegt dat Jezus Christus voor degenen die het Woord ongehoorzaam zijn, een Rots van ergernis is (1 Petrus 2:7-8). Zij moeten terug naar de Wet en het Getuigenis! Maar er zal geen donkerheid blijven in het land waarin nu benauwdheid is. Zoals Hij voorheen over het land van Zebulon en van Naftali smaad heeft gebracht, zo zal Hij in de latere tijd eer bewijzen aan de Weg van de zee, de overkant van de Jordaan, het Galilea waar de heidenvolken zijn. Mattheüs citeert deze tekst in 4:14-16 van zijn evangeliebeschrijving, omdat Jezus Nazareth verliet en in Kapernaüm, in het gebied van Zebulon en Naftali, ging wonen.

In hoofdstuk 9 lezen we over het volk dat in duisternis wandelt, een groot licht zal zien. Het juk van hun last heeft God verbroken. Dit vergelijkt Jesaja met de dag van Midian. Dit is ongetwijfeld een verwijzing naar Richteren 7, waar we lezen dat Gideon met slechts 300 mannen met Gods hulp het leger van 135.000 Midianieten verslaat. Verder lezen we in Jesaja 9 over een Kind dat ons geboren is, met de veelzeggende Namen: Wonderlijk, Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader en Vredevorst. Vanuit het Nieuwe Testament weten we dat dit over Jezus Christus gaat (zie Matth. 4:16). In hetzelfde hoofdstuk (Jesaja 9) lezen we enkele oordeelsprofetieën. Zo lezen we dat Syrië, Assyrië en de Filistijnen gezamenlijk zullen optrekken tegen Israël. Op een dag snijdt de HEERE de kop en staart, palmtak en riet van Israël af. Meerdere verklaarders denken hierbij aan de val van Israël in 722 voor Christus, toen Assyrië een groot deel van de Israëlieten in ballingschap voerde. In hoofdstuk 10 lezen we echter dat ook Assyrië ten onder zal gaan. Assyrië was trots op zijn macht. In 10:9 worden enkele steden genoemd (Kalno, Karchemis, Hamath, Arpad, Samaria, Damascus) die Assyrië veroverd had. De Assyriër meent, nadat hij Samaria en zijn afgoden heeft overwonnen, ook Jeruzalem en zijn afgodsbeelden te kunnen overtreffen. Maar “op die dag” zal het gebeuren dat de rest van Israël en degenen die van het huis van Jakob ontkomen zijn, niet meer zullen steunen op de Assyriërs, maar op de HEERE, de Heilige van Israël. Net zoals de HEERE de Midianieten versloeg (zie Richteren 7:19) en Hij de Egyptenaren heeft laten verdrinken (zie Exodus 14:26-31), zo zal Hij ook de koning van Assyrië verslaan. Bij Ajath trekken de Assyriërs de grens over van Israël naar Juda. Omdat ze Geba nog voor de nacht willen ingaan, laten ze een gedeelte van hun legeruitrusting achter in Michmas. We lezen vervolgens de reactie van Juda: Rama beeft, en Gibea, de stad van Saul, slaat op de vlucht. Gallim, Laïs, Anathoth, Madmena, Gebim worden als Judese steden genoemd die armzalig zijn en op de vlucht slaan. De Assyriërs zijn al bij Nob, een priesterstad van Juda, en nog dezelfde dag wordt Jeruzalem belegerd. Maar de HEERE zal met geweld de takken, die zichzelf hoog wanen, afhouwen. De Libanon, waarmee de Assyriërs vergeleken worden, zal vallen door de Machtige.

In hoofdstuk 11 lezen we weer Messiaanse profetieën. Uit de afgehouwen tronk van Isaï (de vader van David) zal een Twijg opgroeien, en uit Zijn wortels zal een Loot opschieten en vrucht dragen. Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten: de Geest van wijsheid en inzicht, de Geest van raad en sterkte, de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN. De aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE, want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn. Op die dag zal het gebeuren dat de Heere voor de tweede keer met Zijn hand de rest van Zijn volk zal verwerven, die overgebleven zal zijn in Assyrië en Egypte, in Pathros, Cusj, Elam, en in Sinear, Hamath en op de eilanden in de zee. We lezen dat de HEERE de verdrevenen van Israël en de verstrooiden van Juda (Efraïm) bijeen zal vergaderen. De strijd tussen de beide volken zal dan ook voorbij zijn. De Heere zal Israël en Juda verlossen van hun vijanden: de Filistijnen, Edom, Moab, de Ammonnieten. Net als in de tijd toen Israël uit Egypte bevrijd werd, zal de HEERE ook nu de inham van de zee van Egypte met de ban slaan, en de rivier uiteenslaan in zeven stromen zodat er een gebaande weg is voor de rest van Gods volk, die overgebleven zal zijn in Assyrië.

Jesaja 12 is een loflied op de HEERE. De verlosten zingen dat God hen tot heil geworden is. Op die zal zal men zeggen dat men de HEERE moet danken en psalmen voor de HEERE moet zingen, want Hij heeft zeer grote dingen gedaan. In Jesaja 13 profeteert Jesaja over de ondergang van Babel. We weten dat later de Meden en de Perzen in 539 voor Christus Babel zullen innemen. Babel zal worden als toen God Sodom en Gomorra ondersteboven keerde (zie Genesis 19:25). In hoofdstuk 14 lezen we nogmaals dat de HEERE Zich over Jakob zal ontfermen en dat Hij Israël nog zal verkiezen. We lezen tevens een spotlied over Babel. De ceders van Libanon zeggen dat sinds Babel ten ondergebracht is, niemand meer omhoog klimt om hen om te hakken. In het laatste deel van het hoofdstuk lezen we profetieën over Assyrië en de Filistijnen. De HEERE zal Assyrië verbreken in Israël en Filistea moet wegsmelten van angst. De hoofdstukken 15 en 16 gaan over Moab. Moab zal verruïneerd worden. Er worden veel Moabitische plaatsen genoemd: Baïth, Dibon, Nebo, Medeba, Hesbon, Eleale, Jahaz. Er klinkt geschreeuw binnen het gehele gebied van Moab: zijn gejammer tot Eglaïm toe, en tot Beër-Elim toe. De Moabieten zijn met haast naar Zoar gevlucht, de weg naar Luhith gaan zij op met gehuil en op de weg naar Horonaïm heffen zij noodgeschrei aan. Ook de HEERE treurt over de verruïnering van Moab. De wateren van Nimrim worden een woestenij. De wateren van Dimon zijn vol bloed en er zal een leeuw over de ontkomenen van Moab gaan. Wat Dimon is, is onbekend. In de HSV-Studiebijbel staat dat 16:1-5 verschillend uitgelegd wordt. Het kan een waarschuwing van Juda aan Moab zijn om Juda te blijven gehoorzamen en Juda’s vluchtelingen op te nemen. Anderen menen dat Moabs vluchtelingen asiel vragen in Sion. In de overige verzen van hoofdstuk 16 (de verzen 6-14) lezen we over hoogmoedige trots van Moab, die omgekeerd zal worden in weeklagen. Aan de rozijnenkoeken van Kir-Hareseth zullen ze terugdenken, en de velden van Hesbon zijn verkommerd, evenals de wijnstok van Sibma. De heersers van de heidenvolken hebben hun edele druivenplanten vertrapt. Zij reikten tot Jaëzer en ze dwaalden in de woestijn. Zijn ranken verspreidden zich en hingen tot over de zee. Jesaja zal daarom bij het huilen over Jaëzer de wijnstok van Sibma bewenen. Jesaja huilt ook over het lot van Hesbon en Eleale. Over hun vruchten en hun oogst is de vreugde voorbij. Jesaja’s ingewanden klagen over Moab. Het gaat hem niet in de eerste plaats om de verruïnering van Moab, maar omdat Moab zijn heil zoekt bij een afgod. Binnen drie jaar zal de verruïnering een feit zijn. Waarschijnlijk verwijst Jesaja hier naar de Assyriërs. Vanuit 2 Koningen 18:9 weten we dat Salmaneser, de koning van Assyrië, in het zevende regeringsjaar van Hosea, de koning van Israël (dit was het vierde regeringsjaar van de koning Hizkia in Juda) tegen Samaria opkwam en deze stad belegerde. Waarschijnlijk heeft hij toen ook Moab veroverd. We lezen namelijk dat Salmaneser er drie jaar over deed om Samaria in te nemen. Hij voerde de Israëlieten weg naar Assyrië, en deed hen leiden in Halah en in Habor, bij de rivier Gozan en in de steden van de Meden. Israël was namelijk de stem van de HEERE ongehoorzaam geweest.

In Jesaja 17 lezen de last over Damascus. Damascus houdt op een stad te zijn. De steden van Aroër zullen verlaten worden. De vesting uit Efraïm zal weggedaan worden en ook het koninkrijk uit Damascus, evenals de rest van de Syriërs. Ook de luister van Jakob zal verteren. Het zal hem vergaan zoals bijvoorbeeld als iemand aren verzamelt in het dal van Refaïm, er maar een nalezing van die aren zal overblijven. Toch zal een rest zich nog richten op de Heilige van Israël. In Jesaja 18 lezen we een profetie over Cusj (Nubië). Dit hoofdstuk is bedoeld om de Joden niet te laten vertrouwen op de hulp van Nubië. In hoofdstuk 19 lezen we de last over Egypte. De afgoden van Egypte zullen beven voor Zijn aangezicht. De HEERE zal de Egyptenaren tegen elkaar ophitsen. De Nijl zal droogvallen, de papyrusplanten langs die rivier en alles wat is ingezaaid langs die rivier, zal verdorren. De vorsten van Zoan zijn enkel dwazen. De vorsten van Nof zijn bedrogen. Toch zullen er vijf Egyptische steden de taal van Kanaän spreken en zweren bij de HEERE van de legermachten. Ze zullen Hem dienen met slachtoffer en met graanoffer, Hem gelofte doen en die nakomen. De HEERE zal hen genezen. De Egyptenaren zullen samen met de Assyriërs de HEERE dienen. In hoofdstuk 20 lezen we dat Jesaja in opdracht van de HEERE drie jaar naakt en barrevoets rondloopt. Zo zal de koning van Assyrië de gevangenen van Egypte en de ballingen uit Cusj wegvoeren, naakt en barrevoets, tot schande van Egypte. Hoofdstuk 20 wil zeggen dat Juda niet op Egypte moet vertrouwen, maar alleen op de HEERE. In hoofdstuk 21 lezen de last over de woestijn aan de zee (profetie over Babel), de last over Duma en de last over Arabië. Babel is gevallen. De tweede is een profetie over Edom. Dat weten we omdat men (de Edomieten) de profeet Jesaja vanuit Seïr roepen (vergelijk met Genesis 32:3). Edom krijgt de raad te blijven vragen. In de derde Godsspraak van Jesaja 21 lezen we dat de Dedanieten (afstammelingen van Dedan, de zoon van Joksan, een zoon van Abraham en Ketura (zie Genesis 25:3) moeten overnachten in het woud in Arabië. De profeet Jesaja geeft de inwoners van het land Tema, dat ook in Arabië ligt, om de vluchtelingen tegemoet te komen met brood en water. Binnen een jaar zal het gedaan zijn met de luister van Kedar (Arabië). In het eerste deel van hoofdstuk 22 (de verzen 1 t/m 14) lezen we over de last van het Dal van het Visioen. Dit is een profetie over Jeruzalem. Dat de muren van Jeruzalem omver worden gehaald, is een dag van de Heere, de HEERE van de legermachten. Elam en Kir richten zich tegen Jeruzalem. Jeruzalem zegt: “Laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij!” Paulus citeert deze uitspraak van het volk in 1 Korinthe 15:32, waarmee hij aangeeft dat het een uitspraak is van degenen die niet verder zien dan het aardse leven. De HEERE van de legermachten zegt dat deze ongerechtigheid van het volk niet wordt verzoend. Jesaja 22:15-25 lezen we een profetie over Sebna en Eljakim. Sebna is het hoofd van de hofhouding. De HEERE zet de hoogmoedige Sebna uit het ambt en geeft dit ambt aan Zijn dienaar Eljakim, de zoon van Hilkia. De HEERE zal de sleutel van het huis van David op de schouder van Eljakim leggen. Jesaja 23 gaat over de last van Tyrus. Het bericht over de verwoesting van Tyrus komt vanuit het land van de Kittiërs (Cyprus). Daarover moeten de schepen van Tarsis weeklagen. De kooplieden van Sidon hadden Tyrus welvaart gebracht. Over de grote wateren kwam het zaad van Sichor, de oogst van de Nijl was zijn inkomen; het was de marktplaats voor de heidenvolken. Tyrus heeft geen macht meer, dus Tarsis kan zijn invloed uitbreiden. In vers 13 richt Jesaja zijn aandacht op het land van de Chaldeeën (Babel). Assyrië heeft Babel ingenomen (later zal Babel weer als zelfstandige staat verdergaan). Tyrus zal vergeten worden voor zeventig jaar. Maar na die tijd zal de HEERE naar Tyrus omzien. Echter Tyrus zal opnieuw hoererij bedrijven met alle koninkrijken van de wereld. Maar God zal dit hoerenloon ten goede keren voor degenen die wonen voor het aangezicht van de HEERE. In Jesaja 24:1-20 lezen we over de verwoeste stad. De HEERE maakt het land leeg en verwoest het. De wijndrinkers hebben plaatsgemaakt voor degenen die de HEERE verheerlijken. Jesaja klaagt over alle ontrouw in de wereld. 

In Jesaja 25 lezen we een loflied op de HEERE. Jesaja belijdt dat hij en de zijnen Hem hebben verwacht, en Hij zal hen verlossen. De hand van de HEERE zal rusten op de berg (Sion), maar Moab zal worden vertrapt. In hoofdstuk 26 gaat de lofzang van de verlosten verder. In Juda zal dan worden gezongen dat ze een sterke stad hebben en dat God heil tot muren en vestingwallen stelt. Het hoofdstuk bevat een oproep om op de HEERE te vertrouwen. De HEERE zal Zijn tegenstanders door het vuur verteren. In het verlengde hiervan lezen we in hoofdstuk 27 dat God ook de leviathan, de snelle slang, zal doden. De HEERE zal de ongerechtigheid van Jakob verzoenen. Na de ballingschap wordt het volk bijeen vergaderd. De HEERE zal het volk terugbrengen vanaf de rivier tot aan de beek van Egypte (de Nijl). Op die dag zal er op een grote bazuin geblazen worden. Dan zullen degenen komen die verloren zijn in het land van Assyrië en die verdreven zijn naar het land Egypte en zij zullen zich voor de HEERE neerbuigen op de heilige berg in Jeruzalem.

In de hoofdstukken 28 t/m 33 klinkt een zesvoudig “wee”, met beloften. In de verzen 1 t/m 6 hoofdstuk 28 gaat het over de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm. De Heere heeft iemand die sterk en machtig is en die zal de kroon vertrappen. Het tweede gedeelte van Jesaja 28 is gericht tegen de leiders van Jeruzalem. Ook dezen (de priester en de profeet) zijn gevallen in de zonde van dronkenschap. Ze drijven de spot met het woord van de HEERE. Ze zeggen: “gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een beetje, daar een beetje.” De Heere HEERE zegt dat Hij in Sion een steen ten grondslag legt, een beproefde steen, een kostbare steen, die vast gegrondvest is. “Wie gelooft, zal zich niet haasten.” Dan zal het verbond met de dood, dat de leiders van Jeruzalem gesloten hebben, tenietgedaan worden. De HEERE zal een vreemd werk doen: Hij zal opstaan zoals op de berg Perazim en Hij zal woeden zoals in het dal van Gibeon: Hij zal een einde maken aan Jeruzalem (Zijn eigen volk). In Baäl-Perazim heeft David ooit de Filistijnen verslagen en de Filistijnen lieten toen hun afgodsbeelden achter (zie 2 Samuël 5:17-21). In het dal Gibeon heeft Jozua ooit de Amorieten verslagen (zie Jozua 10:10). Het derde gedeelte van Jesaja 28 (de verzen 23 t/m 29) gaat over een ploeger, die op de juiste tijd weet de zaaien. Ook dit gaat uit van de HEERE van de legermachten: Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad. In hoofdstuk 29 wordt het wee uitgesproken over Ariël (Jeruzalem). Door de HEERE van de legermachten zal Ariël gestraft worden, met donder, aardbeving en groot geluid, wervelwind, storm en de vlam van een verterend vuur. Het volk nadert de Heere met de mond. Ze eren Hem met hun lippen, maar hun hart houdt zich verre van Hem. Jezus citeert deze woorden in Mattheüs 15:8-9 en richt ze tot schriftgeleerden en Farizeeën uit Jeruzalem. Terug naar Jesaja 29. De HEERE zegt dat Jeruzalem de zaken omdraait. Alsof de pottenbakker gelijk gesteld kan worden met het leem. In het slot van Jesaja 29 lezen we over wonderlijk werk van de HEERE. Op de dag dat de Libanon zal veranderen in een vruchtbaar veld, zullen de doven de woorden van het Boek horen. De zachtmoedigen zullen blijdschap hebben in de HEERE, maar de geweldpleger zal omkomen. In Jesaja 30 wordt het wee uitgesproken over de opstandige kinderen. Deze opstandige kinderen sluiten een verdrag met de farao van Egypte, maar niet vanuit Gods Geest. De vorsten van Juda bezoeken in Egyptes hoofdstad Zoan en de stad Chanes. Maar ze zullen beschaamd uitkomen. Rahab (Egypte) blijft stilzitten. Maar de HEERE wacht nog, opdat Hij hen genadig zal zijn. In het laatste gedeelte van Jesaja 30 lezen we hoe de HEERE met Assyrië omgaat. Door Zijn stem zal Assyrië verpletterd worden. In Jesaja 31 lezen we opnieuw over Egypte en Assyrië. Het wee wordt uitgesproken over degenen die naar Egypte afdalen om hulp, maar geen acht slaan op de Heilige van Israël. De Egyptenaren zijn mensen en geen God en hun paarden zijn vlees en geen geest. De HEERE van de legermachten zal neerdalen om te strijden om de berg Sion en diens heuvel. De HEERE zal Jeruzalem beschermen. Er klinkt een oproep tot bekering tot God van Wie de Israëlieten diep afvallig geworden zijn. Assyrië zal vallen door het zwaard. In Jesaja 32 gaat het over een Koning. Deze Koning zal in gerechtigheid regeren. Dwazen spreken dwaasheid, maar de edelmoedige doet edelmoedig. Aan de zorgeloze vrouwen wordt de opdracht gegeven om een rouwgewaad aan te trekken. Het stadsgewoel zal ophouden, totdat over ons de Geest uit de hoogte uitgegoten wordt. Dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden. Maar in beide delen zal het recht wonen. Gods volk zal verblijven in een woonplaats van vrede. In Jesaja 33 wordt het wee uitgeroepen over degene die Jeruzalem verwoest. Zodra hij klaar is met trouweloos handelen, zal er tegen hem trouweloos gehandeld worden. De HEERE is hoogverheven en heeft Sion vervuld met recht en gerechtigheid. Juda treurt en verkommert: Libanon staat beschaamd en is verwelkt, Saron is als een woestijn geworden en Basan en Karmel schudden hun bladeren af. Maar de HEERE zal opstaan en zal verhoogd worden. Het verloste volk wordt opgeroepen om op Sion (Jeruzalem), de stad van de samenkomsten, te zien. De HEERE is immers onze Rechter, onze Wetgever en onze Koning, Hij zal ons verlossen. Gods volk zal vergeving van ongerechtigheid ontvangen.

In Jesaja 34 lezen we Gods oordeel over Edom. Het zwaard van de HEERE zal neerdalen op Edom. De HEERE richt een offer aan in Bozra, de hoofdstad van Edom, en er zal een grote slachting plaatsvinden in het land Edom. Alles in het boek van de HEERE zal uitkomen. Het land Edom zal worden opgegeven aan onrein gedierte. In Jesaja 35 lezen we dat de woestijn en de dorre plaatsen (in Juda) vrolijk zullen zijn. De luister van de Libanon is haar gegeven, de glorie van de Karmel en de Saron. Ze zullen de heerlijkheid van de HEERE en de glorie van onze God zien. God zal komen en hen verlossen. Dan zullen de ogen van de blinden worden opengedaan, de oren van de doven zullen worden geopend, de kreupele zal springen als een hert en de tong van de stomme zal juichen, het dorre land zal een waterpoel worden. Feitelijk profeteert Jesaja hier over wat gebeuren zal ten tijde van de komst van Jezus Christus als Mens naar de aarde. Jezus genas namelijk vele lichamelijk zieke mensen. Wie door de HEERE zijn vrijgekocht, zullen Sion binnenkomen met gejuich: blijdschap zullen zij verkrijgen, terwijl verdriet zal wegvluchten. Nieuwtestamentisch kunnen we zeggen dat het hier gaat over iedereen die zijn/haar geluk in Christus gevonden heeft. Wie in de eniggeboren Zoon van God gelooft, gaat niet verloren, maar heeft het eeuwige leven (zie Johannes 3:16).

In de hoofdstukken 36 t/m 39 van Jesaja lezen we over Hizkia, koning van Juda. Globaal lezen we in de hoofdstukken 36 en 37 dat Hizkia’s geloof in de HEERE zegen voortbrengt. In de hoofdstukken 38 en 39 lezen we juist het tegenovergestelde, wat in dit geval de Babylonische ballingschap teweegbrengt. De vier hoofdstukken lopen vrijwel parallel aan 2 Koningen 18:13-20:19. In het 14e jaar van koning Hizkia trok Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle versterkte steden van Juda en nam deze in. De koning van Assyrië zond de rabsaké (commandant) van Lachis naar Jeruzalem, naar Hizkia. Toen gingen Eljakim, de zoon van Hilkia (dus niet Hizkia), het hoofd van de hofhouding, Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, Jeruzalem uit naar de rabsaké. De rabsaké zegt tegen hen dat ze aan koning Hizkia moeten vragen waarom hij tegen de koning van Assyrië in opstand komt. Op wie stelt Hizkia zijn vertrouwen: op Egypte (“de geknakte rietstaf”, zoals Sanherib deze noemt), en/of de HEERE, “Wiens hoogten en altaren Hizkia verwijderd heeft”? (De koning van Assyrië interpreteert het laatste verkeerd: die hoogten en altaren waren namelijk helemaal niet van de HEERE.) Sanherib is bereid om 2000 paarden te geven, als Hizkia daarvoor de ruiters kan geven. De rabsaké stelt zelfs dat hij opdracht van de HEERE heeft gekregen om Juda te verwoesten. De rabsaké zegt tegen de Israëlieten dat ze zich aan de koning van Assyrië moeten overgeven. Dan zullen ze meegevoerd worden naar een land van koren en nieuwe wijn, een land van brood en wijngaarden. De goden van andere volken, waaronder Hamath, Arpad en Sefarvaïm waren immers ook niet opgewassen tegen de koning van Assyrië. Zou de HEERE dat dan wel kunnen? Maar het volk zwijgt. Eljakim, Sebna en Joah gaven de woorden van de rabsaké aan Hizkia te kennen. In Jesaja 37 lezen we dat Hizkia Eljakim, Sebna en de oudsten van de priesters stuurt naar Jesaja, de zoon van Amoz. Jesaja zegt tegen hen dat ze niet bevreesd moeten zijn voor de woorden waarmee de knechten van de koning van Assyrië de HEERE gelasterd hebben. De HEERE zal Sanherib door het zwaard neervellen. De rabsaké keert terug en ziet Sanherib in oorlog met Libna. In Libna hoort Sanherib dat Tirhaka, de koning van Cusj, tegen hem met een leger in aantocht is. Nog steeds is Sanherib van plan om Jeruzalem aan te vallen en hij stuurt gezanten om dat tegen Hizkia te zeggen. De goden van de volken die de vaderen van Sanherib verwoest hebben, hebben hun volk ook niet kunnen redden: Gozan, Haran, Rezef en de zonen van Eden die in Telassar waren. Ook de koning van Hamath, van Arpad, van de stad Sefarvaïm, van Hena en van Ivva hebben hun volk niet kunnen redden. Als Hizkia de brieven van Sanherib heeft gelezen, gaat hij in gebed tot de HEERE en bidt hij om verlossing uit de hand van Sanherib. Jesaja stuurt vervolgens de boodschap naar Hizkia dat de HEERE hem heeft verhoord: Sanherib, de koning van Assyrië, zal Jeruzalem niet binnenkomen. De HEERE zal Jeruzalem beschermen omwille van Hemzelf en omwille van Zijn dienaar David. De engel van de HEERE doodt vervolgens in het legerkamp van Assyrië 185.000 mannen. Sanherib keert daarop de volgende morgen naar zijn land terug, en bleef in Ninevé. Als hij zich in het huis Nisroch, zijn god, neerboog, doden Adrammelech en Sarezer, zijn zonen, hem (hun vader Sanherib) met het zwaard. Zij ontkomen naar het land Ararat. Esar-Haddon, Sanheribs zoon, wordt koning van Assyrië. In Jesaja 38 lezen we over de ziekte van Hizkia, en hoe hij vervolgens hiervan geneest. Jesaja zegt tegen Hizkia dat hij zijn huiszaken moet regelen, want hij zal sterven. Hizkia pleit bij de HEERE op zijn trouw aan Hem. Jesaja moet namens de HEERE tegen Hizkia zeggen dat de HEERE het gebed van Hizkia heeft verhoord. 15 jaar zal er aan zijn leven worden toegevoegd. De HEERE zal Hizkia en de stad uit de hand van de koning van Assyrië verlossen. Hizkia ontvangt van de HEERE een teken: op de schaalverdeling van de zonnewijzer van Achaz laat de HEERE de schaduw, die door de zon is gedaald, tien treden teruggaan. Vervolgens lezen we het geschrift van Hizkia, als hij van zijn ziekte genezen is. Het is een lofzang op de verlossing die de HEERE hem gegeven heeft. Jesaja had gezegd dat men een klomp vijgen moet nemen en die als een pleister op de zweer van Hizkia moet leggen, dan zal Hizkia genezen. Hizkia had gevraagd om een teken dat hij weer naar het huis van de HEERE mag opgaan. Dat teken heeft de HEERE dus gegeven. In hoofdstuk 39 lezen we over gezanten uit Babel, die de koning van Babel, Merodach-Baladan, de zoon van Baladan, naar Hizkia stuurt met brieven en een geschenk. Deze koning heeft namelijk gehoord dat Hizkia ziek was en hiervan genezen is. Hizkia verblijdt zich over hun komst en laat hun zijn schathuis zien. Jesaja ondervraagt hem hier vervolgens over en Hizkia laat hem weten dat de gezanten alles gezien hebben wat in zijn huis is. Jesaja zegt vervolgens dat alles uit Hizkia’s paleis naar Babel gebracht zal worden. Een aantal van de zonen van Hizkia zullen hovelingen worden in het paleis van de koning van Babel. Hizkia zegt dat het woord dat Jesaja namens de HEERE heeft gesproken, goed is. Hij zegt ook: “Laat er echter vrede en trouw in mijn dagen zijn!”

Tot zover deze Bijbelstudie, die gaat over Jesaja 1 t/m 39. De volgende keer behandel ik de hoofdstukken 40 t/m 66 van hetzelfde Bijbelboek.

Machiel Lock

maandag 16 november 2020

Het leven van ds. J.T. Doornenbal

De afgelopen dagen heb ik het boek “Die heimwee hebben, komen Thuis. Het leven van ds. J.T. Doornenbal”, geschreven door Jeannette Donkersteeg, gelezen. Het idee om dit boek te lezen ontstond na mijn bezoek van 12 september jl. (Open Monumentendag) aan Woubrugge – de hervormde kerk aldaar was toen geopend voor bezichtiging –, de eerste gemeente waaraan ds. Doornenbal als predikant verbonden was. Net als dr. Alexander Comrie, die net als Doornenbal als kandidaat in Woubrugge tot predikant bevestigd werd, mag van ds. Doornenbal gezegd worden dat hij behoort tot één van de meest legendarische predikanten die Nederland ooit gekend heeft. Het boek van Jeannette Donkersteeg is een aanrader om te lezen. Toen ik het las, leek het net alsof ik een roman las, die uiteraard wel gaat over dingen die echt gebeurd zijn. Het leest vlot weg en gaat over iemand die zich met hart en ziel heeft ingezet voor het evangelie van Jezus Christus. Ik vind het moedig van mevrouw Donkersteeg dat ze het heeft aangedurfd om een boek over Doornenbal te schrijven. Ds. Doornenbal was, ondanks zijn geliefde kerkbodestukken vooral uit de tijd dat hij in Oene stond, namelijk behoorlijk gesloten. Hij heeft wat afgeworsteld. Vandaar ook de heimwee die hij had om Thuis te komen.

In het boek wordt het leven van Jacobus Teunis (Co) Doornenbal geschetst. Doornenbal werd op 29 november 1909 in een boerderij in Doorn geboren. Al jong was hij serieus. Hij nam de zondagsheiliging goed in acht. Aanvankelijk was het niet zijn plan om predikant te worden. In zijn hart voelde hij zich boer. Toch trok ook de talen- en literatuurstudie hem. Vooral zijn moeder Tonia mocht een middel zijn om hem de weg naar het ambt van predikant te wijzen. Na het gymnasium ging Co studeren aan de Theologische Rijksuniversiteit van Utrecht. Hij sloot zich aan bij Voetius, een theologische studentenvereniging op gereformeerde basis. Op 29 maart 1931 legde hij geloofsbelijdenis af in de Maartenskerk te Doorn. Op 25 oktober 1933 hield Doornenbal in de Pieterskerk (Waalse Kerk) te Utrecht zijn eerste preek, een proefpreek onder hoogleraren en medestudenten. Deze ging over Jesaja 42:3a: “Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen.” Doornenbal moest kiezen welke kant hij op zou gaan: de gereformeerde, de ethische of de confessionele. Het werd de eerste (de gereformeerde). In 1934 deed Co in Middelburg zijn proponentsexamen, waarvoor hij slaagde.

Op 8 maart 1936 werd kandidaat Doornenbal door zijn studievriend ds. J.J. Poldervaart uit Nigtevecht bevestigd tot predikant in Woubrugge. Poldervaart preekte over 2 Korinthe 2:14-16. Doornenbal betrok met zijn huishoudster, Johanna Cornelia Hofs, de pastorie aan de Comriekade. Doornenbal wist van aanpakken. De catechisanten kregen met meer te leren catechismusvragen meer huiswerk dan ze gewend waren, hij richtte een mannenvereniging met de naam “Dr. Alexander Comrie” op en na enkele maanden verscheen een eerste exemplaar van “Immanuël, kerkbode van de Ned. Herv. Gem. van Woubrugge”. Deze kerkbode bevatte een rubriek met mededelingen over de godsdienstoefeningen, doopdiensten, huwelijksbevestigingen, collecte-opbrengsten, verenigingsnieuws en een meditatie, verder publiceerde Doornenbal er ook een aantal korte artikelen in over het leven en werk van de oefenaar Wulfert Floor, van de Schotse broers en predikanten Erskine, van de Schotse predikant Andrew Gray en van de uit Schotland afkomstige Nederlandse predikant Alexander Comrie (een belangrijke vertegenwoordiger van de zogenoemde Nadere Reformatie). De heer C. van der Eijk, een kerkganger destijds in Woubrugge, zegt dat ds. Doornenbal een kostelijke Schriftuitleg had, en de toepassing overtrof die nog: de mensen sprak hij persoonlijk aan waarbij hij altijd weer uitkwam bij Jezus Christus en Diens liefde en werk. In Woubrugge schafte Doornenbal het zingen van gezangen af. In de zomer van 1937 stierf de moeder van ds. Doornenbal, Tonia, na een periode van veel zwakte en ziekte. Op 31 mei 1939 kwam een beroep uit Kesteren, dat ds. Doornenbal aannam.

Ds. W. Bieshaar jr. uit Benthuizen bevestigde ds. Doornenbal op 15 oktober 1939 in Kesteren. De intredepreek van ds. Doornenbal ging over Efeze 3:14-21. Op 12 april 1940 kwam er ook voor Kesteren en het naburige Opheusden een kerkbode van de grond, onder redactie van ds. Doornenbal. Hij handhaafde hiervoor de naam “Immanuël”, zo genoemd naar het gebouw waarin Doornenbal zijn catechisaties en Bijbellezingen hield. De naam “Immanuël” betekent “God met ons”. Doornenbal zei hierbij: “Zo zij en blijve het.” Op 10 mei 1940 brak de oorlog uit en voor de inwoners van Kesteren en Opheusden betekende dit dat ze vluchtelingen werden. Tijdens de oorlog was er een goed contact tussen ds. Dorrestein van de Gereformeerde Gemeente te Opheusden en ds. Doornenbal. Ook toen de oorlog in mei 1945 voorbij was, bleef dit contact. Alle kerkgebouwen van Kesteren en Opheusden lagen voor een groot deel plat en maandenlang hielden de hervormde gemeenten van Kesteren en Opheusden, en de Opheusdense Gereformeerde Gemeente en een naburige Oud Gereformeerde Gemeente samen kerkdiensten in een veilinghal. De beide predikanten gingen afwisselend voor.

In oktober 1946 werd ds. Doornenbal in Oene door ds. I. Kievit bevestigd met de tekst uit 2 Timotheüs 1:8. Oenes nieuwe predikant deed intrede met de tekst uit Kolossenzen 4:3. De overgang van Kesteren naar de kleinere gemeente Oene was groot. Toch voelde ds. Doornenbal zich snel thuis op de Veluwe. Net als in zijn eerste gemeente (Woubrugge) wist Doornenbal ook in Oene van aanpakken. In 1947 organiseerde hij de eerste zendingsmiddag in zijn eigen tuin. Vanaf 1960 werden deze middagen in de kerk gehouden. Ook een mannenvereniging met de naam “Wees een zegen” kwam al snel van de grond onder leiding van ds. Doornenbal. Op 24 augustus 1951 werd het nieuwe kerkgedeelte in Oene in gebruik genomen. In 1952 kreeg de pastorie een bewoonster bij: Coby Bosch, een weesmeisje. Op 17 oktober 1953 stierf juffrouw Hofs op 58-jarige leeftijd aan een ongeneeslijke ziekte. Stijntje van Dijk, die de dominee sinds zijn jeugdjaren in Doorn had gekend, nam de plaats van juffrouw Hofs in. De heer en mevrouw Marijs uit Arnemuiden behoorden tot ds. Doornenbals beste vrienden. Ook was Doornenbal onder andere bevriend met de bekende dichter Gerrit Achterberg. Hij schrijft hierover onder andere het volgende: "Ik vergeet niet het gesprek dat wij hadden, vorig jaar Kerstmis, nadat de prijs van de stad Den Haag hem was toegekend. Ik was er blij mee om zijnentwil en dacht aan het woord van de dichter van Psalm 84: 'Hij zal genade en ere geven', en hoe nu genade onze ere is en onze ere genade. Hij ging er zo hartelijk mee akkoord. Nooit heb ik mij nader tot hem gevoeld dan toen. Zo waren deze laatste jaren goed, voor hem en zijn vrouw allebei. Ze woonden ook zo mooi in 't huis en de omgeving die zo geheel bij hen pasten, alles even gaaf en harmonisch. Zodat het niet beter kon." Op 24 mei 1963 stierf een broer van ds. Doornenbal, Dirk, op 48-jarige leeftijd. Hij liet zijn vrouw en vijf kinderen achter. In Oene kreeg ds. Doornenbal enorm veel beroepen. Telkens bedankte hij voor een op hem uitgebracht beroep. Een lijst van op ds. Doornenbal uitgebrachte beroepen is achterin het boek van Jeannette Donkersteeg opgenomen. In 1954 begon bij ds. Doornenbal een tijdperk van veel reizen. Hij is meerdere keren naar Amerika gegaan, en maakte ook reizen naar Marokko, Oostenrijk en Schotland. Begin 1971 werd de eerste predikant die Oene onder de bediening van ds. Doornenbal voortbracht, op 12 april bevestigd: kand. R.H. Kieskamp deed intrede in Oud-Alblas. Sinds 1972 ging het bergafwaarts met de gezondheid van ds. Doornenbal. Zijn geheugen liet hem steeds vaker in de steek. In april 1973 kreeg hij een bericht dat hij niet meer kon verwerken en hem voorgoed zou breken: een meisje uit Hierden, Hendrikje Wouters, die in Oene kerkte, verongelukte. Die zondag, 15 april 1973, ging ds. Doornenbal voor het laatst in zijn leven voor. Het was een dienst waarin 18 nieuwe lidmaten werden bevestigd. De tekst voor de preek was Mattheüs 16:24. In mei en juni 1973 lag ds. Doornenbal voor onderzoek in het Julianaziekenhuis in Apeldoorn. Hij bleek een verweking van zijn hersenen te hebben, waardoor extra vocht werd geproduceerd. In de herfst van 1973 ging hij met vervroegd emeritaat. Op 16 april 1975 overleed ds. Doornenbal. Ds. P. Koeman, de opvolger van ds. Doornenbal in Oene, leidde de rouwdienst in Oene. Aan het graf van Doornenbal las ds. Koeman Psalm 72. Nadat hij daarover gesproken had en de geloofsbelijdenis had uitgesproken, beëindigde hij de bijeenkomst met gebed. Daarna klonk over de begraafplaats in de bossen Psalm 68:10 berijmd: “Geloofd zij God met diepst ontzag.”

Opvallend was ds. Doornenbals enorme brede blik, die hem boeken van allerlei theologische richtingen deed lezen. In zijn preken was daarom niet alleen bevinding te vinden, maar ook mystiek, romantiek, literatuur, psychologie en melancholie. Diepe indruk op de dominee heeft het leven en werk van Therese van Lisieux gemaakt, een Franse non die al op 24-jarige leeftijd overleed. Net als ds. Doornenbal geloofde Therese in en verlangde zij naar de gemeenschap der heiligen. Voor Doornenbal is er maar één kerk: één heilige, algemene Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen! Op het graf van ds. Doornenbal staat de tekst uit Openbaring 7:14-15. Ds. Doornenbal is altijd eenzaam geweest, niet alleen omdat hij ongetrouwd door het leven ging. Doornenbal voelde zich regelmatig eenzaam en verlaten in het gemis van zijn Heiland. Dan zaaide hij bedrukt met tranen van heimwee, maar soms mocht hij even terugkomen. Dan was Jezus er nog en Hij zei tegen hem: “Je hebt het juist gedaan, want dit is je opdracht.” Nu mag ds. Doornenbal voorgoed terug zijn bij de Heere Jezus. Hij heeft zijn opdracht vervuld, de grote verdrukking is voorbij, zijn klederen zijn gewassen in het bloed van het Lam en waarnaar hij verlangd had, is werkelijkheid geworden: hij die zo’n heimwee heeft gehad, is Thuis.

Machiel Lock, november 2020.

zaterdag 5 september 2020

Bijbelboeken Spreuken, Prediker en Hooglied

Inmiddels ben ik tijdens mijn persoonlijke Bijbelstudie al volop in Jesaja aan het lezen. Tussen de Psalmen en Jesaja bevinden zich de Bijbelboeken Spreuken, Prediker en Hooglied.

In het Bijbelboek Spreuken komen meerdere onderwerpen aan de orde. De kern is wel: “De vreze des HEEREN is het beginsel van de wijsheid”, zoals we lezen in 1:7a en 9:10a. In hoofdstuk 1 lezen we ook over de opperste Wijsheid. Deze Wijsheid keurt het gedrag van de dwazen, die de wijsheid haten, af. Het Hebreeuwse woord dat in 1:20 voor “Wijsheid” staat, חָכְמֹות, komt in Spreuken naast 1:20 nog in twee verzen voor: 9:1 en 24:7, verder in Psalm 49:4. Maar in het Hebreeuws is er woord dat er veel op lijkt, namelijk חָכְמָה, dat ook “wijsheid” betekent. Dit komt aanzienlijk meer voor in de Hebreeuwse Bijbel, namelijk 149 keer, waarvan in Spreuken de meeste keer (39 keer), gevolgd door Prediker (28 keer). 

Onder andere in Spreuken 9:10 komen we dit woord tegen, in een absoluut kernvers van Spreuken. Al in 1:2 lezen we dit woord. De Spreuken van Salomo, de zoon van David, hebben immers als doel om wijsheid en vermaning te kennen, om de woorden van inzicht te begrijpen. Verder komen we חָכְמָה tegen in 1:7, 2:2, 2:6, 2:10, 3:13, 3:19, 4:5, 4:7 (2x), 4:11, 5:1, 7:4, 8:1, 8:11, 8:12, 9:10, 10:13, 10:23, 10:31, 11:2, 13:10, 14:6, 14:8, 14:33, 15:33, 16:16, 17:16, 17:24, 18:4, 21:30, 23:23, 24:3, 24:14, 28:26, 29:3, 29:15, 30:3, 31:26. Ik noem ook gelijk de verzen waar dit woord in Prediker voorkomt: 1:13, 1:16 (2x), 1:17, 1:18, 2:3, 2:9, 2:12, 2:13, 2:21, 2:26, 7:10, 7:11, 7:12 (2x), 7:19, 7:23, 7:25, 8:1, 8:16, 9:10, 9:13, 9:15, 9:16 (2x), 9:18, 10:1 en 10:10. Als ik de genoemde teksten uit Spreuken lees, dan valt mij op dat de verstandige mensen wijsheid betrachten. Aan wijsheid wordt in veel teksten in Spreuken “verstand” gekoppeld. Feitelijk is dat natuurlijk de bedoeling van heel Spreuken. Een voorbeeld hiervan is Spreuken 17:24, waar de ogen van de dwaas tegenover die van de verstandige worden gesteld. Voor het woord “dwaas” staat in het Hebreeuws כְּסִיל, dat 70 keer voorkomt in de Hebreeuwse Bijbel, waarvan 3 keer in de Psalmen, 49 keer in Spreuken en 18 keer in Prediker. Onder andere in Spreuken 3:35 komt het woord “dwaas” voor, hier in het meervoud, gesteld tegenover “wijzen”. Wijzen zullen eer erven, maar dwazen nemen schande op zich. Voor het woord “wijzen” staat hier in het Hebreeuws חָכָם. Dit woord komt 138 keer voor in de Hebreeuwse Bijbel, waarvan verreweg de meeste keren in Spreuken (47x) en Prediker (21x). Daaruit kunnen we zeker stellen dat de tegenstelling tussen verstandigheid/wijsheid tegenover dwaasheid een absoluut kernthema is in Spreuken en Prediker. 

Als aanhef in Spreuken staat “De spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël.” (Spreuken 1:1)  Salomo’s naam wordt ook genoemd in 10:1 en 25:1. In het laatstgenoemde vers staat dat ook dit spreuken van Salomo zijn, die de mannen van Hizkia, de koning van Juda, overgeschreven hebben. Hizkia regeerde van 715-686 v.Chr., terwijl Salomo als koning van Israël – het rijk was nog niet gescheurd –  regeerde van 972-932 v.Chr, ruim 2 eeuwen eerder dus. Hizkia was een godvrezende koning, die recht deed in de ogen van de HEERE, in overeenstemming met alles wat zijn vader David had gedaan (zie 2 Koningen 18:3). Onder koning Hosea van Israël (een tijdgenoot van Hizkia, was niet de profeet Hosea) werd het volk Israël in ballingschap gevoerd door de Assyriërs, terwijl Hizkia dankzij Gods hulp aan deze ballingschap wist te ontkomen. Na dit uitstapje ga ik in mijn betoog weer terug naar Salomo en zijn spreuken. Volgens 1 Koningen 4:32 sprak Salomo 3000 spreuken en 1005 liederen. In Spreuken 22:17 en 24:23 lezen we over “de spreuken van de wijzen”. Wie deze wijzen precies waren, staat er niet bij vermeld. Wel is duidelijk dat ze in dezelfde geest spraken als die van Salomo. In 22:17-24:34 lezen we de woorden van deze wijzen. Verder worden in Spreuken nog twee spreukenschrijvers genoemd: Agur (30:1) en Lemuël (31:1). Veel verklaringen zeggen dat het niet bekend is wie dat waren. Ze spraken beiden in ieder geval wijze woorden. Agur bidt om twee dingen voordat hij sterft: doe ijdelheid en leugentaal ver van mij weg, en geef mij geen armoede of rijkdom (30:8). Bij rijkdom schuilt het gevaar dat hij God zal gaan verloochenen en bij armoede schuilt het gevaar dat hij gaat stelen. Beide gevaren zijn een aantasting van Gods Naam. Het gaat er juist om dat God verheerlijkt moet worden. Wie wijs en verstandig is, die doet dat.

Prediker is geschreven door de Prediker, de zoon van David en de koning in Jeruzalem (zie 1:1). Mogelijk is deze Prediker Salomo, maar dat is niet helemaal zeker. De naam Salomo lezen we nergens in Prediker. Wel ligt het voor de hand dat het Salomo was. Prediker omschrijft zichzelf als iemand die wijsheid heeft vergroot en vermeerderd, meer dan allen die vòòr hem geweest zijn in Jeruzalem (zie 1:16) en als iemand die grote dingen tot stand heeft gebracht – o.a. bouwen van huizen, planten van wijngaarden, aanleggen van tuinen, verwerven van slaven en slavinnen, vergaren van zilver en goud, zorgen voor zangers (zie 2:4-8). Hij werd groter en nam toe, meer dan allen die vòòr hij in Jeruzalem geweest zijn (zie 2:9). Deze zaken passen precies in de situatie van Salomo: God gaf hem een wijs en verstandig hart, meer dan allen die vòòr hem geweest zijn en na hem komen zullen, en God gaf hem ook rijkdom, waar hij niet om gevraagd had (zie 1 Koningen 3:11-13). In ieder geval was de schrijver van het boek Prediker een wijsheidsleraar. De eerste woorden van Prediker na de aanhef zijn: “IJdelheid der ijdelheden, zegt de Prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.” (Statenvertaling GBS-editie). In het Hebreeuws staat voor “ijdelheid” het woord הֶבֶל . Dit woord komt 73 keer voor in de Hebreeuwse Bijbel, waarvan verreweg de meeste keren in het Bijbelboek Prediker (38x). In Prediker komen we het tegen in 1:2 (5x), 1:14, 2:1, 2:11, 2:15, 2:17, 2:19, 2:21, 2:23, 2:26, 3:19, 4:4, 4:7, 4:8, 4:16, 5:6, 5:9, 6:2, 6:4, 6:9, 6:11, 6:12, 7:6, 7:15, 8:10, 8:14 (2x), 9:9 (2x), 11:8, 11:10 en 12:8 (3x). Het woord הֶבֶל is enigszins lastig te vertalen. De Herziene Statenvertaling kiest voor “vluchtigheid”, de Nieuwe Bijbelvertaling voor “lucht en leegte” en de NBG’51 kiest net als de Statenvertaling voor “ijdelheid”. De NICOT geeft als vertaling “zinloosheid van zinloosheid” (of meer traditioneel “ijdelheid van ijdelheden”, is nu problematisch omdat het voornamelijk wordt gebruikt als verwijzing naar zelfvertrouwen”). De WBC schrijft dat het woord הֶבֶל op verschillende manieren kan worden vertaald: met zinloos, absurd, nutteloos, etc.. Matthew Henry legt de passage “ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid” uit Prediker 1:2 m.i. mooi uit: “Het was geen nieuwe tekst; zijn vader had meer dan eens in dezelfde zin gesproken. De waarheid, die hier uitgesproken wordt, is: dat alles ijdelheid is, alles, behalve of buiten God, en beschouwd als afgezonderd van Hem, het al van deze wereld, alle wereldlijke bezigheden en genietingen, het al, dat in de wereld is, zie 1 Johannes 2:16, alles wat aangenaam is aan onze zinnen en onze verbeelding streelt in deze tegenwoordige staat, genoegen verschaft aan onszelf, of ons roem bezorgt bij anderen.” (vertaling dr. H. Bavinck, ik heb het iets overgezet naar hedendaags Nederlands). Er zijn naast “ijdelheid” nog meer kernthema’s in Prediker, zie de bijgevoegde kopie vanuit de HSV-Studiebijbel, pp. 1082-1083. Toen ik Prediker las, viel het me wel op dat hij regelmatig aan elkaar tegengestelde beweringen doet. Prediker legt erop toe met wijsheid te onderzoeken (zie 1:13), maar later vraagt hij zich af wat de wijze vóór heeft op de dwaas (zie 6:8). In 2:2 noemt hij het lachen dwaasheid en vraagt hij zich (retorisch) af wat het gevolg is van blijdschap, terwijl hij in 3:12 o.a. stelt dat er voor de mensenkinderen niets beters is dan zich te verblijden. In 4:2 prijst hij de doden boven de levenden, terwijl hij in 9:4 schrijft dat de levenden hoop hebben. In 8:15 prijst hij de blijheid, omdat de mens onder de zon het beste kan eten, drinken en zich verblijden, terwijl hij in 11:9 schrijft dat God de in de dagen van de jeugd gedane blijheid en de vrolijkheid in het gericht brengt. Ik moet het nog verder uitzoeken, maar het is in ieder geval duidelijk dat we de teksten in hun context moeten lezen. Dan hoeft er geen (directe) tegenstelling tussen de teksten te zijn. 

Hooglied beschrijft de liefde tussen een man (de bruidegom) en een vrouw (de bruid). In de Bijbel met uitleg, p. 1021, staat: "De liefde tussen man en vrouw is in Hooglied een beeld van de liefde tussen Christus en Zijn bruidsgemeente". Deze opvatting is gangbaar vanuit het geheel van de Bijbel. In Efeze 5:22-33 schrijft Paulus over het huwelijksleven. Zoals de man het hoofd is van de vrouw, zo is Christus het Hoofd van de gemeente. En zoals Christus de gemeente liefheeft, zo dient de man zijn vrouw lief te hebben. Christus heeft Zijn gemeente lief, en de ware gelovigen hebben Christus lief. Als we Hooglied zo lezen, gaat het volgens de HSV-Studiebijbel om de allegorische exegese: de beschrijving van de liefde tussen God en Zijn volk en in het verlengde hiervan de liefde tussen Christus en Zijn bruid (Zijn bruid = hetzij de kerk, hetzij de individuele gelovige). Toch is dit niet de enige mogelijke uitleg. Ik noem nog een andere. Hooglied kan ook gezien worden als een bundel liefdesliederen. De HSV-Studiebijbel noemt dit de anthologische exegese. In Hooglied wordt het verlangen van de liefde gevierd. Persoonlijk voeg ik hieraan toe dat de liefde inderdaad de juiste basis voor het huwelijk is (lees opnieuw Efeze 5:22-33). Voor de beide exegeses valt dus wat te zeggen. Er zijn ook schaduwkanten aan de beide verklaringen, waar de HSV-Studiebijbel op wijst: de allegorische kan tekortdoen aan Gods goede scheppingswerk, zoals dat o.a. tot uiting komt in de liefde binnen het huwelijk; de anthologische kan tekortdoen aan de samenhang die er wel degelijk is in Hooglied: de liefde tussen de man en de vrouw is te volgen van het verlangen tot elkaar tot aan het huwelijk toe, en de titel 'Hooglied' duidt op het 'allermooiste lied' en dus niet op een verzameling losse liederen. In het Hebreeuws heet 'Hooglied' letterlijk: "het Lied der liederen" (Hooglied 1:1). Persoonlijk pleit ik het meest voor de allegorische exegese, wel valt er tegelijkertijd meer van Hooglied te leren: liefde in het huwelijk is een gave van God. Naast de hoofdpersonen de Bruidegom en de bruid komen er in Hooglied nog meerdere personen voor.

Momenteel ben ik tijdens mijn persoonlijke Bijbelstudie in Jesaja aan het lezen. Vandaag las ik de hoofdstukken 55, 56 en 57. Zodra ik aan het einde gekomen ben en Jeremia ga bestuderen, hoop ik iets over het Bijbelboek Jesaja te schrijven.

Graag wens ik u voor morgen een goede zondag toe.

Machiel Lock


vrijdag 31 juli 2020

Aantekeningen bij Mattheüs 16:18-19

Afgelopen zaterdag was ik in de Sint-Petrus’ Bandenkerk te Venray. In deze kerk is een beeld te vinden dat Petrus moet voorstellen, met in zijn linkerhand een boek en in zijn rechterhand sleutels. Het laatste verwijst naar Mattheüs 16:18-19, waar we onder andere lezen dat Jezus tegen Petrus zegt dat Hij (Jezus) de sleutels van het Koninkrijk der hemelen aan Petrus zal geven. Dit is één van de teksten – ik denk de belangrijkste – waarop de Rooms-Katholieke Kerk het pausdom baseert. In het boek “Het instituut Rooms-Katholieke Kerk. Compleet overzicht”, geschreven door voormalig KRO-secretaris Hans Wortelboer, staat op p. 348: “Zijn [Petrus] van Jezus van Nazareth ontvangen opdracht, zoals vermeld in het evangelie van Mattheüs, zijn optreden vanaf de start van de Kerk in Jerusalem, zoals door de evangelist Lukas beschreven in de Handelingen van de Apostelen, en zijn wederwaardigheden in Rome volgens enkele vroegchristelijke geschiedschrijvers, maakten dat Petrus in de Rooms-Katholieke Kerk beschouwd wordt als de eerste onder de apostelen en als zodanig als de eerste paus, … .”

Nieuwtestamenticus dr. Jakob van Bruggen merkt op dat er over Mattheüs 16:18 in de westerse kerkgeschiedenis in de 19e en de 20e eeuw overeenstemming gegroeid is op twee punten:
1.      Het gaat hier niet over de belijdenis, maar over de belijder (Petrus);
2.      Het gaat hier over Petrus (en de andere leerlingen), niet over latere opvolgers.

Nu geef ik een samenvatting van wat Van Bruggen over Mattheüs 16:18-19 schrijft.

In vers 18 spreekt Jezus over het bouwen van een Vergadering op een rotsbodem. Deze rots kan moeilijk met de gehele belijdende gemeente worden vereenzelvigd. Ook verhindert de concrete aanspraak (“u bent”, “op deze rots” en “Ik zal u geven”) de woorden van Jezus te abstraheren tot de belijdenis als fundament voor alle belijders. Indien de Vergadering zelf voor een deel fundering blijft, dan moeten er door de eeuwen heen steeds opnieuw pausen als opvolgers van Petrus het fundament vormen. Van Bruggen verklaart dat Jezus niet zegt dat Hij op deze Petrus Zijn gemeente bouwt, maar op deze rotsbodem (petra). Wel komt de steen uit de rots voort en is deze van hetzelfde materiaal. De steen komt uit de hemel gevallen: de hemelse Vader alleen heeft een openbaring gegeven. Dankzij die wederbarende openbaring is Simon met de anderen een volhardende gelovige. Als begenadigd belijder is Simon werkelijk een steenblok van God. Op dit materiaal, op deze rots, bouwt Jezus Zijn gemeente. Simon mag individueel heten naar wat alle leerlingen samen zijn: de rots waarop Jezus bouwt. Het fundament waarop Jezus zijn Vergadering bouwt, wordt dus gevormd door de leerlingen die de openbaring ontvangen: Simon is daar één van. Vers 19 geeft volgens Van Bruggen aan op welke wijze Jezus op het fundament van de leerlingen een gemeente zal gaan vergaderen. Daartoe zal Hij hun de sleutels tot de poorten van het hemelrijk uitreiken: hun instructies voor het binnengaan zullen dan bindend zijn voor alle mensen en door hun aanwijzing zullen velen behouden worden tot een Vergadering op deze rots van leerlingen die uit het goede materiaal zijn gevormd (belijdend dankzij de openbaring van de hemelse Vader).

Wat ik mooi vind aan de uitleg van Van Bruggen is dat hij Petrus niet centraal stelt alsof het in de kerk om Petrus draait. Christus is de Hoofd van de kerk. Dat erkent als goed is iedere kerk. Petrus is één van degenen die Jezus Christus als de Zaligmaker belijden. Jezus bouwt Zijn gemeente op al Zijn volgelingen. Met deze uitleg hoeven we aan Petrus naast zijn apostelschap niet een nog hoger ambt toe te kennen. Dat neemt niet weg dat Petrus in zijn naam letterlijk mag heten naar wat alle volgelingen van Christus samen zijn: de rots (petra) waarop Jezus bouwt (er is geen betekenisverschil tussen Πέτρος (Petrus) en πέτρα (petra): rots, steen). Op deze uitleg sluiten in hoofdlijnen ook andere Bijbelverklaarders aan, ik geef enkele citaten:

Johannes Calvijn: De naam “rots” wordt toegepast op Simon afzonderlijk, en aan andere gelovigen, omdat ze gebouwd zijn op het geloof in Christus, en door een heilige toestemming samengevoegd zijn tot een geestelijk gebouw, opdat God in het midden van hen kan wonen (zie Ezechiël 43:7). In vers 19 begint Christus te spreken over het openbaar ambt, dat is van het apostelschap, dat Hij waardig acht met een dubbele titel. Ten eerste zegt Hij dat de predikers van het Evangelie als het ware dragers van het Koninkrijk der hemelen zijn, omdat zij Zijn sleutels dragen; en ten tweede voegt Hij eraan toe dat ze zijn bekleed met een macht van binden en losmaken, dat in de hemel wordt bekrachtigd. Christus spreekt Petrus alleen aan: dat doet Hij, omdat Petrus alleen, in de naam van allen, beleden heeft dat Christus de Zoon van God is, en tot hem alleen is de toespraak gericht, die evenzeer geldt voor de rest. Calvijn erkent dat tussen de twee Griekse woorden Πέτρος (Petrus) en πέτρα (petra) geen betekenisverschil is behalve dat de eerste tot het Attisch behoort en de tweede tot het gewone dialect. Maar Mattheüs heeft het geslacht van het zelfstandig naamwoord opzettelijk veranderd, om een andere zaak duidelijk te maken.

Matthew Henry: Petrus heeft in de naam van de kerk Christus beleden, en tot hem (Petrus) wordt dus de belofte, die bestemd is voor de kerk, gericht. Men verliest er niets bij, door volvaardig Christus te belijden, want zij die Hem aldus eren, zullen door Hem geëerd worden. Bij gelegenheid van deze grote belijdenis van Petrus over Christus, die de hulde en trouwbelofte is van de kerk, tekende Christus deze koninklijke en goddelijke oorkonde, waardoor zij, de kerk, Hem wordt ingelijfd. Zodanig is de gemeenschap tussen Christus en de kerk, de Bruidegom en de bruid. Van het begin af heeft God een kerk in de wereld gehad, en zij is gebouwd op de rots van het beloofde Zaad, zie Genesis 3:15.

New International Commentary on the New Testament: Petrus moet een “rots” zijn. En een belangrijke functie van een rots, zoals Matth. 7:24-27 er ons aan heeft herinnerd, is om een ​​stevig fundament voor een gebouw te bieden. Dus op deze rots zal Jezus Zijn kerk bouwen en die zal voor altijd veilig zijn. Door de bekende LXX-term ἐκκλησία (ekklēsia) te gebruiken om de gemeenschap te beschrijven die zal voortkomen uit Jezus’ bediening, ontwikkelt Mattheüs een belangrijk typologisch thema van de continuïteit van het volk van God in het Oude en het Nieuwe Testament, maar het drukt niets uit van de formele, hiërarchische structuren die ons woord "kerkelijk" nu heeft. Er is sprake van goddelijke leiding om Petrus in staat te stellen om te handelen in overeenstemming met Gods vastgestelde doel.

Baker Exegetical Commentary on the New Testament: Petrus’ besef van de ware identiteit van Jezus te midden van verwarring onder de bevolking (zie Matth. 16:14) is niet te danken aan menselijke genialiteit, maar aan goddelijke openbaring (zie Matth. 11:25-27; 13:10-17; Joh. 6:63,65). Jezus gaat verder met het uitspreken van de fundamentele autoriteit van Petrus in de kerk, die Jezus zal bouwen. Het woord ἐκκλησία (ekklēsia) komt in de evangeliën alleen hier en in 18:17 voor. Het heeft hier een meer globale betekenis (vergelijk met Hand. 20:28; 1 ​​Kor. 12:28; Ef. 1:22; 5:25; Hebr. 12:23) en in Matth. 18:17 een meer lokale betekenis (vergelijk met Hand. 8:1; 14:23; 1 Kor. 1:2; Openb. 1:4). Jezus verbindt de kerk met het Koninkrijk door de sleutels van het Koninkrijk aan Petrus te geven, de fundamentele apostel van de kerk. Dit geeft aan dat de kerk de aardse vertegenwoordiging van het Koninkrijk is.

Word Biblical Commentary: De uitgebreide betekenis van de leer die tot Petrus wordt gesproken valt samen met wat er in de vroege geschiedenis van de kerk gebeurde volgens het Bijbelboek Handelingen. Petrus en de apostelen waren de verkondigers van het evangelie en ze waren van vitaal belang bij elke nieuwe fase van vooruitgang bij het overwinnen van traditionele barrières. En hoewel Paulus uiteindelijk de “apostel van de heidenen” zou worden, was het door de prediking van Petrus dat het evangelie voor het eerst tot de heidenen kwam (Handelingen 10). Het is vooral hier, in een belangrijk keerpunt van de geschiedenis van de kerk, dat Petrus het meest voorbeeldig gebruik maakt van de “sleutels” en van zijn gezag om te “los te laten”.

Machiel Lock
Giessenburg, juli 2020

donderdag 23 juli 2020

Psalm 119: inhoud en structuur

De laatste keer dat ik op Facebook wat plaatste over mijn persoonlijke Bijbelstudie, is twee weken geleden, om precies te zijn 8 juli. Vanaf die tijd ben ik vanaf Psalm 81 weer verder gaan lezen. Vandaag las ik een gedeelte uit Psalm 119, de langste Psalm. Met 176 verzen is het ook het langste hoofdstuk van de Bijbel.

Psalm 119 is een Psalm die de waarheid van Gods wet en de vreugde die de auteur daarin heeft, bezingt. Het is niet bekend wie de auteur is. Mogelijk is het David geweest. In het eerste vers van de Psalm lezen we de belijdenis – ik vertaal het zelf vanuit het Hebreeuws –: “Zalig zijn degenen die de juiste weg gaan, die naar de wet van de HEERE leven.” Deze belijdenis zet de toon voor de gehele Psalm. In het Hebreeuws lezen we voor het woord “wet” de term תֹּורָה (Torah, vaak ook als “Thora” gespeld). Strikt genomen bestaat de Thora uit de 5 boeken van Mozes, de eerste 5 Bijbelboeken (Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium), ook wel de “Pentateuch” genoemd. In bredere zin kunnen we onder de Torah alle opdrachten die God aan de mensen geeft, verstaan. Voor het woord “wet” worden in Psalm 119 zeven alternatieven genoemd, die de Herziene Statenvertaling vertaalt met de woorden: “getuigenis”, “bevelen”, “verordening”, “gebod”, “bepaling”, “woord” (ook wel vertaald met “belofte”). Voor het laatste woord worden in het Hebreeuws twee verschillende woorden gebruikt. Elk woord laat een specifiek aspect van Gods wet zien. 

Als we kijken naar de grondtekst (de Hebreeuwse tekst) volgens de ‘Biblia Hebraica Stuttgartensia SESB 2.0’, lezen we in Psalm 119 deze woorden in de volgende verzen:
·       תֹּורָה (towrah: wet): 1, 18, 29, 34, 44, 51, 53, 55, 61, 70, 72, 77, 85, 92, 97, 109, 113, 126, 136, 142, 150, 153, 163, 165 en 174.
·       עֵדוּת (‘edut: getuigenis): 2, 14, 22, 24, 31, 36, 46, 59, 79, 88, 95, 99, 111, 119, 125, 129, 138, 144, 146, 152, 157, 167 en 168.
·       פִּקּוּדִים (piqqudim: bevelen): 4, 15, 27, 40, 45, 56, 63, 69, 78, 87, 93, 94, 100, 104, 110, 128, 134, 141, 159, 168 en 173.
·       חֹק (hoq: verordening): 5, 8, 12, 23, 26, 33, 48, 54, 64, 68, 71, 80, 83, 112, 117, 118, 124, 135, 145, 155 en 171.
·       מִצְוָה (miswah: gebod): 6, 10, 19, 21, 32, 35, 47, 48, 60, 66, 73, 86, 96, 98, 115, 127, 131, 143, 151, 166, 172 en 176.
·       מִשְׁפָּט (mispat: bepaling): 7, 13, 20, 30, 39, 43, 52, 62, 75, 84, 91, 102, 106, 108, 120, 121, 132, 137, 149, 156, 160, 164 en 175.
·       דָּבָר (dabar: woord): 9, 16, 17, 25, 28, 42 (2x), 43, 49, 57, 65, 74, 81, 89, 101, 105, 107, 114, 130, 139, 147, 160 en 169.
·       אִמְרָה (‘imrah: woord): 11, 38, 41, 50, 58, 67, 76, 82, 103, 116, 123, 133, 140, 148, 154, 158, 162, 170 en 172.

    
Hierin is duidelijk te zien hoe de auteur van Psalm 119 veelvuldig Gods wet bezingt. De auteur verlangt ernaar te leven naar de wet van de HEERE en bidt daar meerdere keren om. De wet van God is immers betrouwbaar, rechtvaardig, waarachtig en deze brengt Gods liefde en trouw tot uitdrukking. De dichter bidt de HEERE ook of Hij zijn ogen (de ogen van de dichter) wil afwenden van kwade en nutteloze zaken. De psalmist wordt omsingeld door goddelozen, maar hij vertrouwt op Gods wet. De psalmist bidt de HEERE om inzicht, dan zal hij zich aan de wet van de HEERE met heel zijn hart houden (zie vers 34). Daarmee is Psalm 119 net als onder andere de Psalmen 1, 19, 37, 49, 73 en 112 een “wijsheidspsalm”.

Psalm 119 is wat structuur betreft heel mooi. De Psalm is een acrostichon met de letters van het Hebreeuwse alfabet. Het Hebreeuws heeft 22 letters. Psalm 119 heeft 22 strofen van elk 8 verzen. Elke strofe begint met de letter die volgens het Hebreeuwse alfabet aan de beurt is. De eerste strofe begint dus met de letter א (alef), de tweede met de letter ב (beet), de derde met de letter ג (gimel), enzovoorts.

Machiel Lock
juli 2020

woensdag 8 juli 2020

Psalm 78: geschiedenis van Israël

Vandaag in mijn persoonlijk Bijbellezen aangekomen bij de Psalmen 78, 79 en 80. Psalm 78 is een geschiedenispsalm, evenals de Psalmen 105 en 106. Een aantal geschiedenissen uit Exodus, Numeri, Deuteronomium, Jozua, Richteren en 1 en 2 Samuël passeren in Psalm 78 de revue. Het doel van deze Psalm is aan het begin helder door Asaf beschreven: het gaat om Gods daden, die niet vergeten mogen worden. Het volk heeft deze daden gehoord en verbergen deze niet voor hun kinderen. Gods daden dienen al de generaties door doorverteld te worden. Deze generaties mogen niet zijn als het voorgeslacht, een geslacht dat zijn hart niet richtte op God.

Er worden in Psalm 78 dus geschiedenissen van Israël genoemd en dat is mooi, want ook op deze wijze is het mogelijk om het geheugen op te frissen en deze geschiedenissen na te lezen vanuit andere Bijbelgedeelten. In het bijzonder richt ik me op de verzen 42-53, waar een aantal plagen waarmee God de Egyptenaren trof, beschreven wordt. Ik wil ook kort de andere geschiedenissen die in Psalm 78 naar voren komen, benoemen. Vers 9 gaat over de zonen van Efraïm, gewapende boogschutters, die op de dag van de strijd omkeerden. Waarschijnlijk staat deze geschiedenis verder niet in de Bijbel beschreven. In ieder geval hielden de zonen van Efraïm zich niet aan Gods verbond, wandelden ze niet in Gods wet en vergaten ze Gods daden en Zijn wonderen. Voor de ogen van hun vaderen had God wonderen gedaan in Egypte (zie vers 12). Waarschijnlijk verwijst "hun vaderen" niet alleen naar de vaderen van Efraïm. In vers 5 lezen we namelijk ook over deze vaderen: "onze vaderen". In dit vers staat dat God een getuigenis heeft ingesteld in Jakob en een wet vastgesteld heeft in Israël.

Efraïm was de jongste zoon van Jozef; Jozef was een zoon van Jakob. Efraïm was één van de stammen van Israël. De stam van Juda wordt ook in Psalm 78 genoemd, zie vers 68: God verkoos de stam van Juda, de berg Sion, die Hij liefhad. God verwierp de tent van Jozef, en Hij verkoos de stam van Efraïm niet (zie vers 67). Juda was de vierde zoon van Jakob en Lea. De nieuwe naam van Jakob, de zoon van Izak en Rebekka, is Israël. Hij kreeg deze naam nadat hij met een Man had geworsteld, waarvan hij overwon. Deze Man zegt tegen Jakob dat zijn (Jakobs) naam voortaan geen Jakob meer is, maar Israël (zie Genesis 32:28). Daarna worden in de geschiedenissen in de Bijbel over Jakob afwisselend de namen Jakob en Israël genoemd. De reden daarvan is niet geheel duidelijk. De naam “Israël” betekent “strijder met God”. Deze naam verwijst naar Gods overwinningskracht: God strijdt voor Israël. In meerdere gevallen wordt de naam Israël in de Bijbel gebruikt om die overwinningskracht specifiek aan te duiden. Jakob is dus de stamvader van het volk Israël.

Dina, de enige dochter van Jakob, wordt niet gerekend tot de 12 stammen van Israël. In Genesis 49 lezen we dat Jakob zijn zoons zegende, en dat zijn 12 zoons. Het nageslacht van deze 12 zoons kreeg grond in het beloofde land, behalve de priesterstam Levi. Levi mocht in steden wonen die verspreid lagen over alle andere stammen (zie Num. 35:1-8, Joz. 21:1-3). Ook kreeg Levi als enige stam het recht op het tiende deel van de opbrengst die de andere stammen verwierven. Dit als beloning voor de dienst die zij verrichtten in de tabernakel (zie Numeri 18:21). De stammen Gad en Ruben en de halve stam van Manasse woonden ten oosten van de Jordaan (ook wel het “Overjordaanse” genoemd). De rest van de stammen woonden ten westen van de Jordaan. Omdat Levi geen grondbezit kreeg, kregen de nakomelingen van Efraïm en Manasse, beiden zoons van Jozef, als stammen grondbezit. Als het gaat om het bezit van het land Kanaän, dan worden Jozef en Levi niet meegerekend als stammen, maar Efraïm en Manasse wel en zo komen we ook op 12 stammen van Israël die grondbezit kregen in het beloofde land.

Voordat het volk Israël in het beloofde land Kanaän kwam, is er veel gebeurd. In Psalm 78 lezen we over een aantal plagen die God aan Egypte deed toekomen. Na de tiende plaag ging het volk door de zee en deed God de wateren staan als een muur (zie Ps. 78:13 en Ex. 14:21). God leidde het volk overdag met een wolkkolom en ’s nachts met een vuurkolom (zie Ps. 78:14 en Ex. 13:21-22). Hij bracht water voort uit de rotsstenen in de woestijn (zie Ps. 78:15-16, Ex. 17:6 en Num. 20:11). Het volk stelde God op de proef. Ze zeiden: “Kan God een tafel aanrichten in de woestijn?” (zie Ps. 78:19 en Num. 11:4). God gaf het manna als hemels brood aan het volk om te eten (zie Ps. 78:24 en Ex. 16). Het volk Israël werd dat manna op een gegeven moment zat. Ze verlangden terug naar Egypte en ze wilden graag vlees te eten hebben (zie Num. 11:4). Ze kregen vlees te eten, alleen het vlees zat nog tussen hun tanden, of de toorn van de HEERE ontstak opnieuw en de HEERE sloeg het volk met een zeer grote plaag (zie Ps. 78:30-31 en Num. 11:33).

God leidde Zijn volk als een kudde door de woestijn en bracht hen naar Zijn heilig grondgebied, naar de berg die Zijn rechterhand verworven had (zie Ps. 78:54). Toen het volk in het beloofde land kwam, verdreef God de heidenvolken voor de ogen van Israël, verdeelde hun erfelijk bezit door een meetsnoer en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen (zie Ps. 78:55). Het volk stelde God op de proef en keerde zich van God af, ze offerden aan andere goden en verwekten Hem tot toorn door hun gesneden beelden (zie Ps. 78:56-58 en Deut. 32:16,21). God verliet de tabernakel te Silo, de tent waarin Hij woonde onder de mensen (zie Ps. 78:60. God gaf Zijn macht over in gevangenschap en Zijn heerlijkheid in de hand van de tegenstander (zie Ps. 78:61). Waarschijnlijk gaat het hier over de ark van het verbond, die God aan de Filistijnen, de vijanden van Israël, gaf (zie 1 Sam. 4:10-11). De priesters van Israël vielen door het zwaard en hun weduwen huilden niet (zie Ps. 78:64 en 1 Sam. 4:11,18,19). Toen ontwaakte de Heere als een persoon die slaapt en sloeg Zijn tegenstanders van achteren (zie Ps. 78:65-66 en 1 Sam. 5:6; 6:4). God verkoos Zijn knecht David en haalde hem bij de schaapskooien vandaan (zie Ps. 78:70, 1 Sam. 16:11 en 2 Sam. 7:8). Van achter de zogende schapen haalde God David, om Jakob, Zijn volk en Israël, Zijn erfdeel te hoeden (zie Ps. 78:71, 2 Sam. 5:2 en 1 Kron. 11:2). David heeft hen geweid naar de oprechtheid van zijn hart en geleid op een bekwame wijze (zie Ps. 78:72).

In de verzen 42-53 van Psalm 78 lezen we over een aantal plagen waarmee God de Egyptenaren trof. Dit kwam doordat de farao van Egypte weigerde om Israël te laten vertrekken uit zijn land. De Israëlieten moesten van de farao als slaven werken voor de Egyptenaren. De plagen zijn dat
- hun rivieren en hun stromen in bloed veranderen, zodat ze niet kunnen drinken (zie Ps. 78:44, Ex. 7:20)
- vliegen hen verteren (zie Ps. 78:45, Ex. 8:24)
- kikkers die hen te gronde richten (zie Ps. 78:45, Ex. 8:6)
- hun gewas aan de zwermsprinkhaan en hun opbrengst aan de veldsprinkhaan overgegeven worden (zie Ps. 78:46, Ex. 10:13)
- hun wijnstok door de hagel gedood wordt, hun vijgenbomen door grote hagelstenen vernietigd worden, hun dieren door de hagel gedood worden en hun vee aan de bliksem overgeleved wordt (zie Ps. 78:47-48, Ex. 9:22-25)
- hun dieren aan de pest overgegeven worden (zie Ps. 78:50, Ex. 9:6)
- alle eerstgeborenen van Egypte gedood worden (zie Ps. 78:51 en Ex. 12:29).
In Exodus 7-12 lezen we over in totaal 10 plagen waarmee de HEERE de Egyptenaren trof.

Machiel Lock
juli 2020

donderdag 2 juli 2020

Davids vlucht voor Saul

In mijn persoonlijk Bijbellezen ben ik nu in het bijzonder aan het lezen in de Psalmen. Veel Psalmen zijn geschreven door en/of gaan over David.

Meerdere Psalmen gaan over David, die op de vlucht is voor zijn vijanden (zie de eerste bijgevoegde foto bij dit bericht, vanuit de “Bijbel met uitleg”, p. 471). Zo heeft David Psalm 52 geschreven n.a.v. het verraad van Doëg de Edomiet (zie 1 Samuël 22:9-19), Psalm 54 n.a.v. het verraad van de Zifieten (zie 1 Samuël 23:19; 26:1), Psalm 55 n.a.v. een verrader onder Davids kennissen (mogelijk Achitofel, zie 2 Samuël 15:31), Psalm 56 schreef David toen de Filistijnen hem gepakt hadden en hij ternauwernood van hen wist te ontkomen omdat hij zich ging gedragen als een dwaas (zie 1 Samuël 21:10-15), Psalm 57 n.a.v. Saul die op jacht was naar David en waarbij David zich schuilhield in een spelonk (zie 1 Samuël 22:1 en 24:3), Psalm 59 n.a.v. de boden die Saul naar Davids huis had gestuurd om David te doden (zie 1 Samuël 19:11), Psalm 60 n.a.v. Davids gevecht tegen de Syriërs en toen Joab terugkwam nadat hij 12.000 Edomieten in het Zoutdal verslagen had (mogelijk gaat 2 Samuël 8:13 over dezelfde geschiedenis, maar daar lezen we over 18.000 Edomieten en over David die hen versloeg) en Psalm 63 gaat over David die in de woestijn van Juda was, op de vlucht voor zijn vijanden. In de woestijn van Juda: dit kan de vlucht voor Saul zijn geweest (zie 1 Samuël 22:5; 23:14-15; 24:2).

David moet voortdurend op de vlucht voor Saul, de koning van Israël. Hij vlucht van hot naar her om aan de wrede Saul te ontkomen (zie de eerste bijgevoegde foto bij dit bericht, vanuit de “Bijbel met uitleg”, p. 475). De aanleiding hiervoor is de jaloersheid van Saul. David wint aan populariteit onder het volk Israël. Op een dag, als David en zijn manschappen terugkomen van het verslaan van de Filistijnen, trekken de vrouwen uit de steden van de Israël met gezang en reidans Saul tegemoet met muziek, terwijl ze zingen: "Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden!" (zie 1 Sam. 18:6-7). Saul is daarover zo verbolgen dat hij David probeert te doden. David speelt elke dag op de harp. Saul probeert hem met een speer aan de wand te spietsen, maar het mislukt. Saul bespreekt met al zijn dienaren en met zijn zoon Jonathan om David te doden. Jonathan is echter bevriend met David. Saul stuurt boden naar het huis van David om David te bewaken en om hem te doden. Maar Davids vrouw Michal laat David door een venster naar beneden, waarna David op de vlucht slaat (zie 1 Sam. 19:12). David vlucht naar Samuël in Rama. Dit wordt aan Saul geboodschapt. Hij stuurt boden om David te halen, maar het lukt hen niet David mee te nemen. Ook Saul zelf lukt het niet.

Als David naar Nob vlucht, komt hij bij de priester Achimelech, een achterkleinzoon van Eli (zie 1 Sam. 21:1). Eén van de knechten van Saul, Doëg de Edomiet, merkt dit op. Hij verraadt David aan Saul. David vlucht vervolgens weer. Van Achimelech krijgt hij het zwaard van Goliath mee, dat in de tabernakel werd bewaard. David komt bij Achis, de koning van Gath (zie 1 Sam. 21:10). De knechten van Achis herkennen hem. Werd er immers niet gezongen: "Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden?" David wordt dan erg bang. Hij gaat zich dan als een krankzinnige gedragen. Vervolgens gelooft Achis niet dat hij David is. David vlucht verder en komt in de grot van Adullam (zie 1 Sam. 22), waarnaar ook zijn broers en het hele huis van zijn vader komen. Daarnaast komen ongeveer 400 mannen bij David die gebukt gaan onder het beleid van Saul. Vervolgens zegt de profeet Gad tegen David dat hij naar het land van Juda moet gaan. Saul klaagt Achimelech aan, omdat die David geholpen heeft. Achimelech verdedigt David en zegt dat David hem (Saul) als zijn (Sauls) schoonzoon – Michal is een dochter van Saul – altijd trouw is geweest. Saul beveelt echter dat Achimelech en zijn hele huisgezin gedood moeten worden. Doëg vermoordt 85 priesters en vervolgens vermoordt hij iedereen in de stad Nob. Alleen Abjathar, een zoon van Achimelech, weet aan het bloedbad te ontkomen en vlucht naar David.

Even later trekt David naar de woestijn Zif en krijgt daar bezoek van Jonathan (zie 1 Sam. 23:14-28). De Zifieten gaan naar Saul in Gibea en ze verraden David aan Saul. Als David de woestijn Maon intrekt, lukt het Saul om David en zijn mannen te omsingelen. Op dat ogenblik komt een bode naar Saul en roept hem op om te komen, want de Filistijnen zijn Israël binnengevallen. Daarop staakt Saul zijn strijd tegen David en hij gaat de Filistijnen tegemoet. De plaats waar dit gebeurt, is men Sela-Machlekôth gaan noemen.

David trekt vandaar op en komt in de rotsvestingen van Engédi (zie 1 Sam. 24:1). Dat geeft men Saul te kennen. Saul neemt 3000 mannen uit geheel Israël om David en zijn mannen op te zoeken. Als Saul een spelonk binnengaat om zijn behoefte te doen, zeggen de mannen van David dat de HEERE zegt dat Hij Davids vijand in Davids hand geeft. David staat op en snijdt stilletjes een stukje van Sauls mantel af. David wil Saul echter niet doden, omdat Saul de gezalfde van de HEERE is. Als Saul de spelonk verlaat, spreekt David Saul aan. David geeft Saul aan dat hij (Saul) zich te veel laat beïnvloeden door mensen. Ook zegt David dat hij hem (Saul) bewust niet heeft gedood. Saul heeft vervolgens berouw en erkent dat David de nieuwe koning van Israël wordt.

Dit berouw van Saul is echter van korte duur. David houdt zich schuil op de heuvel Hachila; en de Zifieten (uit Juda, dezelfde stam als David!) verraden hem opnieuw bij Saul (zie 1 Sam. 26:1). Saul trekt er opnieuw op uit met 3000 mannen om David te doden. Als Saul ligt te slapen, neemt David Sauls waterkruik en speer mee, die hij laat zien aan Sauls generaal Abner als bewijs dat hij Saul bewust niet heeft gedood. Saul komt opnieuw tot inkeer. David prijst de HEERE en wenst dat de HEERE hem (David) verlost uit alle nood.

David zegt dat hij één van deze dagen zal omkomen door Sauls hand (zie 1 Sam. 27:1). Hij zoekt zijn toevlucht bij de Filistijnen, Israëls vijanden bij uitstek. Hij gaat naar koning Achis, de koning van Gath, waar hij al eens eerder bij geweest is. Als Saul dit hoort, gaat hij David niet achterna. Achis geeft David Ziklag als woonplaats. Achis denkt in David een goede bondgenoot gevonden te hebben in de strijd tegen Israël.

Als de Filistijnen zich in Sunem legeren en Saul het leger van de Filistijnen ziet, wordt hij bang (zie 1 Sam. 28:5). Sauls knechten zeggen dat er in Endor een vrouw is met een waarzeggende geest. Saul gaat naar die vrouw. Hij vraagt aan haar om Samuël te laten verschijnen. Samuël zegt dat de HEERE van Saul geweken is, de HEERE het koninkrijk aan David gegeven heeft en Saul Amalek ten onrechte niet uitgeroeid heeft. Na dit bericht wordt Saul bang en er is geen kracht meer in hem.

In het laatste hoofdstuk van 1 Samuël (hoofdstuk 31) lezen we over het sterven van Saul. Op het gebergte Gilboa verliest Israël de slag met de Filistijnen. Jonathan, Abinadab en Malchisua, drie zonen van Saul, worden door de Filistijnen gedood. Saul wordt door de Filistijnen omsingeld. Saul kan geen kant meer op en zegt dat hij niet door deze onbesnedenen (de Filistijnen) gedood wil worden. Zijn wapendrager weigert Sauls verzoek en daarom maakt Saul zelf een einde aan zijn eigen leven. Zijn wapendrager maakt vervolgens ook een einde aan zijn eigen leven. De inwoners van Jabes in Gilead halen de lichamen van Saul en van zijn zonen midden in de nacht van de muur van Beth-San en verbranden deze lichamen. De beenderen worden onder het geboomte bij Jabes begraven. De inwoners van Jabes vasten zeven dagen vanwege de dood van Saul en van zijn zonen.

Machiel Lock
juli 2020