woensdag 31 oktober 2018

De geestelijke verzorging en het pastoraat

Beste lezer(es),

Omdat ik nu de deeltijdopleiding Godsdienst Pastoraal Werk aan de Christelijke Hogeschool Ede (CHE) volg, lijkt het me goed om iets te schrijven over het pastoraat, maar ook over de geestelijke verzorging, omdat ik van november tot en met halverwege april jongstleden stage heb gelopen bij een geestelijk verzorger.

Allereerst het punt: is er verschil tussen 1) geestelijke verzorging en 2) pastoraat? Veel geestelijk verzorgers treffen in hun werkveld gesprekspartners aan die openstaan voor de Bijbel. Dat is doorgaans zeker het geval in een christelijk verpleeghuis. Tijdens de stageperiode hebben de betreffende geestelijk verzorger en ik uitvoerig over het beroepsveld van de geestelijke verzorging gesproken. De betreffende geestelijk verzorger sprak over het verschil tussen 1) geestelijke verzorging en 2) pastoraat, maar ook wel over de overeenkomsten hierin. Hij zei dat in het geval van geestelijke verzorging de gesprekspartner de gespreksthema’s bepaalt, terwijl in het geval van het pastoraat in ieder geval altijd de Bijbel een plaats heeft, ook als de gesprekspartner dat niet wil. In de praktijk komt het er dan dus op neer dat de geestelijk verzorger wel aan de gesprekspartner vraagt of hij/zij het goed vindt dat er een gedeelte uit de Bijbel gelezen wordt, maar als het antwoord “nee” is, dan gebeurt het ook niet. Als christen heb ik wel moeite met dit uitgangspunt. Want ook als personen niet over de Bijbel willen spreken, is het goed om die personen toch het onschatbare belang van geloof en bekering voor te houden, en dan gaat het uiteraard om bekering tot de God van de Bijbel. In 2 Korinthe 5:11 lezen we bijvoorbeeld over het ontzag voor de Heere, dat aanleiding geeft om mensen te overtuigen om ook het christelijk geloof aan te hangen. Zo ging dat toch tijdens alle zendingsreizen van Paulus. Paulus en zijn medebroeders zijn in behoorlijk wat plaatsen geweest om mensen te overtuigen / te bewegen tot het christelijk geloof. We lezen hier heel wat voorbeelden van in het Bijbelboek Handelingen en in de brieven van Paulus.

Globaal kunnen we stellen dat geestelijke verzorging wat ruimer is dan pastoraat. Tijdens de colleges van CHE-docent Nico van der Voet heb ik dit ook zo begrepen. Ook in een individueel gesprek met hem op de CHE. Daarnaast heb ik grote delen gelezen van het boek “Nieuw handboek geestelijke verzorging” (3e druk (2015); 1e druk (2006)), een boek dat onder eindredactie staat van Jaap Doolaard. In hoofdstuk 4 van dat boek, getiteld “Over opleiding en competentie”, geschreven door mw. drs. D.E. Mooij-Kemp, staat dat door de Vereniging van Geestelijk Verzorgers in Zorginstellingen (VGVZ) het beroep van geestelijk verzorger gekenmerkt wordt door twee kwaliteiten: “De ambtshalve kwaliteit verwijst naar het op basis van opleiding en identiteitsbinding kunnen functioneren in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van een levensbeschouwelijk of religieus genootschap. De professionele kwaliteit verwijst naar de voor de beroepsuitoefening vereiste sociaal-wetenschappelijke, en theologische of levensbeschouwelijke kennis en naar het geheel van methodieken en vaardigheden die nodig zijn voor de patiënten en bewoners en voor het verdere functioneren als geestelijk verzorger in de zorginstelling.”[1] En hierbij geldt dus: “De verbinding van beide kwaliteiten in de persoon van de geestelijk verzorger maakt hem of haar competent voor de geestelijke verzorging van álle cliënten van een zorginstelling.”[2] Het gaat dus om alle cliënten. Daar kunnen dus ook cliënten bij zijn die niet christelijk zijn en/of cliënten die niet openstaan voor de Bijbelse boodschap. Gelet op de zienswijze van de VGVZ op geestelijke verzorging is geestelijke verzorging niet per se verzorging met de Bijbel als grondslag. Maar voor ik hier verder op doorga, wil ik eerst iets schrijven over pastoraat.

Hierbij moet ik natuurlijk ook iets schrijven over “pastoraat” in het algemeen. Enkele jaren geleden heb ik het boek “Liefdevol oog en open oor. Handboek pastoraat in de christelijke gemeente” (4e druk (2010); 1e druk: 1999), dat onder redactie staat van dr. H.C. van der Meulen, gelezen. Ik kan me nog herinneren dat hierin verschillende stromingen van pastoraat worden beschreven. Ik heb het boek er weer even bij gepakt en in hoofdstuk 1 gaat dr. Van der Meulen, voormalig docent Praktische Theologie aan de Protestantse Theologische Universiteit, in op de verschillende stromingen binnen de pastorale theologie.
·        Zo is er het kerugmatische pastoraat.[3] De vader hiervan is de Zwitserse theoloog E. Thurneysen (1888-1974). Hij heeft als uitgangspunt dat het Woord, dat zondags tot de gemeente als geheel komt en dat als inhoud de vergeving dankzij Jezus Christus heeft, in de zielzorg aan de enkeling persoonlijk wil worden gebracht.[4] Thurneysen zegt ook wel dat de zielzorg gebruik kan maken van de psychologie, als een hulpwetenschap, die het onderzoeken van het innerlijk leven van de mens dient.[5] Ook moet de zielzorg luisteren naar wat psychiatrie en psychotherapie inzake het door ziekte bedreigde en gestoorde leven kunnen vertellen.[6] Maar in haar mensvisie laat de zielzorg zich uiteindelijk leiden door het evangelie der genade.[7]
·     Er is ook het therapeutisch pastoraat.[8] De voornaamste vertegenwoordiger van deze richting is de Amerikaan Seward Hiltner (1909-1984) en deze richting heeft duidelijk verschillen met het kerugmatische pastoraat.[9] Niet het onderscheid en de afstand tussen God en de mens wordt benadrukt, maar juist de nadruk op de verbinding van God en mens.[10] In het therapeutisch pastoraat wordt het uitgangspunt genomen in het eigene van de mens en zijn gevoelsleven.[11]
·        Bij het charismatisch pastoraat horen tot de kern twee thema’s: genezing en bevrijding.[12] “Genezing” slaat op lichamelijke en op innerlijk genezing, waarbij de arts bewust of onbewust een dienaar van Christus is.[13] “Bevrijding” heeft betrekking op de greep van de kwade machten.[14] In het charismatisch pastoraat wordt een belangrijke plaats ingeruimd voor gebed, handoplegging, loflied, zegening en zalving, dit alles in het vertrouwen van de concrete werkzaamheid van de Heilige Geest.[15] Er wordt bovendien sterke nadruk gelegd op de rijkdom aan charisma (= gaven), die de verhoogde Christus door de Geest aan Zijn gemeente schenkt.[16]
·        Bij het hermeneutisch pastoraat moet niet de verkondiging en ook niet de psychologie eenzijdig de toon aangeven, maar theologie en psychologie moeten als gelijkwaardige partners met elkaar in gesprek zijn.[17] Volgens de vader van het hermeneutisch pastoraat, Charles V. Gerkin, speelt pastorale zorg zich af tussen enerzijds het verhaal van de christelijke gemeente en haar traditie en anderzijds de bijzondere levensverhalen van de mensen.[18]

Er zijn uit al deze vormen van pastoraat wel goede dingen te halen. Het is ook duidelijk dat in al deze vormen van pastoraat duidelijk de Bijbel een bepaalde plaats inneemt. Dat hoeft dus niet het geval te zijn bij geestelijke verzorging. Ik denk dat het therapeutisch pastoraat wel het beste aansluit bij de omschrijving die mijn (nu dus voormalige) stagebegeleider van geestelijke verzorging gaf: “Pastoraat komt op vanuit God, maar geestelijke verzorging vanuit de mens.” Bij therapeutisch pastoraat wordt dus ook het gevoel van de mens als uitgangspunt genomen. Belangrijk verschil is wel dat de verbinding tussen God (= de christelijke God) en mens in een pastoraal gesprek ter sprake komt. Dat hoeft dus niet zo te zijn in de geestelijke verzorging. Toch is het dus wel zo dat als een geestelijk verzorger in een (protestants-)christelijke instelling werkt, de kans groter is dat cliënten openstaan voor een woord uit de Bijbel. Er wordt toch ook wel verschillend over geestelijke verzorging gedacht. Een andere geestelijk verzorger die ik in maart jl. sprak, gaf aan het absoluut niet eens te zijn met het uitgangspunt dat geestelijke verzorging opkomt vanuit de mens. Hij werkt ook in een christelijk verpleeghuis. Bij cliënten die niet over de Bijbel willen spreken, gaat hij niet op bezoek. Dit vindt de geestelijk verzorger bij wie ik stage heb gelopen, verwerpelijk. Zelf vind ik dit lastig. Enerzijds kan ik me voorstellen dat je niet bij zo iemand op bezoek gaat, want de Bijbel dichtlaten, is nogal wat. We leren de Heere in het bijzonder kennen door Zijn Woord te lezen. De Heere Jezus zegt immers (Joh. 5:39, HSV): “U onderzoekt de Schriften, want u denkt daardoor eeuwig leven te hebben, en die zijn het die van Mij getuigen.” Anderzijds is er ook het argument dat ik van de geestelijk verzorger bij wie ik stage heb gelopen en van een geestelijk verzorger die ik afgelopen april sprak en bij wie ik mogelijk nog stage ga lopen, dat het aan je eigen houding als goed is te zien dat je een christen bent. Alleen al door de vraag “Vindt u het goed als ik een gedeelte uit de Bijbel lees?” te stellen, is al een teken dat je de Bijbel hoog acht. Dat moet ik toch ook zeker zeggen.

Zelf vind ik het lastig om me aan te sluiten bij een van de vier beschreven vormen van de pastorale theologie. Er zijn van al deze stromingen voordelen, maar ook nadelen aan te wijzen. Wel kan ik me goed vinden in de definitie die dr. H.C. van der Meulen geeft van “pastoraat”: pastoraat is het onder de hoede van de Goede Herder, in gehoorzaamheid aan Zijn Woord en in de kracht van de Heilige Geest binnen en vanuit de charismatische gemeente van Jezus Christus via ontmoeting, gesprek en ritueel omzien naar mensen op hun levens- en geloofsweg binnen de context van de samenleving.”[19] Twee zaken vallen mij hierin vooral op: gehoorzaamheid aan Gods Woord en de kracht van de Heilige Geest. God vraagt inderdaad gehoorzaamheid van ons – denk bijvoorbeeld aan de Tien Geboden en de hoofdsom hiervan – en Gods kracht in ons leven is weliswaar onverdiend, maar onmisbaar als het gaat om het praktische leven van alle dag, maar zeker ook in het geestelijk leven (zie bijvoorbeeld Joh. 3:5).

Machiel Lock



[1] Jaap Doolaard (eindredactie), Nieuw handboek geestelijke verzorging, Kampen: Kok, 2015 (3e druk, 1e druk: 2006), p. 132
[2] Jaap Doolaard (eindredactie), Nieuw handboek geestelijke verzorging, p. 132
[3] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor. Handboek pastoraat in de christelijke gemeente, Zoetermeer: Boekencentrum, 2010 (4e druk; 1e druk: 1999), p. 11
[4] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 12
[5] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 13
[6] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 13
[7] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 13
[8] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 13
[9] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 13
[10] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 14
[11] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 14
[12] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 17
[13] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 17
[14] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 17
[15] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 17
[16] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 17
[17] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 18
[18] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 18
[19] H.C. van der Meulen (redactie), Liefdevol oog en open oor, p. 20

zaterdag 29 september 2018

Boekonderzoek: Johannem Beltsnider, Fonteyne, Tegens de Sonde ende onreynigheyt voor alle ware Christenen geopent; in de Leere ende Troostrijcke Name Iesu …, Amsteldam 1657 (2)


Informatie over de plaats van het werk in het geheel van het Nederlands gereformeerd piëtisme

“Fonteyne, Tegens de sonde…” is een traktaat dat uit twee nieuwjaarspredikatiën bestaat. Het werk begint met een voorrede. De eerste preek behandelt de besnijdenis van de Heere Christus op de achtste dag na Zijn geboorte (Luk. 2:21): de historie van de besnijdenis van onze Zaligmaker Jezus Christus. De tweede preek behandelt de troostrijke Naam Jezus. Om tot de plaats binnen het geheel van het Nederlands gereformeerd piëtisme te komen, is hieronder een definitie van “piëtisme” te lezen.

De Nadere Reformatie is die beweging binnen de Nederlandse Gereformeerde Kerk in de zeventiende en achttiende eeuw, die in reactie op de verflauwing van of een gebrek aan levend geloof de persoonlijke geloofsbeleving en godsvrucht centraal stelde en van hieruit inhoudelijke en procedurele reformatieprogramma's opstelde, bij de bevoegde kerkelijke, politieke en maatschappelijke organen indiende en/of in aansluiting hierbij zelf een verdere hervorming van kerk, samenleving en staat in woord en daad nastreefde.[1]

Als men deze definitie van piëtisme hanteert, blijkt “Fonteyne, Tegens de sonde…” in zijn geheel binnen de traditie van het piëtisme te passen. Johannes Beeltsnijder snijdt vaak de persoonlijke geloofsbeleving aan. Wij dienen volgens Beeltsnijder de Heere Jezus lief te hebben, want degene die Hem niet liefheeft, is vervloekt. Dan komt Beeltsnijder met een opwekking, namelijk om de grote en onuitsprekelijke liefde van Christus tot ons als arme afgeweken zondaars met behoorlijke wederliefde te ontmoeten, nadat wij zijn bekeerd tot de Herder en de Toeziener van onze zielen. Hier wijst Johannes Beeltsnijder op de noodzaak van wederliefde tot Christus. Beeltsnijder haalt de bekering verschillende keren aan, waarbij hij sterk benadrukt dat je de bekering niet moet uitstellen, aangezien Gods eniggeboren Zoon Zich op de achtste dag heeft laten besnijden. Voorin in het werk van Beeltsnijder staat dat zijn traktaat uitgegeven is volgens de laatste Nationale Synode te Dordrecht.
Beeltsnijder geeft in zijn werk (op pagina 56) aan dat er al meer over de erenaam Jezus Christus geschreven is. Het betreft “Het Lof Jesu Christi”, geschreven door Rudolphus Petri. Over deze Rudolphus Petri wordt vermeld dat hij predikant was in de gemeente te Amsterdam. Het genoemde boekwerk behandelt ook de erenaam Jezus Christus. Rudolphus Petri en de meeste andere auteurs die over de besnijdenis en de naamgeving van Jezus preken, doen dat vaak wel op ongeveer dezelfde wijze als Johannes Beeltsnijder. Beeltsnijder legt sterke nadruk op de toepassing van het heil en de weerlegging van dwalingen. Dit geldt voor velen in de tijd van Beeltsnijder of kort daarvoor. De Reformatie was namelijk nog niet zolang ontwikkeld, en het kernpunt van de Reformatie was het onder controle krijgen van de ware leer en in de Nadere Reformatie het verwerven van het heil. Latere werken over deze thema’s hebben dikwijls wel een andere vormgeving dan “Fonteyne, Tegens de sonde…”. Men is vaak niet zo krachtig meer in het verwerpen van dwalingen. Dit omdat men anders niet meer verdraagzaam was ten opzichte van andere geloofsgemeenschappen.

[In december a.s. volgt deel 3 van mijn artikelenserie “Boekonderzoek: Johannem Beltsnider, Fonteyne, Tegens de Sonde ende onreynigheyt voor alle ware Christenen geopent; in de Leere ende Troostrijcke Name Iesu …, Amsteldam 1657”.]

vrijdag 31 augustus 2018

Boekonderzoek: Johannem Beltsnider, Fonteyne, Tegens de Sonde ende onreynigheyt voor alle ware Christenen geopent; in de Leere ende Troostrijcke Name Iesu …, Amsteldam 1657 (1)


Woord vooraf

Johannes Beeltsnijder was een belangrijk predikant. Op godsdienstig gebied leefde hij in een hectische tijd. Dat blijkt wel wanneer u zijn boek “Fonteyne, Tegens de sonde…” leest. Het was voornamelijk een strijd op het gebied van de ware godsdienstige leer en inmiddels niet minder van de bevinding van het heil. Mijn verslag dat u nu leest, bevat een onderzoek naar Beeltsnijders werk “Fonteyne, Tegens de sonde...”. Door het lezen van dit verslag krijgt u een goed beeld van Beeltsnijders gedachtegoed op godsdienstig gebied. Als u het echte werk “Fonteyne, tegens de sonde…” leest, krijgt u geestelijk voedsel over de besnijdenis en over de naamgeving van Jezus Christus. Dat Beeltsnijder in dit werk interessante gegevens beschrijft, blijkt al uit het lezen van mijn onderzoek. Ik wens u daarin veel plezier.

Machiel Lock
Giessenburg, augustus 2018

  
Informatie over de auteur

Johannes Beeltsnijder leefde van 1603 tot rond 1683. Hij studeerde theologie in Franeker. Beeltsnijder stond van 1630 tot aan zijn emeritaat in 1678 als gereformeerd predikant in Beilen. Hij genoot bekendheid door de publicatie van een zestiental prekenbundels en een catechismusverklaring. De predikant schreef als één van de weinige Drenten boeken.[1]
Johannes was de zoon van Gerrit Beeltsnijder en Wijna Steenbergen uit Epe. Eén van zijn broers was koperslager, eerst in Amsterdam, later in Kampen. Eén van zijn zussen was getrouwd met Theunis Daams, die in 1632 raad van Deventer werd. Een andere zus trouwde met een Schultinck uit Steenwijk; de Schultincks bekleedden eveneens openbare functies.
Dominee Beeltsnijder trouwde met Elisabeth Bert. Een dochter uit dit huwelijk, Wijnanda, trouwde met Emmerik van Rossum, schulte van Rolde. Een andere dochter trouwde met de predikant Willem Hofstede, sinds 1677 hulppredikant bij zijn schoonvader en na diens overlijden zijn opvolger. Een zoon Johannes werd predikant. Een andere zoon, Bartholomeus, trouwde met Sophia Stich uit Meppel. Zijn zoon Quirinus Beeltsnijder studeerde rechten en werd landschrijver van Drenthe.
Johannes Beeltsnijder had nog het vrij gebruik van de pastorie en het daarbij gelegen land bestaande uit ‘hoff, gaerdens, lynlant en waerdeel’. Daar stond tegenover dat hij evenals de andere Drentse predikanten verplicht was uit de pastoriegoederen bij te dragen tot het onderhoud van de koster en schoolmeester en dat het innen van de rogge, de haver en de andere inkomsten in natura niet altijd zonder strubbelingen verliep.[2]
  

Informatie over het oeuvre van de auteur en de plaats van het boek daarin

Werken van Johannes Beeltsnijder
  • Anathomie, Dat is: Ontledinge des Christelijcken Cathechismis
  • Belijdenis Predicatie (Rom 7, 24v.)
  • Euthanasia, Dat is, De Salighe Sterf-konst der Kinderen Godts (6 predicatien over 2 T., 4, 6-8)
  • De geluckige uytkomst van de Gekroonden Stephanus (3 predicatien over Hand. 7,59v.)
  • Het oprechte Gelove en ware Voorbereydinge van den Ouden Simeon (Luk. 2, 29vv.)
  • ’t Saligh Afsterven van de jongen Sone Jerobeams (6 predicatien)
  • De vrye opene Fonteyne, tegens de sonde ende onreynigheyt voor alle ware christenen geopent, in de leere ende troostrijcke name Iesu.
  • De ware Christelijcke Huys-sorge (4 predicatien over Mt. 6,33).

Uit het oeuvre van Johannes Beeltsnijder blijkt dat hij veel geschreven heeft over de zaligheid oftewel de gelukzaligheid, die men alleen door het geloof in Jezus Christus en Dien gekruisigd kan beërven. In God is de hoogste zaligheid des mensen gelegen. Uit vier van de acht genoemde werken is dit uit de titel op te maken. Ook bij “Het oprechte Gelove en ware Voorbereydinge van den Ouden Simeon”. Hierbij denk ik aan de woorden van de oude Simeon: “Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien”.  Ook in “Fonteyne, Tegens de sonde…” stelt hij de zaligheid des mensen centraal. Dat wordt in de Voorrede al meteen duidelijk: “Dat den Leerlinck, een zondigh Christen mensche mooghen weder vereeniget worden met God door den Middelaer, ende gheraecken tot de ghenietinge van de Zalige ghemeynschap met Gode hier in dezen leven in ghenade, ende nae dezen leven in eeuwighe glorie. In deze Zalighe ghemeynschap met Gode daer in is de hooghste gheluckzaligheydt des menschen gelegen.” Daarom past het bestudeerde werk geheel in zijn oeuvre. Uit de genoemde punten blijkt ook dat Johannes Beeltsnijder veel predikatiën in zijn oeuvre heeft. Dit geldt ook voor “Fonteyne, Tegens de sonde…”. Dit werk bevat namelijk ook twee predikatiën. Hij geeft dit onder de noemer van traktaat uit.

dinsdag 31 juli 2018

Plan van aanpak catechisatieles 2


PLAN VAN AANPAK CATECHISATIELES MAANDAG 18 MAART 2018


Voor het ontwerpen van een lesopzet voor deze catechisatieles doe ik eerst enig voorwerk, dit aan de hand van de 6 stappen die genoemd worden in “Altijd leerling. Basisboek catechese” van Jos de Kock, Wim Verboom e.a. (tweede druk, Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer).

1.          Thema: de opstanding van de Heere Jezus Christus
2.         Doelen: de catechisanten iets laten zien van het doel van de opstanding van Jezus
3.   Informatie verzamelen over het thema: vanuit de Bijbel, Bijbelcommentaren, de Heidelbergse Catechismus
4.         Verkennen van het eigen subjectieve concept en de eigen praktijkcontext ten aanzien van het thema: persoonlijk vind ik de opstanding van Jezus in eerste instantie moeilijk te begrijpen en te geloven. Wie ziet er vandaag de dag een dode opstaan uit zijn/haar graf? Dat is toch bijna onmogelijk? We moeten dus gedegen Bijbelstudie doen om de opstanding van Jezus te kunnen begrijpen. Bovendien hebben wij hier de hulp en de leiding van de Heilige Geest bij nodig. Persoonlijk raakt het mij dat Jezus is opgestaan zo vlak nadat Hij is bespot door mensen en gruwelijk aan het kruis ter dood is gebracht.
5.      Verkennen van het subjectieve concept en de praktijkcontext van catechisanten ten aanzien van het thema: catechisanten zullen ongetwijfeld vragen hebben bij het thema “de opstanding van de Heere Jezus Christus”. Het gaat hier om iets bovennatuurlijks. Hoe moet een catechisant dit geloven? In het leven van alledag kan het ook moeilijk zijn om ervoor uit te komen dat je in de opstanding van Jezus gelooft. Omdat we werkelijk niemand uit de dood zien opstaan, is het een bewijs dat de Bijbel niet betrouwbaar is, zo denken velen. Het is niet goed om direct over dit punt heen te gaan, maar wel is het zaak om argumenten te vinden voor het feit dat de Bijbel wel degelijk waar is, ook als het gaat over de opstanding van Jezus. Aan de oudste groepen is het aan te raden om te zeggen dat er ook een stroming in de kerk is die niet gelooft in de lichamelijke opstanding van Jezus, met name de vrijzinnige stroming. En er kan onderscheid gemaakt worden tussen lichamelijke en geestelijke opstanding. Op grond van de Bijbel geloven wij in de lichamelijke opstanding van Jezus, maar dat neemt niet weg dat de opstanding van Jezus geestelijke betekenis heeft voor het leven van een christen, sterker nog: dat is zeker het geval.
6.      Verkennen van de context van de gemeente en de omringende wereld ten aanzien van het thema: dit is moeilijk na te gaan, omdat ik nauwelijks bekend ben met de thema’s die momenteel in de kerkelijke gemeente waarin ik deze catechisatie geef, in het bijzonder aan de orde zijn. De gemeente belijdt de opstanding van Jezus Christus uit de dood. De catechisanten kunnen zeker aan de slag met het thema “de opstanding van Jezus”. In 1 Korinthe 15:14 lezen we immers: “En als Christus niet is opgewekt, dan is onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof.” Dit is een uitermate belangrijk uitgangspunt voor de catechisant voor zichzelf en eventueel voor de contacten in en het werk in de kerkelijke gemeente waarvan hij/zij lid is, op de school/universiteit waar hij/zij op zit, in het bedrijf waar hij/zij werkt, enzovoorts. Toen Johan Cruijff, een populaire voetballer, overleed, ging er een tweet de wereld in: “JC staat zondagmorgen weer op.” Lees hierover een artikel uit het Reformatorisch Dagblad van 26 maart 2016:
Sommige mensen vinden dat Johan Cruijff de plaats van Jezus Christus heeft ingenomen. Meerdere jongeren en ouderen zijn gevoelig voor sportverdwazing. Natuurlijk is sport op zichzelf niet verkeerd, maar het mag geen verdwazing worden. Het is een goede zaak om de jongeren toe te rusten in de Bijbel.


Opening (op het bord schrijven)

Zingen: Psalm 16:4,5
Gebed
Lezen: Johannes 20:1-23

Vanavond de laatste catechisatieles van dit seizoen. We leven toe naar Goede Vrijdag en Pasen. Met Goede Vrijdag (dit jaar op 30 maart) wordt de kruisiging en de dood van Jezus herdacht, met Pasen (dit jaar op 1 en 2 april) de opstanding van Jezus uit de dood. Maandag 2 april is vandaag over precies twee weken. Deze catechisatieles gaat over de opstanding van de Heere Jezus Christus. De relevantie hiervan benoemen (zaken benoemen die ik heb geschreven aan de hand van de 6 stappen uit het boek “Altijd leerling. Basisboek catechese”, zie de vorige bladzijde).


Vragen (soort stellingen) (op het bord schrijven)

Vraag 1: Stel dat je een man op straat tegenkomt waarvan je weet dat hij drie dagen geleden is begraven, en hij zegt dat hij is opgestaan. Zou je dat dan geloven?
Vraag 2: De opstanding van de Heere Jezus Christus uit de doden: waargebeurd of niet waargebeurd?


Bijbelstudie

Om antwoord op vraag 2 (zie hierboven) te krijgen, is het nodig om een korte Bijbelstudie te doen over Johannes 20. (Het mag natuurlijk ook een lange Bijbelstudie zijn, maar daar hebben we vanavond helaas geen tijd voor.)

Enkele inleidende vragen:
-         Vraag 1 (n.a.v. vers 1): Waarom was de steen van het graf afgenomen?
-        Vraag 2 (n.a.v. vers 9): Waar staat het in de Bijbel dat Jezus uit de doden zou opstaan?
-        Vraag 3 (n.a.v. vers 17): Over welke (toen nog) toekomstige gebeurtenis spreekt Jezus hier?

Johannes 20 beschrijft gebeurtenissen van de Paaszondag, die plaatsvinden in de morgen (verzen 1-18) en in de avond (verzen 19-29) (in de verzen 30 en 31 lezen we de conclusie).[1] Deze twee gedeelten kunnen dan elk opnieuw verdeeld worden in twee delen: 1 (morgen) a. de ontdekking van het lege graf (verzen 1-10) en b. de verschijning van Jezus aan Maria Magdalena (verzen 11-18); 2 (avond) a. de verschijning van Jezus aan de discipelen (verzen 19-23) en b. aan Thomas, die er de vorige keer niet bij was (verzen 24-29).[2]

In vers 1 lezen we dat Maria Magdalena op de eerste dag van de week vroeg in de morgen, als het nog donker is, naar het graf gaat waarin Jezus lag, en ze ziet dat de steen van het graf is weggenomen. Velen denken aan de mogelijkheid dat Maria Magdalena denkt dat het lichaam van Jezus gestolen is, maar het ligt meer voor de hand dat ze denkt dat Jezus ergens anders opnieuw begraven is.[3] Zij gaat naar Simon Petrus en naar de andere discipel, die Jezus liefheeft – dat is Johannes, en zij zegt tegen hen: “Ze hebben de Heere uit het graf weggenomen, en wij weten niet waar zij Hem neergelegd hebben.” Let wel: ze zegt: “wij weten niet”. Meervoud dus. Terwijl we hier alleen over Maria Magdalena lezen die zag dat de steen van het graf is weggenomen. We herkennen hierin de synoptische gedeelten van de meerdere vrouwen bij het graf.[4] In Mattheüs en in Markus lezen we namelijk over nog een andere Maria: de moeder van Jakobus, die samen met Maria Magdalena naar het graf ging. Maar met “wij” kan Maria Magdalena ook bedoelen: zijzelf, en Petrus en Johannes.[5] Petrus en Johannes lopen naar het graf, Johannes loopt sneller. Johannes ziet de doeken liggen, maar gaat het graf niet in, terwijl Simon Petrus dat wel doet. Simon Petrus ziet de zweetdoek, die op het hoofd van Jezus lag, opgerold op een andere plaats liggen. Ook Johannes gaat nu toch het graf in. We lezen dat zij de Schrift (= de Bijbel) nog niet kennen, waarin staat dat Jezus uit de doden zal opstaan. We kunnen dan bijvoorbeeld denken aan Psalm 16, die we zojuist hebben gezongen. Petrus haalt deze tekst aan tijdens Pinksteren vlak na de uitstorting van de Heilige Geest: de gezalfde van God zal niet aan het dodenrijk worden overgelaten en zijn lichaam zal niet bederven.[6] Jezus Christus is wel een hele bijzondere “Gezalfde”. Hij is de eniggeboren Zoon van God. De Naam “Christus” betekent “Gezalfde”. Calvijn noemt meerdere teksten waaruit blijkt dat de opstanding van Jezus al van tevoren is voorzegd in de Bijbel: Jesaja 55:3, Psalm 16:10, Psalm 110:1, Jesaja 53:8.[7]

De discipelen gaan weer naar huis. Maria Magdalena is opnieuw bij het graf.[8] Zij huilt buiten bij het graf en terwijl zij huilt, buigt zij voorover in het graf, en ze ziet twee engelen zitten, één aan het hoofdeinde en één aan het voeteneinde van de plaats waar het lichaam van Jezus gelegen heeft. Dat één engel aan het hoofdeinde zit en een andere engel aan het voeteneinde, is bijzonder. Het is een getuigenis van het feit dat God Zijn eniggeboren Zoon Jezus Christus uit het graf heeft weggenomen voor iets wat nog moet volgen.[9] De engelen zeggen nog niet gelijk tegen Maria Magdalena dat Jezus is opgestaan.[10] Maria Magdalena zegt dat Jezus is weggenomen en ze geeft aan dat ze niet weet waar het lichaam van Jezus nu is. Ze draait zich om en ziet Jezus staan, alleen ze weet niet dat het Jezus is. Ze denkt dat het de tuinman is, maar als Jezus tegen haar zegt: “Maria!”, herkent ze Hem wel. Jezus maakt Maria Magdalena bekend dat Hij (Jezus) zal opvaren naar Zijn Vader, die ook de Vader is van Maria Magdalena, en naar Zijn God, die ook de God is van Maria Magdalena. Hiermee bedoelt Jezus de hemelvaart[11], die vlak hierna zal volgen. Deze reis naar de hemel maakt Hij alleen, daarom mag Maria Magdalena Hem niet vasthouden.[12] Maria zegt vervolgens tegen de discipelen dat ze Jezus gezien heeft en dat Hij dit tegen haar gezegd heeft. Aan de avond van de dag staat Jezus in het midden van de discipelen en wenst hen vrede toe. Jezus laat hen Zijn handen en Zijn zij zien. Dit is ook een duidelijke belijdenis in de kerk geworden: de Gekruisigde is de opgestane Heere, en de opgestane Heere is de Gekruisigde, de Verlosser van vlees en bloed, Wiens dood en opstanding de zaligheid bereiken voor de gehele wereld.[13] De discipelen worden blij als ze Jezus zien. Jezus wenst hen opnieuw vrede, Hij zegt dat zoals de Vader Hem gezonden heeft, zo zendt Hij (Jezus) ook hen (de discipelen). Hij blaast op hen en zegt tegen hen: “Ontvang de Heilige Geest.” Jezus maakt duidelijk dat als de discipelen iemands zonden vergeven, deze zonden vergeven worden, en als de discipelen iemands zonden toerekenen, dan blijven de zonden aan diegene toegerekend.

In het volgende gedeelte lezen we over Thomas, één van de discipelen van Jezus. Dit gedeelte hebben we tijdens de Schriftlezing niet gelezen. Jullie kennen deze geschiedenis wel, denk ik. Thomas was er namelijk niet bij toen Jezus bij de andere discipelen kwam, de geschiedenis die we zojuist hebben besproken. Een week later is hij er wel bij en dan komt Jezus opnieuw bij Zijn discipelen. Thomas gelooft het eerst niet dat Jezus opgestaan is, maar zodra hij Jezus ziet, gelooft hij het wel.

Wij kunnen het haast niet voorstellen dat een mens opstaat uit de dood. Dan lijkt het in de eerste plaats niet waargebeurd te zijn dat Jezus is opgestaan. Wij hebben het niet gezien. Toch zijn er wel velen die Hem gezien hebben nadat Hij gestorven en opgestaan is. Na de twaalf discipelen is Hij aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk verschenen, zie 1 Korinthe 15:6. Jezus is opgestaan om te vervullen wat er in de Bijbel geschreven staat en om terug te gaan naar Zijn Vader in de hemel. Jezus is niet zomaar een mens, Hij is de eniggeboren Zoon van God. Jezus heeft de dood overwonnen. De opstanding van Jezus betekent ook iets voor ons persoonlijk, als we de Bijbel aanvaarden als Gods Woord. We kunnen hiervan bijvoorbeeld lezen in Zondag 17 van de Heidelbergse Catechismus.


Verwerking n.a.v. een artikel uit het Reformatorisch Dagblad van 26 maart 2016 (voor de oudste groepen)

Artikel (zie de volgende pagina)


Sluiting

Dankgebed



[1] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, Grand Rapids, Michigan: Zondervan, p. 367
[2] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 367
[3] P.H.R. van Houwelingen, Commentaar op het Nieuwe Testament. Johannes, Het evangelie van het Woord, Kampen: J.H. Kok, p. 386
[4] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 368
[5] P.H.R. van Houwelingen, Commentaar op het Nieuwe Testament. Johannes, Het evangelie van het Woord, p. 386
[6] P.H.R. van Houwelingen, Commentaar op het Nieuwe Testament. Johannes, Het evangelie van het Woord, p. 388
[7] John Calvin, Commentary on John – Volume 2, Grand Rapids, MI: Christian Classics Ethereal Library, p. 222
[8] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 374
[9] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 374
[10] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 374
[11] P.H.R. van Houwelingen, Commentaar op het Nieuwe Testament. Johannes, Het evangelie van het Woord, p. 392
[12] P.H.R. van Houwelingen, Commentaar op het Nieuwe Testament. Johannes, Het evangelie van het Woord, p. 392
[13] G.R. Beasley-Murray, Word Biblical Commentary. Volume 36: John, p. 379

zaterdag 30 juni 2018

Plan van aanpak catechisatieles 1

Afgelopen seizoen heb ik (Machiel Lock) enkele keren catechisatie gegeven. Het lijkt me goed om te laten zien hoe ik catechisatielessen heb aangepakt.



PLAN VAN AANPAK CATECHISATIELES MAANDAG 5 MAART 2018

Hieronder ga ik de 6 punten langs die weergegeven worden in paragraaf 10.6 van het boek “Jos de Kock, Wim Verboom, e.a., Basisboek catechese. Altijd leerling. Zoetermeer: Boekencentrum, 2012” (2e druk; 1e druk: 2011), met daarachter mijn antwoorden.

1.          Thema catechisatieles: “Muziek in de kerk”
2.         Doelen: het duidelijk maken van bepaalde achtergronden van de muziek en van de zang in de kerk
3.          Informatie: met name vanuit de Bijbel en vanuit de kerkgeschiedenis
4.   Verkennen van het eigen subjectieve concept en de eigen praktijkcontext ten aanzien van het thema: Als catecheet vind ik het thema “Muziek in de kerk” belangrijk, omdat ten eerste tijdens elke kerkdienst muziek ten gehore gebracht wordt, in deze situatie via een orgel; ook de samenzang is een belangrijk onderdeel. De gemeente doet namelijk actief mee en is geen toeschouwer. Ze beaamt steeds een onderdeel van de kerkdienst. Bijvoorbeeld: “Als antwoord op de prediking zingen we …” Er vindt steeds een wisselwerking plaats tussen voorganger en gemeente. Dus samenzang is een belangrijk onderdeel van de kerkdienst, zoals ook alle andere onderdelen van belang zijn tijdens de kerkdienst. De gehele kerkdienst moet namelijk strekken tot eer van God. Muziek roept allerlei gedachten op. Met muziek kan een bepaalde stemming/gemoedsuitdrukking ten gehore gebracht worden. Er zijn best wat discussies aangaande het thema “Muziek in de kerk”. Bijvoorbeeld: is het goed dat er alleen Psalmen gezongen worden tijdens de kerkdienst, moet er ritmisch of niet-ritmisch gezongen worden, is het geoorloofd dat er ook andere instrumenten dan een orgel gebruikt worden. De Psalmen raken mij persoonlijk. In de Psalmen kijken we Gods kinderen in het hart.
5.     Verkennen van het subjectieve concept en de praktijkcontext van de catechisanten ten aanzien van het thema. Ik denk dat het thema “Muziek in de kerk” over het algemeen door de catechisanten als boeiend ervaren wordt. Er zullen ongetwijfeld allerlei gedachten zijn bij de catechisanten als het gaat om dit thema. Ik denk dat bijna iedereen in zijn of haar vrije tijd regelmatig naar muziek luistert. Hoe verhoudt hun muzieksvoorkeur tot de muziek die in hun kerk tijdens de kerkdienst en tijdens andere kerkelijke activiteiten ten gehore wordt gebracht? Wordt er over dit thema gesproken in de thuissituatie van de catechisanten? En tussen de catechisanten onderling?
6.     Verkennen van de context van de gemeente en de omringende wereld ten aanzien van het thema. Zelf ben ik niet bekend of er door de kerkenraad van de betreffende gemeente geëvalueerd wordt t.a.v. het thema “Muziek in de kerk”. Feit is wel dat de verschillende kerken ook verschillende soorten muziek gebruiken. Ook de liederen die gezongen worden, zijn per kerk verschillend. Ik denk dat het voor de catechisanten belangrijk is dat ze enige kennis hebben van hoe de Bijbel over muziek spreekt. Enerzijds om zich te wapenen tegen muziek waarin de duivel geëerd wordt, en anderzijds om een brede blik te krijgen van hoe de Bijbel over muziek spreekt.


Gebed (ook dankgebed aan het einde van de bijeenkomst)
Zingen: Psalm 118:1; Psalm 150:1,2,3
Lezen: Kolossenzen 3:5-17.

Het gaat vanavond over muziek in de kerk. Maar eerst nog iets n.a.v. de vorige catechisatieles. Ik heb begrepen dat er vragen zijn over 1 Samuël 16:14, waarin we lezen over “een boze geest van God”. Lezen document: “Les 18: Muziek in de kerk”.

Vraag: Wie weet een aantal instrumenten te noemen die in de Bijbel voorkomen? (Is de vorige keer ook gevraagd, maar nu nog een keer als opfrisser.) We kunnen denken aan Psalm 150. Hierin worden een aantal instrumenten genoemd. We kunnen ook denken aan bijvoorbeeld David, die op de harp speelt voor Saul (zie 1 Samuël 16:23). Toen David dit deed, week de boze geest van Saul, waar we het zojuist over hadden. Ook in bijvoorbeeld Openbaring 18:22 worden muziekinstrumenten genoemd.

Hier bij jullie in de kerk en ook bij mij in de kerk wordt de samenzang begeleid met een orgel. Het zingen van de Psalmen kan het beste begeleid worden met een orgel. Enerzijds is dat traditie, anderzijds denk ik ook omdat het zingen van de Psalmen het beste begeleid kan worden met een orgel. Andere liederen die in sommige kerken gezongen worden, zoals de Opwekkingsliederen en gospelmuziek, zijn niet of nauwelijks met een orgel te begeleiden. De Opwekkingsliederen en gospelmuziek passen minder in een reformatorische gemeente. Anders zouden we met een bandje in de kerk moeten werken. Dat wil niet zeggen dat de Opwekkingsliederen verkeerd zijn. De Opwekkingsliederen zijn ook gemaakt om God te eren. Dan wil ik graag een stelling poneren.

Stelling: “In de kerk mag je alleen Psalmen zingen”. Eens of oneens? Waarom?

Het is niet verkeerd om in de kerk naast de Psalmen ook andere liederen te zingen: ook lofzangen en geestelijke liederen. Zie Efeze 5:19 en Kolossenzen 3:16. Waarom worden hier tijdens de kerkdienst dan toch alleen de Psalmen gezongen, en daarnaast maar 12 gezangen? Wie weet dat?

Ik denk het hiermee te maken heeft dat juist in de Psalmen, naast het feit dat deze in de Bijbel zijn opgenomen, veel heilsfeiten en vele stadia in het christenleven naar voren komen. Jezus zegt ook dat alles wat over Hem geschreven staat in de Wet van Mozes, en in de Profeten, en in de Psalmen, vervuld is geworden (zie Lukas 24:44). Niet voor niets werd door de bekende kerkhervormer Maarten Luther de Psalmen “de Bijbel in het klein” genoemd. Wel denk ik dat de opstanding van Jezus Christus wat minder naar voren komt in de Psalmen, hoewel die ook niet afwezig is. In Psalm 22 bijvoorbeeld zingt allereerst David over zijn lijden, maar het lijden dat in deze Psalm naar voren komt, is wel het meest vervuld in Jezus Christus. Maar het blijft niet alleen bij het lijden: de HEERE heeft de ellendige niet verlaten (zie vers 25). De HEERE komt om de aarde te oordelen (zie Psalm 98:9). De Heere Jezus Christus zal bij Zijn wederkomst de levenden en de doden oordelen (zie 2 Timotheüs 4:1).

Misschien goed om iets aan te duiden vanuit de geschiedenis. Jullie zijn lid van een hervormde gemeente, onderdeel van het protestantisme. De Reformatie, in 16e eeuw, zorgde voor grote veranderingen. De liturgie van de kerkdienst ging bijna alleen uit Bijbeluitleg bestaan. Maarten Luther, een bekende reformator, hield in 1523 nog vrij veel van de rooms-katholieke mis in stand, maar dat werd drie jaar later veel minder. Luther wilde dat tijdens de kerkdienst ook zo vaak mogelijk het Heilig Avondmaal bediend wordt. Een andere reformator, Huldrych Zwingli, wilde dit niet; hij hield vier maal per jaar het Heilig Avondmaal. Ook schafte hij het zingen af; hij wilde namelijk een kerkdienst waarin de mens in alle stilte het Woord van God kan horen. Ook in andere protestantse kerken werd er tijdens de kerkdienst alleen gepreekt en niet gezongen. Later kwam hier in veel protestantse kerken toch verandering in en kreeg de zang juist wel een belangrijke plaats tijdens de kerkdienst. Onder leiding van Johannes Calvijn kwam er weer meer gemeentezang. De samenzang werd in eerste instantie begeleid door middel van een voorzanger. In Nederland werd in 1636 voor het eerst met orgelbegeleiding gezongen, dat was in Leiden. In het noorden van het land werd er waarschijnlijk al eerder met orgelbegeleiding gezongen, maar dat is niet helemaal zeker.

Calvijns grote wantrouwen tegen de samenleving in het algemeen gaf aanleiding tot soberheid  en eenvoud in de kerkdienst. Kunstvormen of kunstvoorwerpen zouden de aandacht van de mensen afleiden. In een calvinistische kerk waren geen versieringen, schilderijen, altaarkleden, kandelaren en afbeeldingen te vinden. De preekstoel was het absolute middelpunt. Luther daarentegen was milder ten opzichte van afbeeldingen en versiersels. Hij was bijvoorbeeld van mening dat beelden nog wel kunnen helpen in het geloofsleven. Hij liet in eerste instantie gewoon de mis in stand, maar preekte in het Duits.

In Nederland werd uit de Psalmberijming van Datheen gezongen, die ook nu nog steeds in enkele kerkelijke gemeenten gebruikt wordt. In 1773 kwam er een Psalmberijming die, ondanks enige wijzigingen, in de meeste protestantse kerken in gebruik bleef tot de invoering van de nieuwe Psalmberijming in 1968. Hier bij jullie wordt tijdens de kerkdienst alleen gezongen vanuit de berijming uit 1773. De berijming uit 1773 is uitgegeven op last van de Staten-Generaal.

De Psalmen kunnen ritmisch, maar ook niet-ritmisch gezongen worden. Vroeger was ritmisch zingen geen probleem, maar omdat het op een gegeven moment in sommige kerken een rommeltje werd, werd in die kerken besloten om niet-ritmisch te zingen. Bijbels gezien mag zowel ritmisch als niet-ritmisch gezongen worden. Doordat de woordaccenten niet goed overeenkwamen met korte en lange noten, ontstond er een langzame vorm van zingen, waardoor de noten op een gegeven moment allemaal even lang werden.

Luther was juist een voorstander van het evangelische kerklied en hij was niet zozeer een voorstander van Psalmen zingen tijdens de kerkdienst. In het lutherse gezangboekje van 1524 staan er 24 van Luther zelf, waaraan hij er later nog 12 toevoegde. Bekend van hem is bijvoorbeeld het lied “Een vaste burcht is onze God”. Dit is een bewerking van Psalm 46.

David schrijft dat de Heere hem een nieuw lied gaf (zie Psalm 40:4). Meerdere personen in de Bijbel hebben gezongen tot eer van God en dat bleef zeker niet zonder gevolgen. Paulus en Silas zongen en de deuren van de gevangenis waar ze in geworpen waren, gingen open (zie Handelingen 16:25-26). Ze zongen niet voor eigen eer of voor geld. Het geeft aan dat het goed is om God te zoeken met geheel ons hart.

Gezangen. We kennen meerdere gezangenbundels. Er zijn ook bundels waarin naast de Psalmen honderden gezangen staan. Het is per kerk verschillend welke bundels gebruikt worden. Vraag: Kunnen jullie een aantal bundels noemen?

Hier hebben we er een aantal (op het bord schrijven):
-        De Evangelische Gezangenbundel (1806)
-        De Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen (1866)
-        De hervormde gezangenbundel (1938)
-        Liedboek voor de Kerken (1973)
-        Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk (2013)
-        Weerklank (2016)

Vraag: Zijn er nog vragen?

Opdracht: voor oudste groepen (vanaf 16 jaar): vergelijken verschillende berijmingen van Psalm 1 met de onberijmde tekst van Psalm 1. Welke tekst in de berijmingen komt het beste overeen met de onberijmde tekst en welke tekst het minst?

Machiel Lock