maandag 30 april 2018

Eucharistieviering in de Rooms-Katholieke Kerk


1.    Beschrijving van hoe de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland georganiseerd is.
Op de website www.rkkerk.nl is hier wel het één en ander over te lezen. Over de organisatie van de RK Kerk in Nederland is natuurlijk heel veel te zeggen. Ten eerste valt mij op dat ze wil aansluiten bij de wereldwijde RK Kerk. Zo valt op de site te lezen: “De Kerk is de gemeenschap van mensen uit alle volkeren en culturen die met Christus één lichaam vormen. Ze is een levend organisme van mannen en vrouwen die, in Christus verenigd, het geloof vieren, leren, verdiepen en er gemeenschappelijk naar leven. Christus is het Hoofd van de Kerk; de gelovigen zijn Zijn lichaam. Het is de taak van de Kerk om het rijk van God onder alle volkeren te doen groeien.” Verder wordt op deze site onder andere de paus genoemd, de herder van alle rooms-katholieken. Verder staat op de site dat Nederland 7 bisdommen telt en dat er in ons land bijna 4 miljoen rooms-katholieken zijn, waarvan ongeveer 500.000 regelmatige kerkgangers zijn.

2.     Formulering van één vraag die ik heb over de Rooms-Katholieke Kerk.
Aan de gastdocent van de RK Kerk zou ik willen vragen welk gezag hij aan de Bijbel geeft t.o.v. de kerkelijke traditie. Zoals bekend is, gaan de rooms-katholieken niet uit van sola scriptura. Ik ben wel benieuwd welke waarde hij hecht aan Gods onfeilbaar Woord.

3.   Het zelf bezoeken van een klassieke, plechtige eucharistieviering (hoogmis) in een Rooms-Katholieke Kerk.
Ik heb de eucharistieviering van zondagmorgen 3 december 2017 (aanvang: 10.00 uur) bijgewoond in de Sint-Janskathedraal in ’s-Hertogenbosch.

a.  Opbouw van de dienst. De eucharistieviering begon met de “Openingsriten”: intrede, introïtus (Bijbeltekst), gezang bij de intrede, begroeting, boete-act en “Heer ontferm U”, en het Collecta-gebed. Vervolgens kwam de “Liturgie van het Woord” aan de orde: de eerste lezing, daarna een antwoordpsalm, vervolgens Graduale, de tweede lezing, Alleluia, de Evangelielezing, de homilie, de geloofsbelijdenis, het gebed van de gelovigen (voorbede). Dan het derde hoofddeel: “Eucharistische liturgie”: de “Bereiding van de gaven”: Offertorium”, Gebed over de gaven (Eucharistisch gebed, Communieritus (Gebed des Heren, Vredesritus, Breken van het brood, Communie, “Communio”, Gezang bij de communie, Gebed na de communie. Dan het laatste deel: de “Slotriten”: zegen en wegzending.
b.  Plaats van de Bijbel in het geheel (zowel ‘zichtbaar’ als ‘inhoudelijk’). De Bijbel was tijdens deze viering zowel zichtbaar als inhoudelijk duidelijk aanwezig. Aan het begin van de viering liepen de priester en de misdienaren een rondje door de kathedraal. Eén van hen liep met een wierookvat en een ander hield een boek omhoog, mogelijk de Bijbel. Daarnaast lag de Bijbel op een katheder, en er werd tijdens de viering meerdere keren uit gelezen: met name tijdens de “Liturgie van het Woord”: eerste lezing uit Jesaja 63:16b-17 en 64:3b-8, de tweede lezing uit 1 Korinthe 1:3-9 en de evangelielezing uit Markus 13:33-37. Tussen de eerste en de tweede lezing vond de antwoordpsalm en de graduale plaats respectievelijk n.a.v. gedeelten uit Psalm 80 en Psalm 25. Tussen de tweede lezing en de evangelielezing vond het “Alleluia” plaats n.a.v. Psalm 85:8. Ook de Introïtus was vanuit een Psalm (25:1-3), evenals het “Offertorium” tijdens de “Eucharistische liturgie” (ook uit Psalm 25:1-3), ook het “Communio” tijdens de “Communieritus” was uit een Psalm (85:13). Verder werden bijvoorbeeld ook de woorden van de Heere Jezus toen Hij het Avondmaal instelde, aangehaald.
c.     Eigen waardering van de preek. De voorganger deed mijns inziens zijn best om de preek zo actueel te houden (ontwikkelingen in deze wereld: het gaat weer beter met de economie; digitalisering neemt toe, maar geeft wel onzekerheden voor de wereld, het antwoord van advent is ja: er gaat zelfs een betere toekomst voor ons open). Angst is een slechte raadgever: je moet je oog richten op de positieve geheel in het grote plan van God met mensen, zei de voorganger. “Wees waakzaam”, zegt Jezus (dit was het thema van de eucharistieviering, vanuit Markus 13:35). Waakzaam betekent dat je wakker bent in het hier en nu en je moet letten op de kansen om Gods goedheid te delen met anderen, zei de voorganger. Dat is zeker goed.
d.    Plaats van de rituelen. Er waren behoorlijk veel rituelen, met name gestandaardiseerde gebeden: de boete-act en “Heer, ontferm U”, het collecta-gebed, het gebed over de gaven (waaronder het eucharistisch gebed en de communieritus (waaronder het Gebed des Heren)). Verder werd natuurlijk ruim aandacht besteed aan de eucharistie.
e.     Plaats van de muziek. Het orgel speelde af en toe om de samenzang te begeleiden. Verder waren er ook momenten dat alleen de misdienaren zongen.
f.     Gemeente actief of passief. Beide, zowel actief als passief. Af en toe was er samenzang en in het programma stonden ook teksten die afwisselend door de priester en het kerkvolk opgezegd werden. Daarnaast is natuurlijk de eucharistie een belangrijk moment waarop vele parochianen de banken uitgingen om een hostie van de priester aan te nemen. Ook was er tijdens de viering een moment waarop we elkaar de vrede van Christus mochten toewensen, dit gebeurde dan met de mensen die direct naast, voor of achter je zaten.
g.      ‘Sfeer’ voor en na de dienst. Die was goed. Ik werd direct welkom geheten door de koster die de programmaboekjes uitreikte. Verder leek het wel alsof de kerkgangers niet in een directe relatie met elkaar stonden bij het de kerk uitlopen na de viering. Dit komt misschien wel doordat het een zeer imposante kathedraal in een grote stad is waarin en -uit je al snel kunt “rondzwerven”.
h.     Andere zaken die mij zijn opgevallen. Ik zou niet direct iets weten te noemen.
i.     Verschillen met “eigen” kerk. In mijn “eigen” kerk staat veel meer de Woordverkondiging centraal (preek van ca. 45 i.p.v. 10 minuten), terwijl in de RK Kerk veel meer aandacht wordt besteed aan liturgische handelingen en het opzeggen van vooraf uitgeschreven gebeden.

Machiel Lock
Giessenburg, december 2017

zaterdag 31 maart 2018

De zonde tegen de Heilige Geest

We lezen in Mattheüs 12:31-32, Markus 3:28-29 en Lukas 12:10 over dé zonde tegen de Heilige Geest. Als Jezus in Mattheüs 12:31-32 over dé zonde tegen de Heilige Geest spreekt, is het vanuit de context duidelijk dat Hij verwijst naar de beschuldiging die de Farizeeën hebben geuit.[1] Deze beschuldiging lezen we in Mattheüs 12:24. De Farizeeën zeggen dat Jezus geen demonen uitdrijft behalve door Beëlzebul, de heerser van de demonen. In werkelijkheid drijft Jezus de demonen uit door de Geest van God, zie Mattheüs 12:28. Op Jezus is de Geest gelegd (zie Mattheüs 12:18) en Hij is de gezalfd met de Heilige Geest (zie bijvoorbeeld Handelingen 10:38). Dat willen de Farizeeën niet erkennen.

In Zondag 13 van de Heidelbergse Catechismus wordt in nr. 33 de vraag gesteld waarom Jezus "Gods eniggeboren Zoon" genoemd wordt, terwijl wij toch ook Gods kinderen zijn. Het antwoord luidt: "Omdat alleen Christus van nature de eeuwige Zoon van God is (a), maar wij zijn om Zijnentwil uit genade tot kinderen van God aangenomen (b)." Bij a verwijst de Heidelbergse Catechismus naar Joh. 1:14; Hebr. 1:1; 1:2; Joh. 3:16; 1 Joh. 4:9; Rom. 8:32 en bij b naar Rom. 8:16; Joh. 1:12; Gal. 4:6; Ef. 1:5; 1:6. Zelf zou ik bij a ook Mattheüs 12:18 willen noemen. God legt Zijn Geest op Jezus, niet uit genade, maar omdat Jezus aan Hem gelijkstaat. Voor ons is dat anders. Wij zijn namelijk van nature kinderen van de toorn (zie Efeze 2:3). Van nature laten wij ons leiden door de satan, en niet door de Geest van God. Uit genade worden wij gered, door het geloof, en dat niet uit ons, het is een gave van God (zie Efeze 2:8). Alleen degene die gelooft dat Jezus van nature (en dus niet uit genade) de Gezalfde met de Heilige Geest is, ontvangt vergeving van zonde. Door het geloof is de mens een lidmaat van Christus en heeft hij deel aan de zalving van Christus (zie Heidelbergse Catechismus, Zondag 12, antwoord 32). Bij het laatstgenoemde (de zalving) verwijst de Heidelbergse Catechismus naar 1 Johannes 2:27 en Handelingen 2:17. Door het geloof zijn wij verzegeld met de Heilige Geest van de belofte (zie Efeze 1:13).

Van Genderen en Velema: De Schriftplaats voor dé zonde tegen de Heilige Geest is: Markus 3:28-29, met als parallelplaatsen Mattheüs 12:22-32 en Lukas 11:14-23, met de toespitsing in Lukas 12:10. Men neemt aan dat dezelfde zonde bedoeld is in Hebreeën 6:4-6; 10:26-27 en 1 Johannes 5:16. Weliswaar wordt in de drie laatstgenoemde Schriftplaatsen niet expliciet gesproken over het lasteren tegen de Heilige Geest, maar wel over de zonde tot de dood, over het opzettelijk zondigen na het tot erkentenis van de waarheid gekomen zijn en over de afval na het eens verlicht zijn.[2] Dé zonde tegen de Heilige Geest wordt volgens Van Genderen en Velema bedreven door iemand voor wie het licht is opgegaan en die toch tegenover dat licht niet alleen de duisternis verkiest, maar het licht zelf duisternis noemt.[3] Niet maar het verzet tegen God is karakteristiek. De miskenning van Gods werk in die mate dat wat van God komt voor duivelswerk wordt aangemerkt, daarin zit het onvergeeflijke en het innerlijk onmogelijke van de boetvaardigheid.[4] Van Genderen en Velema schrijven verder onder andere dat het feit dat door middel van legitimering door de Schriften de Messias als godslasteraar ter dood werd veroordeeld (zie Mattheüs 26:65-66), de voltrekking is van het afwijzen van Gods verlossingswerk in Hem en de climax is van elke zonde. Het is de meest forse manier om zich van de Verlosser af te maken. Van Genderen en Velema zien dit vonnis als een voltrekking van die zonde waartegen Christus in Mattheüs 12:32 heeft gewaarschuwd. Tenslotte is Jezus gestorven als resultaat van dé zonde tegen de Heilige Geest, die het Sanhedrin heeft bedreven. [ML: Mooie uitleg. Jezus beschuldigen van lastering is een grote zonde. De hogepriester vraagt aan Jezus of Hij de Christus, de Zoon van God, is, waarop Jezus bevestigend antwoordt (zie Matth. 26:63-64). Vervolgens beschuldigt de hogepriester Jezus van lastering en het Sanhedrin zegt dat Hij schuldig is aan de dood. Zij verwerpen het feit dat Jezus de eniggeboren Zoon van God is, terwijl de mens alleen door het geloof in Hem gered wordt van de eeuwige duisternis.][5]

Herman Bavinck: Herman Bavinck (1854-1921), een gereformeerd theoloog, schrijft dat dé zonde tegen de Heilige Geest moet bestaan in een bewuste, moedwillige, opzettelijke lastering van de klaar erkende openbaring van Gods genade in Christus door de Heilige Geest.[6] Behalve in de evangeliën is er nergens in de Schrift met rechtstreekse woorden sprake van deze zonde. Maar deze lastering tegen de Heilige Geest kan in verschillende omstandigheden bedreven worden, maakt Bavinck duidelijk, en hij verwijst in dit kader naar Hebreeën 6:4-6; 10:25-29 cf. 12:15-17 en 1 Johannes 5:16.[7]

Johannes Calvijn: Calvijn geeft de volgende definitie van dé zonde tegen de Heilige Geest: "Ik zeg dan dat dé zonde tegen de Heilige Geest bedreven wordt wanneer mensen die zo door glans van de goddelijke waarheid bestraald zijn dat zij niet hun onwetendheid ter verontschuldiging kunnen aanvoeren, zich toch vastbesloten in het kwaad daartegen verzetten, louter en alleen om zich tegen God te verzetten."[8] "Mensen die er in geweten van overtuigd zijn dat het Gods Woord is dat zij verachten en bestrijden, en die dan toch niet ophouden het te bestrijden, van hen wordt gezegd dat zij lasteren tegen de Geest, aangezien zij dwars tegen het hun gegeven licht in − wat het werk van de Heilige Geest is − blijven vechten."[9]

Volgens meerdere theologen wordt dé zonde tegen de Heilige Geest bedreven door iemand die verlicht geweest is door de Heilige Geest, maar die zich bewust van deze verlichting heeft afgekeerd. In Hebreeën 6:4-6 gaat het inderdaad over mensen die verlicht geweest zijn, de hemelse gave ontvangen hebben, deelgehad hebben aan de Heilige Geest, het goede woord van God ontvangen hebben en de krachten van het toekomstige tijdperk, en daarna afvallig worden en niet opnieuw vernieuwd kunnen worden tot bekering. Inderdaad gaat het in Hebreeën 6:4-6 over dé zonde tegen de Heilige Geest. We lezen in deze verzen een ernstige waarschuwing tegen geloofsafval. Degenen die van het geloof afvallen, keren zich af van de enige Weg tot behoud. Voor een voorbeeld hiervan uit de Bijbel, denk ik meteen aan Demas, die Paulus verliet toen hij de tegenwoordige wereldtijd liefkreeg (zie 2 Timotheüs 4:10). Dit voorbeeld dient als waarschuwing voor ons.[10] Over de Farizeeën in Mattheüs 12:24 en de schriftgeleerden in Markus 3:22 lezen we niet dat zij ooit geloofd hebben dat Jezus Christus de eniggeboren Zoon van God is. Het is wel duidelijk dat zij niets van Jezus willen hebben. Tot deze conclusie kan ik in ieder geval komen.

Er zijn enkele andere teksten die in verband gebracht kunnen worden met dé zonde tegen de Heilige Geest. Deze teksten zijn: Hebreeën 6:4-6; 10:26-29 en 1 Johannes 5:16. Dat deze teksten in verband gebracht kunnen worden met dé zonde tegen de Heilige Geest, waarvoor Jezus in Mattheüs 12:31-32, Markus 3:28-29 en Lukas 12:10 waarschuwt, is duidelijk. Het is wel belangrijk om de context van Mattheüs 12:31-32 helder te hebben. Deze context is niet hetzelfde als in Hebreeën 6:4-6, waar het onder andere gaat over mensen die afvallig worden en hiermee de Zoon van God (voor henzelf) opnieuw kruisigen, en Hebreeën 10:26-29, waar het onder andere gaat over mensen die opzettelijk zondigen nadat zij de kennis van de waarheid hebben ontvangen en over iemand die de Zoon van God met voeten heeft getreden en het bloed van het verbond, waardoor diegene geheiligd was, onrein geacht heeft en de Geest van de genade gesmaad heeft. Over de Farizeeën in Mattheüs 12:24 lezen we niet dat zij geheiligd geweest zijn en/of afvallig geworden zijn, want we lezen niet dat zij tot de erkenning gekomen zijn dat Jezus de eniggeboren Zoon van God is. Wel verwijzen deze teksten uit de Hebreeënbrief duidelijk naar de woorden van Jezus over dé zonde tegen de Heilige Geest. Bij afvalligen is meer aan de orde: zij hebben een tijdje geloofd dat Jezus de eniggeboren Zoon van God is, maar zijn hiervan afgevallen. In dat geval is er uiteraard nooit sprake (geweest) van het waarzaligmakende geloof, en feitelijk dus ook niet van geloof. Immers: als er geen sprake is het waarzaligmakende geloof, is er ook geen sprake van geloof, maar van ongeloof. Voor de Farizeeën die naar voren komen in Mattheüs 12:24 is geen aanwijzing dat zij ooit erkend hebben dat Jezus de Messias is.

Machiel Lock



[1] Als Jezus in Markus 3:29 spreekt over dé zonde tegen de Heilige Geest, is het vanuit de context duidelijk dat Jezus verwijst naar de beschuldigingen die de schriftgeleerden hebben geuit (zie Markus 3:22; 3:30).
[2] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, Utrecht: Kok, 2013 (4e druk; 1e druk: 1992), p. 386
[3] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, pp. 386-387
[4] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, pp. 386-387
[5] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 387
[6] H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek. Deel III, Kampen: J.H. Bos, 1898, p. 102
[7] H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek. Deel III, p. 103
[8] J. Calvijn (vertaald door C.A. de Niet), Institutie. Deel I (boek I.1 – boek III.16), Houten: Den Hertog B.V., 2009, p. 601
[9] J. Calvijn (vertaald door C.A. de Niet), Institutie. Deel I (boek I.1 – boek III.16), p. 601
[10] Het is niet bekend of Demas ook onbekeerd gestorven is.

woensdag 28 februari 2018

Zonde

In Romeinen 5:12 lezen we dat zoals door één mens de zonde in de wereld gekomen is en door de zonde de dood, zo is de dood tot alle mensen gekomen, in wie allen gezondigd hebben. "Zonde" betekent ongehoorzaamheid aan God. In Zondag 2 van de Heidelbergse Catechismus lezen we onder antwoord 5 dat de mens van nature geneigd is om God en zijn naaste te haten. In Zondag 3 van de Heidelbergse Catechismus, vraag en antwoord 8, lezen we dat wij zo verdorven zijn, dat wij geheel onbekwaam zijn tot iets goeds en geneigd tot alle kwaad, tenzij wij door de Geest van God worden wedergeboren. De Heidelbergse Catechismus verwijst hier bij het bevestigende antwoord "ja" naar Genesis 6:5 en 8:21. Voor het woord "slecht" in Genesis 6:5 en 8:21 lezen we in het Hebreeuws het adjectief רַע. Dit adjectief in Genesis 6:5 en 8:21 betekent "(vanuit ethisch oogpunt:) slecht, kwaad, vals".[1] Het adjectief רַע komt 347 keer voor in de Hebreeuwse Bijbel. Het komt voor het eerst voor in Genesis 2:9, als het gaat over de boom van de kennis van goed en van רָֽע (kwaad). In Mattheüs 12:35 spreekt Jezus over "de goede mens" en "de slechte mens". Jezus bedoelt met "de goede mens" de mens die Hem volgt.

Zowel het Hebreeuwse werkwoord חטא als het werkwoord ἁμαρτάνω in het Nieuwe Testament betekenen: "missen van het doel".[2] Johannes karakteriseert de zonde als wetteloosheid (zie 1 Johannes 3:4; 5:17).[3] De zonde maakt God tot een leugenaar en doet leven in ongeloof.[4] In Mattheüs 12:31-32 gaat het onder andere over de vergeving van zonde en lastering.

In het formulier om de Heilige Doop aan de kinderen en aan de volwassenen te bedienen staat onder andere dat de Heilige Doop ons de afwassing van de zonden door Jezus Christus betuigt en verzegelt. God vermaant en verplicht ons, zoals het doopformulier zegt, door middel van de Doop tot een nieuwe gehoorzaamheid, namelijk dat wij deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben met geheel ons hart, met geheel onze ziel, met geheel ons gemoed en met al onze krachten de wereld te verlaten, onze oude natuur te doden, en in een nieuw, godzalig leven te wandelen.

Machiel Lock
Giessenburg, februari 2018




[1] F. Brown (met medewerking van S.R. Driver en C.A. Briggs), The Brown-Driver-Briggs Hebrew and English Lexicon: with an appendix containing the biblical Aramaic, Peabody: Massachusetts: Hendrickson Publishers, Inc., 2008 (12e druk) (1e druk: Boston: Houghton, Mifflin and Company, 1906), p. 948
[2] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, Utrecht: Uitgeverij Kok, 2013 (4e ongewijzigde druk; 3e druk: 2001) (1e druk: 1992), p. 361
[3] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 361
[4] R. van Kooten, Aan Zijn voeten. Onderwijs en verdieping in de geloofsleer, Heerenveen: Uitgeverij Groen, 2010 (8e druk) (1e druk: 2004), p. 120

woensdag 31 januari 2018

Messiasschap van Jezus

Het lijkt me goed om stil te staan bij het Messiasschap van Jezus. Het gaat om een cruciaal punt. Als Jezus niet de Messias zou zijn, kan Hij ook niet de Zaligmaker zijn. Onze zaligheid hangt af van dit punt. Is Jezus de Messias? Volgens de Farizeeën waarover we in Mattheüs 12:24 lezen, niet. Zij zien Jezus als demonisch.[1] De menigten mensen zijn buiten zichzelf geraakt na het zien van het wonder dat Jezus daarnet heeft verricht. Zij vragen zich af of Jezus de Zoon van David is (zie Mattheüs 12:23). De titel "Zoon van David" is een Messiaanse titel. En dat wekt nu juist de woede op van de Farizeeën, want zij zien Jezus niet als de Messias. Het evangelie naar Mattheüs begint met de woorden (Mattheüs 1:1): "(Het) boek van (het) geslacht van Jezus Christus, (de) Zoon van David, (de) Zoon van Abraham." Uit het geslachtsregister in Mattheüs 1 en Lukas 3 blijkt dat Jezus uit het geslacht van David komt. Jezus wordt Christus genoemd (zie Matth. 1:16). Het Griekse Χριστός is een vertaling van het Hebreeuwse מָשִׁיחַ, dat "gezalfde" betekent.[2] Het woord מָשִׁיחַ komt 39 keer voor in de Hebreeuwse Bijbel, het meest in 1 Samuël (12x) en in de Psalmen (10x), bijvoorbeeld in 1 Samuël 24:7 (2x). In 1 Samuël 24:7 lezen we onder andere dat David zegt dat Saul de gezalfde van YHWH is. Uit 1 Samuël 10:1 blijkt dat Samuël Saul tot koning van Israël zalft. Vanuit 1 Samuël 16:13 weten we dat Samuël David tot koning van Israël zalft. Hieruit volgt dat Jezus de Koning van Israël genoemd kan worden. In Mattheüs 27:11 geeft Jezus een bevestigend antwoord op de vraag van de stadhouder of Hij de Koning van de Joden is. In Johannes 1:49 (sommige vertalingen: 1:50) belijdt Nathanaël dat Jezus de Koning van Israël is. Volgens de klassieke formulering is het ambt van Christus dat van Profeet, Priester en Koning.[3] Jezus is gezalfd met de Heilige Geest (zie Handelingen 10:38). De Middelaar kan alleen Iemand zijn Die een waarachtig en rechtvaardig Mens is en tegelijkertijd waarachtig God is (zie de Heidelbergse Catechismus, Zondag 5, vraag en antwoord 15). De Middelaar is onze Heere Jezus Christus (zie de Heidelbergse Catechismus, Zondag 6, vraag en antwoord 18).

Jezus Christus is de Zoon van God (zie bijvoorbeeld Markus 1:1 en Hebreeën 4:14). De Zoon is de tweede Persoon in het Goddelijk Wezen (zie bijvoorbeeld Mattheüs 28:19). Jezus is als Mens naar deze aarde gekomen om te lijden en te sterven, maar ook om na drie dagen op te staan uit de dood (zie Markus 8:31). Na drie dagen = op de derde dag (zie bijvoorbeeld Mattheüs 20:19; 1 Korinthe 15:4). Ik denk verder in het bijzonder aan Hebreeën 4:14-16: "14 Nu wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen is gegaan, (namelijk) Jezus, de Zoon van God, laten wij aan deze belijdenis vasthouden. 15 Want wij hebben geen Hogepriester Die niet kan meevoelen met onze zwakheden, maar Die in alles op dezelfde wijze op de proef is gesteld, (maar) zonder zonde. 16 Laten wij dan met vrijmoedigheid komen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om op tijd geholpen te worden." De schrijver van de Hebreeënbrief noemt de redenen waarom hij oproept met vrijmoedigheid tot de troon van de genade te komen, met als doel dat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om op tijd geholpen te worden. Deze redenen zijn dat de Hogepriester, Jezus Christus:
  • meevoelt met onze zwakheden, 
  • op dezelfde wijze (als wij) op de proef is gesteld, 
  • niet gezondigd heeft.

Onder andere het feit dat Jezus niet gezondigd heeft, is de reden dat er voor ons barmhartigheid te ontvangen is en genade te vinden is om op tijd geholpen te worden. Als Jezus wel gezondigd zou hebben, zou er nooit vergeving mogelijk geweest zijn van onze zonden. Als Mens werd Jezus onderworpen aan allerlei verzoekingen en verleidingen, maar Hij is trouw geweest aan de opdracht die Hij van Zijn Vader kreeg. Zelfs toen Hij door de πνεῦμα (Geest) naar de woestijn werd geleid, om daar op de proef gesteld te worden door de διάβολος/Σατανᾶς (duivel/satan) (zie Mattheüs 4:1; Markus 1:12-13; Lukas 4:1-2), was Hij trouw. Jezus gaf geen gehoor aan de duivel / de satan. Als Hij dat wel gedaan zou hebben, dan zou er nooit vergeving van de zonden mogelijk geweest zijn. Hij moest de weg gaan naar Golgotha. Doordat Hij trouw geweest is aan deze opdracht van Zijn Vader, is er verlossing mogelijk, alleen door Zijn bloed, dat Hij uitgestort heeft op Golgotha (zie bijvoorbeeld Efeze 1:7; Hebreeën 4:14-16). De verlossing is de vergeving van de misdaden/zonden (zie Efeze 1:7). Ook in een christen werkt de Geest, maar een christen blijft hier op aarde ook een zondig mens (lees bijvoorbeeld Galaten 5:16-26). In Galaten 5:17 staat dat het vlees tegen de Geest in begeert, en de Geest tegen het vlees in, want deze staan tegenover elkaar, zodat u niet doet wat u wilt. Paulus kende als christen ook zijn inwendige strijd (lees bijvoorbeeld Romeinen 7:14-26). Daarom is het bloed van Jezus Christus steeds nodig tot vergeving van de zonden. De enige Weg tot vergeving van zonde en lastering is Jezus Christus. Jezus Christus heeft, in tegenstelling tot elk ander mens, nooit gezondigd.

Het is duidelijk. Laat ik eindigen met de tekst Johannes 3:16-18.
"16 Want God heeft de wereld zo liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar (het) eeuwige leven heeft. 17 Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden om de wereld te veroordelen, maar om de wereld door Hem te redden. 18 Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God."

Machiel Lock



[1] D.L. Turner, Baker Exegetical Commentary on the New Testament. Matthew, p. 320
[2] Diversen, NBV Studiebijbel, p. 1864
[3] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 407

vrijdag 29 december 2017

Geloven

Wat betekent "geloven" precies? Geloven betekent volgens de christelijke gereformeerde theologen J. van Genderen en W.H. Velema: "door de aanvaarding van de beloften van het evangelie het leven ontvangen".[1] Door het geloof worden we wedergeboren.[2] De benamingen tijdgeloof, historisch geloof en wondergeloof zijn aanduidingen van wat in wezen ongeloof is.[3] Ze wijzen op het ontbreken van de persoonlijke relatie tot God in Christus.[4] Johannes Calvijn (1509-1564), een bekende kerkhervormer, schrijft dat het geloof zich richt op de ene God, maar daaraan moet dit toegevoegd worden dat het ook Jezus Christus erkent, Die Hij gezonden heeft.[5] Calvijn geeft de volgende definitie van geloof: "Het geloof is een vaste en stellige kennis van Gods goedgunstigheid jegens ons, die haar grond vindt in de waarheid van de genadige belofte in Christus en door de Heilige Geest aan ons verstand geopenbaard en in ons hart verzegeld wordt."[6] Het geloof is toevluchtnemend van aard. Het geloof gaat altijd gepaard met berouw, innerlijke verbrokenheid en besef van schuld.[7] Zondag 7, antwoord 21 van de Heidelbergse Catechismus noemt twee kenmerken van het ware geloof[8]: het ware geloof is niet alleen een stellig weten en kennis waardoor ik alles wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft voor waar houd, maar ook een vast vertrouwen dat de Heilige Geest door het evangelie in het hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid door God geschonken zijn, uit enkel genade, alleen vanwege de verdienste van Christus.

De wedergeboorte is een gave van God, bewerkt door de Heilige Geest.[9] De wedergeboorte is de innerlijke vernieuwing door Gods Geest en is het begin van het nieuwe leven, maar ook een werk van de Geest onder en door de prediking van het Woord.[10] De wortel van geloof en bekering is de wedergeboorte.[11] De bekering is geen andere daad dan het geloof: zij is heenwending tot God, welke niet mogelijk is zonder afwending van de zonde.[12] Het Hebreeuwse werkwoord שׁוב is een aanduiding van het "zich bekeren".[13] In het Nieuwe Testament treffen we voor "bekering" de woorden μετάνοια (22 keer) en ἐπιστροφή (1 keer) aan, voor "zich bekeren" μετανοέω (34 keer) en ἐπιστρέφω (15 keer).[14] Door het geloof verbindt de HEERE de zondaar met Christus.[15] God vergeeft de zondaar in Christus (zie Efeze 4:32). Geloof en bekering komen wel in elkaars nabijheid voor, maar dat betekent niet dat zij zo goed als samenvallen.[16] Het geloof ziet vooral op het omhelzen van Gods welwillendheid in Christus, op het zich toevertrouwen aan God.[17] Bij de bekering denken wij vooral aan de directe, praktische consequenties die daarmee in ons leven verbonden zijn: het ons afwenden van de zonde en ons toewenden naar God.[18] Het is in lijn met Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus: de waarachtige bekering van de mens bestaat uit twee stukken: de afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens. Dat in de wedergeboren mens een voedingsbodem van het kwaad overblijft, maakt duidelijk dat de bekering niet gezien kan worden als een eenmalige zaak.[19] Petrus schrijft in 2 Petrus 3:18: "Maar neemt toe in (de) genade en kennis van onze Heere en Redder Jezus Christus. Hem zij de glorie, zowel nu als in (de) dag van (de) eeuwigheid. Amen."

In Mattheüs 15:22 lezen we over een Kanaänitische vrouw, die Jezus ὁ υἱὸς Δαυίδ ("Zoon van David") noemt. Jezus zegt tegen haar dat haar geloof groot is (zie Matth. 15:28). In de evangeliën lezen we meerdere keren dat Jezus het geloof van mensen groot noemt, zoals in Mattheüs 8:10. In Mattheüs 8:10 lezen we: "En Jezus hoorde (dit) en verwonderde Zich en zei tegen degenen die Hem volgden: 'Voorwaar, Ik zeg u, Ik heb bij niemand in Israël zo'n groot πίστιν (geloof) gevonden.'" Jezus zegt dit in Kafarnaüm tegen een centurio (hoofdman over honderd man). De vier trekken die samen bepalen dat diens geloof door Jezus groot genoemd wordt zijn:
  1. de hoofdman heeft verwachting van Jezus;
  2. de hoofdman stelt zijn vertrouwen op Jezus' welwillendheid;
  3. de hoofdman erkent zijn eigen onwaardigheid;
  4. de hoofdman gelooft in de kracht van Jezus' Woord.[20]
Naast een groot geloof lezen we in de Schrift ook over een klein geloof. In bijvoorbeeld Mattheüs 6:30 spreekt Jezus tegen ὀλιγόπιστοι (kleingelovigen). Het adjectief ὀλιγόπιστος komt 5 keer voor in het Nieuwe Testament: Mattheüs 6:30; 8:26; 14:31; 16:8 en Lukas 12:28. In de LXX komt het niet voor. Een klein geloof komt voor uit het bezorgd zijn (zie Matth. 6:30) en is wel betrokken op Jezus, maar laat de heerschappij van Zijn Woord en Zijn macht niet voluit gelden.[21] Een klein geloof stuit op grenzen die het zelf stelt, terwijl Jezus juist in Zijn bestraffing deze grenzen doorbreekt.[22] Als er bij Petrus in het water (zie Matth. 14:31) en bij de discipelen in de storm op zee (zie Matth. 8:24-26) van een klein geloof gesproken wordt, gaat het er om dat zij vanwege hun vleselijke zorgen en angsten een kleine verwachting van Jezus hebben, niet dat zij maar een klein geloof ontvangen hebben.[23] Van Genderen en Velema wijzen in het kader van de bespreking van de verschillende gesteldheden waarin de gelovige kan verkeren ook op een zwak geloof, waarover we lezen in Markus 9:24.[24] Het gaat in dit vers over een vader van een jongen. De jongen heeft een geest die veroorzaakt dat hij niet kan praten (zie Markus 9:17).[25] De vader roept met tranen en zegt (tegen Jezus): "Ik geloof, Heere, kom mijn ongeloof te hulp." De discipelen van Jezus konden de jongen niet genezen (zie Markus 9:18). Een zwak geloof is zich bewust van eigen beperktheid en worstelt met eigen gebreken; het verschil met een klein geloof is dat kleingelovigen zich niet bewust zijn van hun eigen gebreken.[26] 

Machiel Lock



[1] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, Utrecht: Uitgeverij Kok, 2013 (4e ongewijzigde druk; 3e druk: 2001) (1e druk: 1992), p. 541
[2] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 541
[3] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 545
[4] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, pp. 545-546
[5] J. Calvijn (vertaald door C.A. de Niet), Institutie. Deel I (boek I.1 – boek III.16), p. 530
[6] J. Calvijn (vertaald door C.A. de Niet), Institutie. Deel I (boek I.1 – boek III.16), p. 537
[7] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 542
[8] Zelf spreek ik liever van "het ware geloof" in plaats van "een waar geloof". Er is immers maar één waar geloof: het geloof dat Jezus Christus de eniggeboren Zoon van God is.
[9] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 546
[10] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, pp. 534-535
[11] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 547
[12] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 547
[13] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 548
[14] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 549. Van Genderen en Velema verwijzen naar Pop, Bijbelse woorden, p. 76. Via Logos Bible Software 5 kom ik erachter dat het werkwoord ἐπιστρέφω 36 keer voorkomt in het Nieuwe Testament. De overige genoemde aantallen in deze zin komen wel overeen met de statistieken die Logos Bible Software 5 geeft.
[15] R. van Kooten, Aan Zijn voeten. Onderwijs en verdieping in de geloofsleer, Heerenveen: Uitgeverij Groen, 2010 (8e druk) (1e druk: 2004), p. 192
[16] R. van Kooten, Aan Zijn voeten. Onderwijs en verdieping in de geloofsleer, p. 203
[17] R. van Kooten, Aan Zijn voeten. Onderwijs en verdieping in de geloofsleer, p. 203
[18] R. van Kooten, Aan Zijn voeten. Onderwijs en verdieping in de geloofsleer, pp. 203-204
[19] R. van Kooten, Aan Zijn voeten. Onderwijs en verdieping in de geloofsleer, p. 205
[20] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 545
[21] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 545
[22] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 545
[23] R. van Kooten, Aan Zijn voeten. Onderwijs en verdieping in de geloofsleer, p. 202
[24] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 545
[25] In Mattheüs 17:15 lezen we dat deze jongen maanziek is.
[26] J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, p. 545